Geen traan blijft

God vertroost de verheerlijkten en uiteindelijk alle verlosten.

Geen traan blijft

God vertroost de verheerlijkten en uiteindelijk alle verlosten.

De tranenwissing loopt mee met Gods opstandingsorde: de verheerlijkten gaan zonder kwellende smart het Koninkrijk binnen. Natuurlijke gelovigen leven daar nog in een wereld met mogelijke tucht en dood. Na de duizend jaren wist God uiteindelijk alle tranen af; herinneringen blijven, maar hun pijnigende macht verdwijnt voorgoed.

Wanneer wist God alle tranen af?

Geen traan van een mens is voor God verborgen. David wist dat zelfs zijn omzwervingen, angsten en tranen door de HEERE werden gekend:

“Leg mijn tranen in Uw fles; zijn zij niet in Uw register?”
— Psalm 56:9

De Bijbel eindigt daarom niet met een God Die tegen de verlosten zegt dat hun verdriet nooit belangrijk is geweest. Hij komt Zelf bij de mensen wonen en wist alle tranen van hun ogen af.


Maar wanneer doet Hij dat?


Openbaring gebruikt deze belofte tweemaal. In Openbaring 7 wordt zij uitgesproken over de grote schare uit de grote verdrukking. In Openbaring 21 klinkt zij opnieuw, maar dan na het duizendjarig Koninkrijk, de laatste opstand en de grote witte troon. Wie beide teksten zonder hun chronologie samenvoegt, kan denken dat God alle tranen pas aan het begin van de eeuwige toestand afwist. Maar dan wordt de eerdere belofte aan de grote schare niet werkelijk op haar eigen plaats gelezen.


De som van Gods Woord toont een rijkere orde. De tranenwissing heeft twee grote toepassingen:


  1. degenen die vóór het duizendjarig Koninkrijk onsterfelijkheid ontvangen, gaan in opstandingsheerlijkheid en zonder de persoonlijke kwelling van hun vroegere smart het Koninkrijk binnen;
  2. na de duizend jaren wist God in de volkomen eeuwige toestand alle tranen af van de volledige verloste mensheid, zodat nergens meer dood, rouw, gekrijt of moeite bestaat.


Dat zijn geen twee verschillende soorten zaligheid. Het zijn twee momenten binnen Gods ene voltooiende verlossingswerk.



Dezelfde woorden staan in twee verschillende taferelen


Openbaring 7 beschrijft een ontelbare schare uit alle naties, geslachten, volken en talen. Een ouderling legt uit:

“Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.”
— Openbaring 7:14

Over hen wordt vervolgens gezegd:

“Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.”
— Openbaring 7:16–17

Openbaring 21 beschrijft een later tafereel. De duizend jaren zijn geëindigd. Satan en de laatste opstand zijn geoordeeld. De grote witte troon heeft plaatsgevonden. God maakt alle dingen nieuw en het Nieuwe Jeruzalem daalt neer. Dan klinkt:

“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”
— Openbaring 21:4

De overeenkomst is duidelijk, maar het tijdstip en de omvang verschillen. Openbaring 7 spreekt over een bepaalde verloste groep die uit de grote verdrukking komt. Openbaring 21 omvat de uiteindelijke woonorde van God bij alle verloste mensen.

Plaats Groep Heilsfase Wat wordt beloofd?
Openbaring 7:16–17 de grote schare uit de grote verdrukking vóór hun Koninkrijksdienst met Christus geen honger, dorst, hitte of blijvende tranen meer
Duizendjarig Koninkrijk verheerlijkte heiligen én natuurlijke gelovigen Christus regeert; zonde en dood bestaan onder natuurlijke mensen nog diepe vertroosting en herstel, maar nog geen universele afschaffing van iedere oorzaak van rouw
Openbaring 21:3–4 de volledige verloste mensheid na millennium, laatste opstand en grote witte troon geen dood, rouw, gekrijt, moeite of tranen meer in de gehele eeuwige orde

De tweede vervulling maakt de eerste niet onwerkelijk. Zij breidt haar uit totdat geen enkele verloste en geen enkel deel van Gods woonorde nog door de gevolgen van de zonde kan worden getroffen.



De grote schare gaat van “Hoe lang?” naar volkomen vertroosting


Het vijfde zegel toont gedode getuigen onder het altaar. Zij weten wie zij zijn, herinneren zich wat op aarde is gebeurd en roepen:

“Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?”
— Openbaring 6:10

Hun eeuwige redding is volkomen veilig. Zij dragen witte klederen en rusten bij God. Toch is de aardse geschiedenis nog niet voltooid. Hun bloed is nog niet openbaar gewroken, hun mededienstknechten worden nog vervolgd en Christus heeft Zijn Koninkrijk nog niet zichtbaar ingenomen. Daarom klinkt nog de vraag: “Hoe lang?”


Openbaring 7 grijpt vooruit naar het voltooide resultaat van de grote verdrukking. De schare staat veilig voor Gods troon. Geen honger, dorst, vervolging of hitte kan haar meer bereiken. Het Lam dat voor haar geslacht werd, weidt haar nu als Herder. God wist haar tranen af.


Daarmee ontkent God het geleden kwaad niet. Hij noemt het niet gering en wist de geschiedenis ervan niet uit. Hij beëindigt de persoonlijke macht van dat verdriet. De vervolgden weten waaruit zij gekomen zijn, maar de verdrukking kan hen niet langer verwonden.


Openbaring 7 vermeldt niet de exacte lichamelijke toestand van ieder lid van de schare en zegt evenmin dat ieder afzonderlijk lid op dezelfde wijze werd gedood. Openbaring 20 toont wel rechtstreeks de opstandings- en Koninkrijksbestemming van de martelaren die zo sterk met deze schare verbonden zijn. Degenen die om het getuigenis van Jezus zijn gedood en het beest niet hebben aangebeden, worden levend en regeren met Christus duizend jaar (Openbaring 20:4–6). De schijnbaar verslagen getuigen verschijnen met Christus als koningen.


Het is ongerijmd om te veronderstellen dat God de martelaren volgens Openbaring 7 van hun tranen bevrijdt, maar dat de eerder opgenomen Gemeente of de opgewekte oudtestamentische heiligen gedurende het Koninkrijk nog persoonlijk door hun vroegere smart worden gekweld. Openbaring noemt de grote schare afzonderlijk omdat haar specifieke verdrukkingslijden wordt beantwoord. Andere Schriftlijnen tonen dat dezelfde opstandingsheerlijkheid alle deelnemers aan de eerste opstanding beheerst.


Wie de identiteit en plaatsing van deze schare volledig wil volgen, kan verder lezen in Wie is de grote schare in Openbaring 7?.



Jesaja verbindt tranenwissing rechtstreeks met de overwinning over de dood


De beslissende Schriftbrug staat in Jesaja 25. De profeet ziet de HEERE op Sion regeren en op Zijn berg voor de volken een rijke maaltijd bereiden. Vervolgens zegt hij:

“Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken.”
— Jesaja 25:8

Het vers plaatst twee daden naast elkaar:


  • God verslindt de dood tot overwinning;
  • God wist de tranen van alle aangezichten af.


Paulus haalt het eerste deel van precies deze profetie aan wanneer hij de lichamelijke opstanding uitlegt:

“En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.”
— 1 Korinthe 15:54

Wanneer wordt voor een gelovige de dood verslonden? Wanneer zijn sterfelijke lichaam onsterfelijkheid aandoet.


Paulus laat bovendien zien dat Gods overwinning over de dood een orde en een voortgang kent. Eerst Christus als Eersteling, daarna degenen die van Christus zijn bij Zijn komst, vervolgens de Koninkrijksregering en ten slotte de volledige vernietiging van de laatste vijand:

“Maar een iegelijk in zijn orde: de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal tenietgedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die tenietgedaan wordt, is de dood.”
— 1 Korinthe 15:23–26

De doodsoverwinning wordt dus niet voor iedere verloste op één enkel tijdstip toegepast. Christus is reeds onsterfelijk opgestaan. Daarna ontvangen de Zijnen volgens Gods orde onsterfelijkheid. Toch bestaat gedurende Christus’ Koninkrijksregering onder natuurlijke mensen nog dood. Pas aan het einde wordt de dood als laatste vijand volledig uit de gehele geschapen orde verwijderd.


Daarom kan ook Jesaja’s daarmee verbonden tranenwissing zich volgens dezelfde orde ontvouwen. De eerste grote toepassing loopt mee met de opstandingsorde. Wie vóór het millennium onsterfelijkheid ontvangt, gaat niet slechts met een lichaam dat niet meer kan sterven het Koninkrijk binnen. Ook de persoonlijke heerschappij van de smart die bij de sterfelijke orde hoorde, wordt weggenomen. Na Christus’ duizendjarige regering verdwijnen dood en tranen vervolgens uit de volledige verloste mensheid en de gehele eeuwige woonorde.


Dat gebeurt niet voor iedere groep op dezelfde dag. De eerste opstanding is één orde ten leven die zich in onderscheiden fasen ontvouwt:


  • Christus is de Eersteling;
  • de doden in Christus worden bij de opname opgewekt en de levende gelovigen veranderd;
  • de oudtestamentische heiligen staan op om hun beloofde erfdeel te ontvangen;
  • de heiligen uit de verdrukking worden vóór het Koninkrijk opgewekt.


Allen ontvangen uiteindelijk dezelfde fundamentele opstandingswerkelijkheid: verderfelijkheid wordt onverderfelijkheid, sterfelijkheid wordt onsterfelijkheid, zwakheid wordt kracht en oneer wordt heerlijkheid (1 Korinthe 15:42–54).


Openbaring 7 zegt het rechtstreeks over de grote schare. Jesaja 25 en 1 Korinthe 15 leggen cumulatief vast waarom de belofte niet tot die ene groep beperkt blijft. De overwinning over dood en tranen behoort bij de heerlijkheid waarin alle opgewekte heiligen met Christus het Koninkrijk ingaan.


De verschillende fasen van deze opstanding worden afzonderlijk uitgewerkt in De eerste opstanding: één orde in verschillende fasen.



De Gemeente gaat niet wenend naar de bruiloft


De Gemeente wordt vóór Daniëls zeventigste week opgenomen en voor de rechterstoel van Christus geopenbaard. Daar worden de werken van iedere gelovige onderzocht. Wat met goud, zilver en kostelijke stenen overeenkomt, ontvangt loon; wat uit het vlees voortkwam, verbrandt. Een gelovige kan schade lijden, maar hijzelf blijft behouden (1 Korinthe 3:12–15; 2 Korinthe 5:10).


De Schrift zegt niet dat dit onderzoek als een film wordt vertoond en evenmin dat iedere gelovige daarbij letterlijk weent. Zij zegt wel dat het gehele verantwoordelijke gemeenteleven voor Christus openbaar wordt. De confrontatie met Zijn volmaakte oordeel zal niets oppervlakkigs hebben.


God vertelt ons niet op welk exact ogenblik tussen opname, rechterstoel en bruiloft Hij iedere persoonlijke traan afwist. Het is daarom onnodig een minuut in de hemelse volgorde aan te wijzen die Hij niet heeft genoemd.


Wat wel vaststaat, is de toestand van de Gemeente voordat Christus met haar naar de aarde terugkeert:

“Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.”
— Openbaring 19:7

De vrouw des Lams verschijnt niet als een bruid die nog door schuld, verlies of aardse smart wordt gekweld. Zij is gereed, bekleed en vervuld met vreugde om haar Bruidegom. Vervolgens keert zij met Hem terug om in Zijn Koninkrijk te delen.


De Gemeente heeft dan niet alleen een juridische zekerheid dat zij nooit verloren kan gaan. Zij heeft een verheerlijkt lichaam, haar wandel is voor Christus beoordeeld en zij gaat in bruiloftsvreugde met Hem mee. De exacte minuut van haar tranenwissing is niet geopenbaard; haar vreugdevolle toestand vóór de Koninkrijksregering wel.



Ook de overige deelnemers aan de eerste opstanding gaan in heerlijkheid binnen


Dezelfde lijn geldt voor de oudtestamentische gelovigen en de heiligen uit de verdrukking.


Daniël ontvangt de belofte:

“Maar gij, ga heen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.”
— Daniël 12:13

Hij staat niet op om opnieuw onder de oude macht van dood en smart te komen, maar om zijn erfdeel te ontvangen. Jesaja 25 plaatst de overwinning over dood en tranen juist in de profetische omgeving van Sion, Israël, de volken en Gods komende feestmaal.



Over de verdrukkingsmartelaren zegt Openbaring:

“Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.”
— Openbaring 20:6

Zij gaan van vervolging en lichamelijke dood naar een leven waarover de tweede dood geen macht heeft. God wist hun tranen af en geeft hun geen plaats aan de rand van het Koninkrijk. Zij worden priesters en koningen met Christus.


De eerste grote tranenwissing is daarom geen afzonderlijk voorrecht van één hemelse schare. Openbaring 7 toont haar rechtstreeks bij de mensen wier bijzondere lijden centraal staat. De gehele opstandingsorde laat zien dat allen die vóór het millennium in heerlijkheid worden gebracht, bevrijd zijn van de persoonlijke heerschappij van dood en smart.



Natuurlijke Koninkrijksbewoners zijn gered, maar nog niet verheerlijkt


Bij Christus’ zichtbare wederkomst gaan ook levende gelovigen het Koninkrijk binnen zonder eerst een opstandingslichaam te ontvangen. Het gelouterde overblijfsel van Israël wordt gered en in het land verzameld. De rechtvaardige schapen uit de volken horen:

“Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.”
— Mattheüs 25:34

Hun eeuwige bestemming staat vast. Zij zijn rechtvaardigen en bezitten eeuwig leven. Maar zij gaan het Koninkrijk binnen in natuurlijke lichamen. Daarom kunnen zij trouwen, kinderen krijgen, oud worden en nog sterven. Ook hun kinderen moeten persoonlijk tot geloof komen.


Christus’ komst brengt voor hen een geweldige omkeer. Israël heeft Hem bij Zijn verschijning met diepe rouw aangezien als Degene Die het doorstoken heeft (Zacharia 12:10–14). Vervolgens wordt de Fontein tegen zonde en onreinheid geopend en brengt God Zijn volk in de vreugde van het Koninkrijk (Zacharia 13:1). Jesaja zegt over het herstelde Jeruzalem dat de stem van wening en geschreeuw daar niet meer gehoord zal worden (Jesaja 65:19).


Deze teksten moeten krachtig blijven staan. Het Koninkrijk is niet een voortzetting van de huidige wereld met slechts een betere regering. Christus troost Zijn volk, maakt oorlog ongedaan, geeft veiligheid en vervult Jeruzalem met blijdschap.


Maar Jesaja noemt in hetzelfde gedeelte nog geboorte, ouderdom, een zondaar en de mogelijkheid van dood (Jesaja 65:20–23). Zacharia beschrijft dat ongehoorzame volken geen regen ontvangen en door een plaag getroffen kunnen worden (Zacharia 14:16–19). Aan het einde van de duizend jaren ontstaat zelfs nog een laatste opstand.


Daarom is Jesaja 65:19 geen verklaring dat ieder natuurlijk mens vanaf de eerste Koninkrijksdag lichamelijk niet meer kan wenen. Het beschrijft de allesoverheersende vreugde en veiligheid van het herstelde Jeruzalem. De absolute afschaffing van iedere dood, rouw, schreeuw en moeite over de gehele aarde staat pas in Openbaring 21.


De natuurlijke Koninkrijksbewoners worden werkelijk getroost, maar hebben de opstandingsverandering van 1 Korinthe 15 nog niet ontvangen. Voor hen is de dood nog niet lichamelijk “verslonden tot overwinning”. Daarom moeten zij worden onderscheiden van de verheerlijkte koningen en priesters die reeds in onsterfelijkheid met Christus regeren.


Daarom kan ook de kwade dienstknecht bij Christus’ komst als behouden natuurlijk mens werkelijk wenen, pijn door kastijding ondervinden en het verlies van tafelvreugde en regeringsvoorrecht ervaren, zonder zijn eeuwige leven te verliezen.


Dit samenleven van verheerlijkte en natuurlijke mensen wordt verder beschreven in Hoe ziet het leven in het duizendjarig Koninkrijk eruit?.



De tweede tranenwissing omvat alle overige verlosten


Na de duizend jaren wordt Satan losgelaten en ontstaat de laatste opstand. God oordeelt haar onmiddellijk. Vuur verslindt de opstandelingen en Satan wordt in de poel des vuurs geworpen. Daarna staan „de doden, klein en groot” voor de grote witte troon (Openbaring 20:7–15).


Onder deze opgewekte doden bevinden zich niet alleen ongelovigen uit de voorafgaande tijden en uit het millennium. Ook natuurlijke gelovigen die tijdens het millennium zijn gestorven, moeten daar worden opgewekt. Zij leefden tijdens het millennium nog in natuurlijke, sterfelijke lichamen, en de Schrift openbaart na de duizend jaren geen afzonderlijke opstanding naast deze scène.


De boeken maken de werken openbaar en het boek des levens des Lams wordt geopend. Alleen wie daarin niet geschreven gevonden wordt, gaat in de poel des vuurs. De gestorven millenniale gelovigen worden in het boek gevonden en ondergaan de tweede dood niet. De nog levende gelovigen moeten vóór de eeuwige toestand eveneens onsterfelijkheid ontvangen; het exacte moment van hun verandering wordt niet afzonderlijk gedateerd.


Wat over hun eindtoestand vaststaat, is volkomen. Wanneer het Nieuwe Jeruzalem neerdaalt en God bij de mensen woont, bevindt iedere verloste zich in een orde waarin de dood niet meer bestaat:

“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”
— Openbaring 21:4

Deze tweede toepassing voltooit wat vóór het millennium reeds bij de verheerlijkte groepen zichtbaar was. Nu geldt het voor de volledige verloste mensheid. Er bestaat nergens meer een natuurlijke bevolking waarin nog zonde, dood of tucht kan voorkomen.


God wist dan niet alleen persoonlijke tranen af. Hij verwijdert iedere toekomstige oorzaak ervan:


  • de dood is er niet meer;
  • rouw is er niet meer;
  • gekrijt is er niet meer;
  • moeite is er niet meer;
  • de vervloeking is er niet meer;
  • zonde en opstand kunnen nooit terugkeren.


De eerste toepassing bevrijdt de verheerlijkte Koninkrijksregeerders van de persoonlijke heerschappij van dood en smart. De tweede brengt de volledige verloste mensheid en de gehele bewoonde nieuwe-aardeorde in diezelfde volkomen toestand. Zie voor de volledige oordeelvolgorde Welke oordelen noemt de Bijbel?



Tranen afwissen betekent geen herinneringen uitwissen


Wanneer God tranen afwist, vernietigt Hij niet de geschiedenis waardoor Zijn genade eeuwig wordt verheerlijkt.


De grote schare weet dat zij uit de grote verdrukking komt. De martelaren herinneren zich hun vergoten bloed. De overwinnaars weten dat zij het beest hebben weerstaan. De verlosten zingen dat het Lam hen door Zijn bloed voor God heeft gekocht. In het Nieuwe Jeruzalem blijven de namen van Israëls twaalf stammen en Christus’ twaalf apostelen geschreven. Boven alles blijft Jezus Christus voor eeuwig het Lam dat geslacht is.


Als alle kennis van zonde, kruis en verlossing verdween, zou ook de inhoud van de eeuwige lof verdwijnen. Maar juist in de toekomstige eeuwen toont God de uitnemende rijkdom van Zijn genade in Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus (Efeze 2:7).


Jesaja zegt dat de vroegere benauwdheden vergeten zijn en niet meer in het hart opkomen (Jesaja 65:16–17). In het licht van alle blijvende historische kennis betekent dit niet dat de verlosten aan geheugenverlies lijden. De vroegere nood komt niet meer als een pijnlijke macht in het hart op. De feiten blijven bekend; hun kwelling is weggenomen.


Gods vertroosting is daarom veel groter dan vergetelheid. Hij hoeft het verleden niet uit te wissen om het machteloos te maken. De verlosten kunnen weten waaruit zij gered zijn en juist daardoor zonder pijn de onmetelijke genade van het Lam prijzen.


De blijvende herinnering, herkenning en mogelijkheid om verder te leren worden uitvoerig behandeld in Kunnen wij in de eeuwigheid nog leren en ons aardse leven herinneren?.



De opgestane Christus is de beslissende tranentoets


Christus weende werkelijk tijdens Zijn vernedering. Hij weende bij het graf van Lazarus en over Jeruzalem (Johannes 11:35; Lukas 19:41). Hebreeën spreekt over Zijn gebeden, sterke roeping en tranen:

“Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende...”
— Hebreeën 5:7

“De dagen Zijns vleses” betekent niet dat Christus na Zijn opstanding geen werkelijk vlees en benen meer had. Hij zei juist: “Een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb” (Lukas 24:39). De uitdrukking benoemt Zijn vernederings- en lijdensweg: de dagen waarin Hij honger, vermoeidheid, verwerping, sterke roeping, tranen en de dood onderging.



Nergens wordt de opgestane of verhoogde Christus daarna nog wenend beschreven. Na Zijn lijden ziet Hij de vrucht ervan:

“Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden.”
— Jesaja 53:11

Hij verdroeg het kruis om de vreugde die Hem voorgesteld was en zit nu aan de rechterhand van Gods troon (Hebreeën 12:2). Zijn opstanding bracht Hem niet terug in de vroegere lijdensorde.


Toch is Hij niet gevoelloos geworden.



Op de opstandingsmorgen ziet Hij Maria Magdalena huilen en vraagt:

“Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij?”
— Johannes 20:15

Hij weent niet met haar mee, maar Hij ziet haar verdriet, noemt haar bij haar naam en verandert haar wanhoop in blijdschap.



Op weg naar Emmaüs ontmoet Hij twee bedroefde discipelen:

“Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?”
— Lukas 24:17

Hij laat hen spreken, opent de Schriften en maakt hun hart brandende. In Johannes 21 weet Hij volmaakt om te gaan met Petrus, die bedroefd wordt, en herstelt Hij hem tot dienst.



Ook vanuit de hemel blijft Christus werkelijk met de Zijnen meevoelen. Hebreeën spreekt niet alleen over wat Hij vroeger was, maar over de Hogepriester Die door de hemelen is doorgegaan:

“Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.”
— Hebreeën 4:15

Hij kent het lijden uit persoonlijke ervaring en kan daarom degenen die verzocht worden te hulp komen (Hebreeën 2:18). Hij hoort vanuit de hemel hoe Zijn Gemeente wordt vervolgd en zegt: “Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?” (Handelingen 9:4). De verhoogde Christus heeft lief, vertroost, bestraft en oordeelt. Verheerlijking is geen onverschilligheid.


Maar Zijn medelijden betekent niet dat Hij opnieuw onder de macht van onze smart komt. Hij begrijpt het verdriet volkomen zonder er Zelf opnieuw door gekweld te worden. Hij is niet meer de lijdende Christus op weg naar Golgotha. Hij is de opgestane Hogepriester en overwinnende Koning Die tranen ziet en wegneemt.



Zo kunnen verheerlijkte heiligen natuurlijke mensen regeren


Deze Christustoets verklaart hoe verheerlijkte en natuurlijke mensen tijdens het duizendjarig Koninkrijk samen kunnen leven.


De opgewekte heiligen zullen met Christus als koningen regeren (Openbaring 20:4–6). Paulus zegt dat de heiligen de wereld zullen oordelen (1 Korinthe 6:2). Christus laat in de gelijkenis van de ponden zien dat de mate van bestuurlijke verantwoordelijkheid kan verschillen: de ene trouwe dienstknecht ontvangt macht over tien steden, een andere over vijf (Lukas 19:17–19).


Regeren en rechtspreken vereisen werkelijke kennis van mensen en omstandigheden. De verheerlijkte heiligen zullen weten wat onder de natuurlijke bevolking gebeurt. Zij zullen Gods recht toepassen, dienen, onderwijzen en onder Christus leidinggeven. Zij kunnen te maken krijgen met de gevolgen van ongehoorzaamheid, met tucht en met sterfelijke mensen die nog verdriet kennen.


Dat betekent niet dat zij daarom persoonlijk opnieuw in rouw moeten leven. Zoals de opgestane Christus Maria’s tranen ziet zonder Zelf opnieuw door smart te worden overheerst, zo kunnen Zijn verheerlijkte heiligen natuurlijke mensen begrijpen zonder opnieuw onder de kwelling van verdriet te komen.


De tranenwissing neemt niet hun liefde weg. In de verheerlijkte orde is hun liefde juist vrij van machteloosheid, zondige verwarring en persoonlijke gebrokenheid. Zij worden geen koude bestuurders. Zij regeren onder de Koning Die volmaakt medelijdend en tegelijk volmaakt rechtvaardig is.



Wat staat vast en wat heeft God niet gedateerd?


De Schrift geeft ons een sterke hoofdorde zonder ieder tussenmoment afzonderlijk te dateren.


Vaststaat dat:


  • Openbaring 7 de tranenwissing rechtstreeks belooft aan de grote schare uit de grote verdrukking;
  • Jesaja 25 het afwissen van tranen verbindt met het verslinden van de dood;
  • 1 Korinthe 15 die doodsoverwinning verbindt met het aandoen van onsterfelijkheid;
  • alle deelnemers aan de eerste opstanding vóór het Koninkrijk in heerlijkheid worden gebracht;
  • de Gemeente vóór Christus’ terugkeer gereed en in bruiloftsvreugde verschijnt;
  • natuurlijke Koninkrijksbewoners wel gered, maar nog niet lichamelijk verheerlijkt zijn;
  • gedurende het millennium onder de natuurlijke bevolking nog zonde, tucht en dood kunnen voorkomen;
  • Openbaring 21 na de duizend jaren de universele en definitieve afschaffing van dood, rouw, gekrijt, moeite en tranen beschrijft;
  • herinnering en medeleven niet verdwijnen wanneer de kwelling van verdriet verdwijnt.


God vertelt niet:


  • op welk exact moment na de rechterstoel iedere traan van de Gemeente wordt afgewist;
  • of dit voor alle fasen van de eerste opstanding als één zichtbare plechtigheid plaatsvindt;
  • op welk exact moment de aan het einde nog levende millenniale gelovigen worden veranderd;
  • welke innerlijke gewaarwordingen iedere verheerlijkte heilige tijdens ieder Koninkrijksoordeel heeft.


Deze open details veranderen de hoofdconclusie niet. Wij hoeven geen exact ceremonieel moment te kennen om te weten in welke toestand de groepen het Koninkrijk en later de eeuwigheid binnengaan.



Het Lam kan uw tranen alleen afwissen omdat Hij eerst voor u leed


De tederheid van deze belofte mag nooit van het Evangelie worden losgemaakt.


Openbaring zegt niet eenvoudig dat tijd alle wonden geneest. Het is het Lam dat de grote schare weidt. Hun klederen zijn wit omdat zij in Zijn bloed zijn gewassen. God kan zondaren niet in Zijn eeuwige woonorde brengen door hun schuld te negeren. Jezus Christus droeg die schuld aan het kruis.


Hij was de Man van smarten. Hij droeg onze zonden, stierf in onze plaats, werd begraven en stond op de derde dag lichamelijk uit de doden op. Zijn opstanding bewijst dat Zijn offer volkomen is en dat dood en graf niet het laatste woord hebben.


Een mens ontvangt dit eeuwige leven niet door voldoende te lijden, te wenen, goede werken te doen of zichzelf waardig te maken. Eeuwig leven is Gods gave aan wie in Zijn Zoon gelooft:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

Wie gelooft, ontvangt nu reeds eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis. Zijn lichaam wacht nog op de opstanding of verandering, maar zijn eeuwige bestemming rust veilig in Christus.


De Hand Die eenmaal door een nagel werd doorboord, is de Hand die de tranen van de verlosten afwist.



God Zelf heeft het laatste woord over iedere traan


Openbaring 7 en 21 spreken elkaar niet tegen en beschrijven ook niet zonder onderscheid één enkel moment. Zij tonen hoe Gods vertroosting zich volgens Zijn opstandings- en Koninkrijksorde voltooit.


Voor het duizendjarig Koninkrijk brengt God de deelnemers aan de eerste opstanding in onverderfelijke heerlijkheid. Openbaring 7 laat dit bijzonder teer zien bij de schare die door de grote verdrukking heen tot voor Zijn troon is gekomen. Jesaja 25 en 1 Korinthe 15 verbinden de tranenwissing met de overwinning over de dood. De Gemeente, de oudtestamentische heiligen en de verdrukkingsheiligen gaan daarom niet als gekwelde overlevenden, maar in opstandingsheerlijkheid het Koninkrijk binnen.


Daarnaast leven tijdens de duizend jaren geredde natuurlijke mensen. Christus troost en herstelt hen werkelijk, maar onder hun nakomelingen kunnen nog zonde, tucht en dood voorkomen. De gehele schepping is dan nog niet in de toestand waarin iedere oorzaak van rouw onmogelijk is geworden.


Na de laatste opstand worden de gestorven millenniale gelovigen samen met de overige dan nog op te wekken doden voor de grote witte troon opgewekt. Zij worden in het boek des levens gevonden en ondergaan de tweede dood niet; de nog levende gelovigen ontvangen eveneens onsterfelijkheid. Zo brengt God alle verlosten in Zijn volkomen eeuwige orde. Dan geldt Openbaring 21:4 zonder enige resterende uitzondering voor de gehele bewoonde nieuwe aarde: geen dood, geen rouw, geen gekrijt, geen moeite en geen tranen meer.


Het verleden wordt niet uitgewist. De liefde wordt niet uitgewist. Het medeleven wordt niet uitgewist. Alleen de macht van de smart wordt uitgewist.


De opgestane Christus bewijst dat dit mogelijk is. Hij kent het lijden, ziet de tranen en heeft medelijden met onze zwakheden, maar Hij wordt nooit meer door de dood of de smart beheerst. Zo zal Hij ook Zijn verheerlijkte heiligen laten dienen en regeren: niet gevoelloos, maar volmaakt vrij.


Geen traan van een kind van God is vergeten. Geen geleden kwaad wordt door Hem ontkend. Maar geen traan krijgt het laatste woord.


Dat laatste woord behoort aan God en het Lam:

“Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.”
— Openbaring 21:5

De plaats waar de verlosten voor altijd bij God wonen, wordt breder behandeld in: Wat is de hemel volgens de Bijbel?