De grote witte troon verschijnt na de duizend jaren en Satans laatste opstand. Voor deze troon staan „de doden, klein en groot”: de ongelovige doden uit de eerdere tijden én degenen die tijdens het millennium zijn gestorven. De boeken maken Gods rechtvaardige beoordeling openbaar; het boek des levens des Lams maakt de beslissende scheiding zichtbaar. Alleen wie daarin niet geschreven gevonden wordt, gaat naar de tweede dood.
Wie staat voor de grote witte troon? De laatste opstand en het oordeel over de overige doden
De grote witte troon is de laatste rechtszitting die de Bijbel beschrijft voordat de nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het Nieuwe Jeruzalem verschijnen. Het is geen algemene rechtszitting waarop alle mensen die ooit hebben geleefd tegelijkertijd worden verdeeld. Openbaring 20 heeft vóór deze troon al verschillende groepen van elkaar onderscheiden.
De heiligen van de eerste opstanding leven en regeren duizend jaar met Christus. Levende gelovigen uit Israël en de volken gaan in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen. Het Beest en de valse profeet zijn reeds in de poel des vuurs. De levende bokken zijn bij Christus’ komst tot het eeuwige vuur veroordeeld. Na het millennium wordt Satan losgelaten, zijn laatste opstand door vuur verslonden en hijzelf in de poel des vuurs geworpen.
Pas daarna ziet Johannes de grote witte troon. De Schrift noemt degenen die ervoor staan heel precies: „de doden, klein en groot.” Dat zijn alle mensen die op dat moment nog uit de dood moeten worden opgewekt. Daaronder bevinden zich ongelovige doden uit de voorafgaande tijden, ongelovigen die tijdens het millennium stierven en gelovigen die tijdens het millennium in natuurlijke lichamen stierven. De rechtszitting en de tweede dood zijn daarom niet hetzelfde: alleen wie niet in het boek des levens gevonden wordt, gaat in de poel des vuurs.
Duizend jaar scheiden de twee opstandingsorden
Openbaring 20 begint met de binding van Satan. Daarna ziet Johannes heiligen die levend worden en met Christus regeren:
“En zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.”
— Openbaring 20:4
Onmiddellijk daarna maakt de Schrift een tegenstelling:
“Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.”
— Openbaring 20:5
Eén groep wordt vóór het millennium levend en regeert met Christus. De overige mensen die op dat moment reeds dood zijn en niet tot deze opstandingsorde behoren, blijven gedurende de duizend jaren dood. Over de eerste groep zegt God:
“Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht.”
— Openbaring 20:6
Dit sluit één algemene opstanding vóór het millennium uit. De deelnemers aan de eerste opstanding zijn zalig en heilig en staan ten minste duizend jaar eerder op dan de ongelovige doden die dan reeds gestorven zijn.
De woorden „de overigen der doden” kunnen echter nog niet doelen op mensen die pas tijdens het millennium geboren worden. Wanneer onder die natuurlijke bevolking later gelovigen of ongelovigen sterven, worden ook zij doden die na de duizend jaren nog moeten worden opgewekt. Daarom gebruikt de troonscène zelf de bredere aanduiding „de doden, klein en groot”.
Eerst komt de laatste opstand
Wanneer de duizend jaren geëindigd zijn, wordt Satan voor een korte tijd uit zijn gevangenis losgelaten:
“En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis ontbonden worden.”
— Openbaring 20:7
Hij verleidt de volken aan de vier hoeken der aarde en verzamelt hen tot de oorlog. Openbaring noemt hen Gog en Magog en zegt dat hun getal is als het zand aan de zee. Zij trekken over de breedte van de aarde en omsingelen de legerplaats der heiligen en de geliefde stad.
Deze opstandelingen zijn geen heiligen die hun eeuwige leven verliezen. Het zijn onwedergeboren nakomelingen van de natuurlijke, geredde mensen die aan het begin van het millennium het Koninkrijk binnengingen. Zij zijn onder Christus’ volmaakte regering geboren, maar natuurlijke geboorte geeft geen eeuwig leven. Duizend jaar vrede, rechtvaardige regering en zichtbare heerlijkheid kunnen het menselijk hart niet wederbaren. Ook tijdens het Koninkrijk moet ieder mens persoonlijk in Christus geloven.
Wanneer Satan wordt losgelaten, brengt zijn verleiding de reeds aanwezige vijandschap van deze mensen openbaar. Toch ontstaat geen langdurige oorlog en komt Christus’ troon geen moment in gevaar:
“En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.”
— Openbaring 20:9
God beëindigt de laatste menselijke opstand onmiddellijk. Vervolgens wordt Satan definitief in de poel des vuurs geworpen:
“En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.”
— Openbaring 20:10
Daarmee is iedere satanische verleiding beëindigd. Het beest en de valse profeet bevinden zich op dat moment al duizend jaar in de poel des vuurs. Satan wordt bij hen gevoegd. Hij verschijnt niet daarna nogmaals voor de grote witte troon. Zijn vonnis is uitgevoerd.
De mensen uit de laatste opstand worden door het vuur verslonden en zijn dus gestorven. Openbaring noemt hen in de volgende verzen niet afzonderlijk opnieuw bij naam. De onmiddellijk volgende scène omvat echter „de doden, klein en groot”, terwijl nergens een ander toekomstig oordeel over deze opstandelingen wordt beschreven. De volgorde en de omvattende aanduiding plaatsen ook hen daarom voor deze troon. Zij staan daar naast de ongelovige doden die reeds vóór het millennium gestorven waren en naast alle andere mensen die tijdens het millennium stierven.
Waarom tijdens het millennium opnieuw een onwedergeboren menigte kan ontstaan, wordt volledig verklaard in Wie gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen?.
De troon verschijnt nadat Satans vonnis is uitgevoerd
Johannes schrijft:
“En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.”
— Openbaring 20:11
De troon is groot omdat het laatste oordeel met absoluut gezag wordt uitgesproken. Hij is wit omdat Gods oordeel volkomen rein en rechtvaardig is. Geen leugen blijft overeind, geen verborgen werk blijft bedekt en geen vonnis kan worden aangevochten.
Zelfs de aarde en de hemel vluchten weg voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit. De oude scheppingsorde biedt geen schuilplaats meer. Petrus had reeds geschreven dat de hemelen zullen voorbijgaan en dat de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden, waarna wij naar Gods belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde verwachten waarin gerechtigheid woont (2 Petrus 3:10–13).
Openbaring bevestigt dezelfde overgang. Na het oordeel zegt Johannes:
“En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan.”
— Openbaring 21:1
De grote witte troon staat dus op de grens tussen de oude schepping en de eeuwige toestand. Alles wat tot zonde, dood en opstand behoort, wordt definitief verwijderd voordat God alle dingen nieuw maakt.
Jezus Christus is de Rechter
Openbaring 20 legt de nadruk op de troon, op God en op het onontkoombare oordeel. Andere Schriftplaatsen maken bekend dat God dit oordeel door Jezus Christus voltrekt.
Jezus zegt:
“Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven.”
— Johannes 5:22
En:
“En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is.”
— Johannes 5:27
Paulus verkondigde in Athene dat God een dag heeft bepaald waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door de Man Die Hij uit de doden heeft opgewekt (Handelingen 17:31). Hij schreef eveneens dat Jezus Christus de levenden en de doden zal oordelen (2 Timotheüs 4:1).
De Man Die door mensen werd veracht, gekruisigd en verworpen, is door God uit de doden opgewekt en tot Rechter gesteld. Voor de grote witte troon bestaat daarom geen tegenstelling tussen “voor God staan” en door Christus geoordeeld worden. De Vader heeft al het oordeel aan de Zoon gegeven.
Wie staan voor de grote witte troon?
Johannes antwoordt rechtstreeks:
“En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.”
— Openbaring 20:12
Het zijn de doden. Dat wordt opnieuw benadrukt wanneer de zee, de dood en de hel hun doden teruggeven (Openbaring 20:13). Het gaat dus niet om de nog levende natuurlijke gelovigen die het einde van het millennium bereiken. Zij moeten voor de eeuwige toestand worden veranderd, maar Openbaring noemt het exacte moment van die verandering niet.
De doden voor de troon omvatten:
| Groep | Waarom hier? | Uitkomst |
|---|---|---|
| Ongelovige doden uit de tijden vóór het millennium | Zij namen niet deel aan de eerste opstanding en bleven dood | Niet in het boek des levens; tweede dood |
| Ongelovigen die tijdens het millennium stierven | Zij moeten nog worden opgewekt | Niet in het boek des levens; tweede dood |
| De gedode opstandelingen van Gog en Magog | Vuur verslindt hen direct vóór de troon verschijnt | Niet in het boek des levens; tweede dood |
| Gelovigen die tijdens het millennium stierven | Zij stierven tijdens het millennium in natuurlijke lichamen en waren nog niet lichamelijk tot onsterfelijkheid gebracht | Wel in het boek des levens; geen tweede dood |
Deelnemers aan de eerste opstanding verschijnen hier niet opnieuw om hun eeuwige bestemming te laten beslissen. De nog levende millenniale gelovigen behoren evenmin tot de doden voor deze troon. Wanneer een natuurlijke gelovige tijdens het millennium sterft, behoort hij volgens de hieronder uitgewerkte Schriftlijn wel tot de doden die vóór de eeuwige toestand lichamelijk worden opgewekt; zijn eeuwige leven wordt daarbij niet heroverwogen. Het Beest, de valse profeet, de levende bokken en Satan bevinden zich reeds in hun definitieve oordeel en worden niet uit de poel gehaald voor een tweede proces.
De grote witte troon is daarmee een gemengde groep wat geestelijke positie betreft, maar niet wat heilsgrond betreft. Niemand wordt door werken gered. De boeken openbaren de werken; het boek des levens maakt zichtbaar wie door Gods genade aan het Lam behoort.
Mattheüs 25 is niet de grote witte troon
Het oordeel over de schapen en bokken vindt plaats wanneer de Zoon des mensen in Zijn heerlijkheid komt. Christus zit dan op de troon Zijner heerlijkheid en de nog levende volken worden voor Hem verzameld (Mattheüs 25:31–32).
De volledige uitleg van deze afzonderlijke beoordeling staat bij de schapen en bokken in Mattheüs 25.
De schapen horen:
“Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.”
— Mattheüs 25:34
De bokken horen:
“Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.”
— Mattheüs 25:41
En Christus besluit:
“En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”
— Mattheüs 25:46
De volgorde is rechtstreeks: Christus komt, Hij scheidt de levende volken, de schapen beërven het Koninkrijk en de bokken gaan in de eeuwige straf. Mattheüs spreekt hier nergens over graven die worden geopend, doden die weder levend worden of de zee, de dood en het dodenrijk die hun doden teruggeven.
De twee oordelen verschillen daarom wezenlijk:
| Mattheüs 25 | Openbaring 20:11–15 |
|---|---|
| Bij Christus’ zichtbare wederkomst | Na Christus’ duizendjarige regering |
| Vóór het binnengaan in het Koninkrijk | Vlak vóór de nieuwe hemel en nieuwe aarde |
| Oordeel over de dan levende volken | Oordeel over “de doden, klein en groot” |
| Schapen en bokken worden van elkaar gescheiden | Onder de opgewekte doden bevinden zich ook gestorven millenniale gelovigen |
| Schapen gaan het Koninkrijk in | De opgewekte doden worden naar hun werken geoordeeld |
| Bokken gaan in het eeuwige vuur | Wie niet in het boek des levens staat, gaat in de poel des vuurs |
Het eeuwige vuur van Mattheüs 25 is cumulatief dezelfde definitieve strafplaats als de poel des vuurs. Mattheüs zegt dat dit vuur voor de duivel en zijn engelen bereid is; Openbaring 20 zegt dat de duivel in de poel des vuurs wordt geworpen en daar eeuwig wordt gepijnigd.
Bovendien bewijzen het beest en de valse profeet dat mensen reeds vóór het millennium in de poel kunnen worden geworpen. Zij gaan er bij Christus’ komst levend in en bevinden zich daar duizend jaar later nog steeds (Openbaring 19:20; 20:10). Zij worden niet uit de poel gehaald om opnieuw te worden geoordeeld.
Daarom bestaat geen reden om bij Mattheüs 25 een verborgen uitstel van duizend jaar in te voegen. Christus bepaalt en voltrekt daar het definitieve vonnis van de levende bokken. De grote witte troon is geen tweede proces over reeds definitief veroordeelden, maar de latere rechtszitting over de dan nog op te wekken doden. Onder hen bevinden zich zowel ongelovigen als gestorven millenniale gelovigen.
Waarom worden de boeken geopend?
Voor de troon worden “de boeken” geopend en daarnaast “een ander boek”, het boek des levens. De tekst legt zelf uit waarvoor de boeken dienen:
“En de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.”
— Openbaring 20:12
God heeft geen informatie nodig om een oordeel te kunnen vormen. De geopende boeken openbaren de volkomen rechtmatigheid van Zijn vonnis. Geen daad, woord, motief, verwaarloosde waarheid of verworpen genade ontbreekt. Iedere veroordeelde wordt persoonlijk en naar waarheid geoordeeld.
Dat zij naar hun werken worden geoordeeld, betekent niet dat een mens door goede werken eeuwig leven kan verdienen. De Schrift zegt juist:
“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem.”
— Romeinen 3:20
En:
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9
Werken zijn niet de grond van redding, maar zij maken schuld zichtbaar en bewijzen de rechtvaardigheid van het oordeel. Jezus leerde bovendien dat de mate van ontvangen licht en verantwoordelijkheid verschil maakt in het oordeel. Het zal voor het land van Sodom verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor een stad die Christus’ machtige werken zag en zich niet bekeerde (Mattheüs 11:20–24). De Schrift geeft niet ieder detail van die gradaties, maar zij leert wel dat God volmaakt rekening houdt met ieders werken en verantwoordelijkheid.
Niemand voor deze troon kan God van willekeur beschuldigen. Het gehele levensgetuigenis ligt open. De Rechter der ganse aarde doet recht.
Waarom wordt het boek des levens geopend?
Naast de boeken van de werken wordt „een ander boek” geopend, het boek des levens. Daarna staat:
“En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.”
— Openbaring 20:15
De voorwaardelijke formulering is beslissend. Niet het staan voor de troon, maar het niet geschreven gevonden worden in het boek des levens leidt tot de poel des vuurs.
Dit is hetzelfde heilboek dat Openbaring elders „het boek des levens des Lams” noemt. Openbaring 17:8 spreekt over levende aanbidders van het Beest wier namen niet in het boek des levens staan; het kan dus geen algemeen register van alle lichamelijk levende mensen zijn. Openbaring 21:27 noemt de inwoners van het Nieuwe Jeruzalem geschreven in het boek des levens des Lams; lichamelijke dood wist de naam van een gelovige niet uit.
De boeken en het boek des levens hebben verschillende functies:
| Register | Functie |
|---|---|
| De boeken | Maken ieders werken en Gods volkomen rechtvaardige beoordeling openbaar |
| Het boek des levens des Lams | Maakt zichtbaar wie aan Christus behoort en niet onder de tweede dood valt |
Voor de ongelovige doden bieden de boeken geen grond tot rechtvaardiging. Hun werken maken hun schuld openbaar en hun namen worden niet in het boek des levens gevonden. Voor gestorven millenniale gelovigen zijn de werken evenmin de grond van redding; hun namen staan in het boek omdat zij tijdens hun leven in Christus geloofden.
Hier wordt geen nieuwe gelegenheid tot geloof na de dood aangeboden. De eeuwige positie is reeds tijdens het aardse leven bepaald. De troon maakt Gods beoordeling en het onderscheid van het boek des levens volkomen openbaar.
De samenhang met alle andere Bijbelse oordelen wordt uitgewerkt in Welke oordelen noemt de Bijbel?
De dood, de hel en de poel des vuurs zijn niet hetzelfde
Openbaring maakt een noodzakelijk onderscheid:
“En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.”
— Openbaring 20:14
De “hel” in dit vers—Hades, het dodenrijk—is niet de poel des vuurs. Het dodenrijk geeft eerst de doden terug die erin zijn en wordt daarna zelf in de poel geworpen. De tijdelijke toestand van de ongelovige doden eindigt wanneer zij lichamelijk zijn opgewekt, geoordeeld en in hun definitieve bestemming gebracht.
Ook de dood zelf wordt in de poel geworpen. Paulus noemt de dood “de laatste vijand” die tenietgedaan wordt (1 Korinthe 15:26). Daarna kan Johannes over de eeuwige toestand schrijven:
“En de dood zal niet meer zijn.”
— Openbaring 21:4
De poel des vuurs heet de tweede dood. De eerste dood scheidt de mens van zijn aardse lichaam; de tweede dood is de definitieve, eeuwige straf na de opstanding en het oordeel.
De tweede dood betekent niet dat de veroordeelde eenvoudig ophoudt te bestaan. Het beest en de valse profeet worden bij Christus’ wederkomst levend in de poel geworpen en zijn daar duizend jaar later nog. Wanneer Satan erbij wordt geworpen, staat dat zij “gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid” (Openbaring 20:10). Christus spreekt eveneens over “eeuwig vuur” en “eeuwige pijn” (Mattheüs 25:41, 46).
De tweede dood is daarom geen vernietiging tot niet-bestaan, maar eeuwige uitsluiting van het leven en de heerlijkheid van God onder Zijn rechtvaardige oordeel.
Voor een afzonderlijke uitleg van dit onderscheid en de eeuwige straf, zie: De hel en de poel des vuurs.
Geen tweede oordeel voor wie reeds definitief veroordeeld is
De Bijbel leert dat ieder mens rekenschap aan God moet geven. Daaruit volgt echter niet dat iedere veroordeelde op exact hetzelfde moment of voor exact dezelfde troon zijn definitieve bestemming ontvangt.
Openbaring toont verschillende momenten:
- het beest en de valse profeet worden vóór het millennium levend in de poel des vuurs geworpen;
- de levende bokken worden bij Christus’ komst in het eeuwige vuur gezonden;
- Satan wordt na de laatste opstand in de poel geworpen;
- de overige ongelovige doden worden na de duizend jaren opgewekt en voor de grote witte troon geoordeeld.
De bestemming is dezelfde definitieve strafplaats, maar de route en het tijdstip zijn niet voor iedere groep gelijk. De Schrift toont nergens dat het beest, de valse profeet, Satan of de reeds veroordeelde bokken uit de poel worden gehaald voor een nieuw proces. Hun zaak is reeds door de bevoegde, volmaakte Rechter beslist en het vonnis is uitgevoerd.
Onder de ongelovige doden die later voor deze troon verschijnen, bevinden zich ook de wederstrevers die bij Christus’ komst uit Israël worden uitgezuiverd. Zie waar is afvallig Israël bij de wederkomst?
“Geen tweede oordeel” moet daarbij nauwkeurig worden verstaan. Het betekent: geen tweede proces waarin dezelfde eeuwige bestemming opnieuw wordt onderzocht. Het betekent niet dat God daarna nooit meer een concrete daad zou beoordelen of Zijn rechtvaardige regering zou uitoefenen. Dat onderscheid is bij gelovigen reeds rechtstreeks zichtbaar. Zij hebben eeuwig leven en komen niet in de verdoemenis (Johannes 5:24), terwijl Paulus tegelijk zegt: “als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden” (1 Korinthe 11:32).
Hetzelfde beginsel bewaart de positie van de schapen die het Koninkrijk in natuurlijke lichamen binnengaan: hun eeuwige leven wordt nooit heroverwogen. Zolang zij leven, behoren zij niet tot de
doden voor de grote witte troon. Sterft een van hen tijdens de duizend jaren, dan geldt voor hem de hieronder beschreven lichamelijke opstanding van gestorven millenniale gelovigen, zonder een nieuwe
beslissing over zijn eeuwige behoudenis. Christus kan hun verdere wandel onder Zijn ijzeren Koninkrijksregering wel beoordelen en eventuele ongehoorzaamheid onmiddellijk behandelen. Dat is regering en tucht over mensen die Hem reeds toebehoren, geen nieuwe rechtszaak over de vraag of zij alsnog verloren zullen gaan.
De grote witte troon moet daarom worden omschreven met de woorden die Openbaring zelf gebruikt: het oordeel over de doden die tot dan toe nog niet waren opgewekt.
Wat gebeurt er met gelovigen uit het millennium?
De natuurlijke gelovigen in het duizendjarig Koninkrijk bezitten eeuwig leven, maar hun lichaam blijft sterfelijk totdat God het opwekt of verandert. Zij hebben nog vlees, kunnen nog zondigen en staan onder de rechtvaardige regering en tucht van Christus. Ook voor een gelovige kan Vaderlijke tucht lichamelijke dood omvatten zonder dat hij met de wereld wordt veroordeeld (1 Korinthe 11:30–32).
Jesaja 65 beschrijft binnen de Koninkrijksorde geboorte, hoge ouderdom en dood. De Schrift leert nergens dat een natuurlijke gelovige bij zijn geloof onmiddellijk lichamelijk onsterfelijk wordt. Daarom sterven tijdens de duizend jaren ook gelovigen.
Zij moeten vóór de eeuwige toestand lichamelijk worden opgewekt. Zij waren niet bij de eerste opstanding vóór het millennium tot onsterfelijkheid gebracht; zij leefden in het Koninkrijk nog in natuurlijke, sterfelijke lichamen. Dat geldt voor gelovigen die er tijdens de duizend jaren geboren werden, maar ook voor natuurlijke gelovigen die al bij het begin aanwezig waren en later stierven. Na de duizend jaren wordt geen afzonderlijke opstanding naast de grote witte troon geopenbaard. Daarom behoren deze gestorven gelovigen tot „de doden, klein en groot” die daar voor God staan.
Hun aanwezigheid maakt de troon niet tot een nieuwe proef over eeuwige redding. Zij worden in het boek des levens des Lams gevonden en gaan niet in de poel des vuurs. De nog levende millenniale gelovigen worden vóór de eeuwige toestand veranderd; alleen het exacte moment daarvan wordt niet afzonderlijk bekendgemaakt.
De grote witte troon verkondigt de noodzaak van het Evangelie
Voor de grote witte troon zijn geen menselijke verdiensten meer om achter te schuilen. De boeken tonen dat ieder mens gezondigd heeft. Religie, goede bedoelingen, maatschappelijke reputatie, afkomst, doop, kerklidmaatschap en werken kunnen de schuld niet uitwissen. Wie op grond van zijn eigen leven voor God moet staan, wordt door zijn eigen werken veroordeeld.
Daarom is het Evangelie geen oproep om voldoende goede werken in de boeken te verzamelen. Het is de blijde boodschap dat Jezus Christus het oordeel van zondaren op Zich heeft genomen.
De Zoon van God stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag lichamelijk uit de doden op. Hij droeg aan het kruis de straf die wij verdienden en volbracht het werk dat geen mens kon volbrengen. God rechtvaardigt niet degene die zijn schuld met werken probeert te betalen, maar degene die in Jezus Christus gelooft.
Wie op Christus vertrouwt, ontvangt nu eeuwig leven. Hij komt niet in de verdoemenis, omdat Christus zijn oordeel heeft gedragen. Zijn zekerheid rust niet op de volmaaktheid van zijn eigen werken, maar op de volmaaktheid van Christus’ volbrachte werk en op Gods onveranderlijke belofte.
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
Na de dood biedt de grote witte troon geen tweede kans. De boeken worden daar niet geopend om nog over de mogelijkheid van redding te onderhandelen, maar om Gods rechtvaardige oordeel openbaar te maken. Daarom is de tijd om in Christus te geloven niet na de opstanding der verdoemenis, maar nu.
Conclusie
Openbaring 20 geeft een vaste volgorde. De heiligen van de eerste opstanding worden vóór het millennium levend en regeren duizend jaar met Christus. De mensen die dan reeds als ongelovigen gestorven zijn, blijven gedurende die duizend jaren dood. Tijdens het millennium worden echter nieuwe natuurlijke mensen geboren; gelovigen en ongelovigen kunnen sterven. Aan het einde worden de laatste opstandelingen door vuur verslonden en wordt Satan in de poel des vuurs geworpen.
Daarna verschijnt de grote witte troon. Voor die troon staan „de doden, klein en groot”: allen die op dat moment nog lichamelijk moeten worden opgewekt. De boeken worden geopend en ieder wordt naar zijn werken geoordeeld. Daarnaast wordt het boek des levens des Lams geopend.
De grote witte troon is niet hetzelfde als de tweede dood. Alleen wie niet in het boek des levens gevonden wordt, wordt in de poel des vuurs geworpen. Daardoor verschijnen de ongelovige doden daar tot de opstanding der verdoemenis, terwijl gestorven millenniale gelovigen worden opgewekt, in het boek des levens gevonden worden en het eeuwige leven binnengaan.
Dit oordeel is evenmin het schapen-en-bokkenoordeel van Mattheüs 25. Dat vindt duizend jaar eerder plaats onder de levende heidenvolken. Ook het Beest, de valse profeet, de levende bokken en Satan worden niet uit de poel gehaald voor een nieuw proces.
De drie begrippen blijven daarom onderscheiden:
- de eerste opstanding is de gezegende opstandingsorde vóór het millennium;
- de grote witte troon is de laatste rechtszitting over de dan nog op te wekken doden;
- de tweede dood is het definitieve vonnis over wie niet in het boek des levens staat.
Na deze troon brengt God alle verlosten in de volkomen nieuwe-aardeorde. De brede plaats van dit oordeel binnen Gods totale rechtsorde staat in Welke oordelen noemt de Bijbel?. De overgang naar de eeuwige toestand wordt verder beschreven in Wanneer wist God alle tranen af? en De nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het Nieuwe Jeruzalem.
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Wat is het verschil tussen het duizendjarig Koninkrijk en de eeuwige toestand?
Volgende artikel:
Welke oordelen noemt de Bijbel?
Serieoverzicht: