Na het laatste oordeel vernieuwt God deze door Hem gegronde aarde en verdwijnt de zee. Het Nieuwe Jeruzalem daalt neer als de stad van God en het Lam, met Israëls stammen in haar poorten en de apostelen in haar fundamenten. Alle verlosten leven zonder dood of vloek in Gods onmiddellijke tegenwoordigheid.
De nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het Nieuwe Jeruzalem
De Bijbel eindigt niet met de vernietiging van Gods schepping, maar met haar volkomen bevrijding. Zonde, dood, Satan en iedere vijand zijn definitief geoordeeld. De eerste hemel en aarde gaan in hun gevallen gestalte voorbij. Daarna zegt God vanaf Zijn troon:
“Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.”
— Openbaring 21:5
Johannes ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Vervolgens daalt het Nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel neer. God komt bij de mensen wonen. De dood is er niet meer. Geen rouw, gekrijt, moeite of vervloeking blijft over. De troon van God en het Lam staat in de stad, Zijn dienstknechten zien Zijn aangezicht en zij regeren in alle eeuwigheid.
Deze laatste hoofdstukken van de Bijbel zijn geen onduidelijke droombeelden over zielen die zonder lichaam in een onzichtbare hemel zweven. Johannes ziet een werkelijke aarde, een werkelijke stad, werkelijke volken, koningen, poorten, fundamenten, een rivier en de boom des levens. De eeuwige bestemming van de verlosten is lichamelijk, heilig en volkomen: leven bij God in een schepping waarin gerechtigheid woont.
Om die heerlijkheid goed te begrijpen, moeten wij eerst vaststellen wat er met de huidige hemel en aarde gebeurt. Vervangt God Zijn oorspronkelijke scheppingswerk door iets wat daarmee geen verband meer heeft? Of brengt Hij juist deze schepping door het oordeel heen tot haar eeuwige bestemming?
Na het laatste oordeel maakt God alle dingen nieuw
Openbaring 20 beschrijft eerst het einde van het duizendjarig Koninkrijk. Satan wordt nog eenmaal losgelaten, verleidt de volken tot de laatste opstand en wordt daarna in de poel des vuurs geworpen. Vervolgens verschijnt de grote witte troon. De dan nog op te wekken doden staan voor God en worden naar hun werken geoordeeld. Alleen wie niet in het boek des levens gevonden wordt, wordt in de tweede dood geworpen; gestorven millenniale gelovigen worden daarin gevonden en gaan het eeuwige leven binnen.
Deze allesomvattende vernieuwing begint dus niet reeds bij Christus’ wederkomst. Tussen de wederkomst van Openbaring 19 en de nieuwe aarde van Openbaring 21 liggen volgens Openbaring 20 werkelijk duizend jaren, Satans laatste loslating, de laatste opstand en het oordeel voor de grote witte troon.
Tijdens het millennium wordt de door de verdrukking getroffen wereld door levende mensen herbouwd. Er bestaan nog natuurlijke lichamen, geboorte, mogelijke ongehoorzaamheid, dood, zeeën en een aardse tempelorde. Na het laatste oordeel volgt geen tweede menselijk herstelproject. God Zelf verandert Zijn schepping en bevrijdt haar volkomen van verderf. Deze grens wordt volledig uitgewerkt in Wat is het verschil tussen het duizendjarig Koninkrijk en de eeuwige toestand?.
Johannes ziet daarna de overgang naar de eeuwige toestand:
“En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.”
— Openbaring 20:11
En onmiddellijk na het oordeel:
“En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.”
— Openbaring 21:1
Petrus beschrijft hetzelfde allesomvattende oordeel. De hemelen die nu zijn en de aarde worden ten vure bewaard. De hemelen zullen met gedruis voorbijgaan, de elementen zullen branden en versmelten en de aarde en de werken daarin zullen verbranden. Daarna vervolgt hij:
“Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.”
— 2 Petrus 3:13
Dit is veel meer dan een verbetering van menselijke omstandigheden. God verwijdert de gehele gevallen orde. Alles wat door zonde, dood, verderf en satanische macht is aangetast, moet voor Zijn aangezicht wijken. De eeuwige schepping zal geen verborgen besmetting, achtergebleven graf of toekomstige mogelijkheid tot opstand kennen.
Paulus had dit eindpunt reeds aangekondigd. Christus moet regeren totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood. Daarna wordt het Koninkrijk aan God den Vader overgegeven en zal God alles zijn in allen (1 Korinthe 15:24–28).
Dat is de grens tussen de geschiedenis van de gevallen wereld en Gods onbeweeglijke eeuwige orde. Maar het voorbijgaan van de eerste aarde betekent niet dat God Zijn gegronde scheppingswerk als mislukt wegwerpt.
De nieuwe aarde is deze aarde nieuwgemaakt
God zegt over de aarde:
“Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.”
— Psalm 104:5
Prediker bevestigt:
“Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.”
— Prediker 1:4
En Psalm 119 zegt:
“Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan. Naar Uw ordinantiën blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.”
— Psalm 119:90–91
Deze woorden beschrijven geen aarde die slechts tijdelijk op haar grondvesten blijft totdat God haar definitief opheft. Hij heeft haar Zelf gegrond en haar blijvende plaats door Zijn ordinantiën verzekerd.
De volledige Schriftlijn over deze grondvesten en Gods belofte dat de aarde niet zal wankelen, staat in De aarde is gegrond volgens de Bijbel.
De zondvloed geeft de eerste sleutel om dit met het toekomstige vuuroordeel te verbinden. Petrus schrijft:
“Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.”
— 2 Petrus 3:6
De toenmalige wereld “verging”, maar God schiep na de zondvloed niet een volledig andere aarde op andere grondvesten. Dezelfde door Hem gegronde aarde kwam door het wateroordeel heen. De oude wereldorde, haar goddeloze bewoners en haar toenmalige aanzicht verdwenen, terwijl Gods aardse scheppingswerk bleef bestaan.
Petrus gebruikt dit oordeel als de rechtstreekse vergelijking voor het komende vuur. Het toekomstige oordeel is veel ingrijpender: de hemelen gaan voorbij, de elementen versmelten en alle menselijke werken verbranden. Toch blijft het patroon oordeel, reiniging en herschepping — niet de nederlaag of afschaffing van Gods oorspronkelijke werk.
Romeinen 8 maakt dit nog duidelijker. De schepping is door de zonde aan de ijdelheid onderworpen en zucht als in barensnood. Maar haar verwachting is niet vernietiging:
“Omdat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.”
— Romeinen 8:21
Hetzelfde schepsel dat nu onder de verderfenis gebukt gaat, wordt daarvan vrijgemaakt. God vervangt het niet door een andere schepping zonder werkelijke continuïteit. Hij bevrijdt Zijn schepping zelf.
Deze bevrijding reikt verder dan alleen het lichaam van de verloste mens. Tijdens het millennium bestaat onder de sterk herstelde dierenwereld nog dierlijke dood: Ezechiël beschrijft visvangst en offers. Maar wanneer de dood als laatste vijand volledig is tenietgedaan, de dood zelf in de poel des vuurs is geworpen en “de dood niet meer zijn” zal, kan zij ook niet onder dieren als blijvend onderdeel van Gods nieuwe schepping blijven heersen (1 Korinthe 15:26; Openbaring 20:14; 21:4).
De Schrift geeft geen inventaris van alle dieren die op de nieuwe aarde leven. Het karakter van hun orde staat wel vast: het schepsel wordt van de dienstbaarheid der verderfenis bevrijd en geen vervloeking blijft bestaan. De eeuwige dierenwereld kan daarom niet meer door sterven, ontbinding, roof en slachting worden beheerst.
Psalm 102 gebruikt het beeld van een kleed. God heeft in den beginne de aarde gegrond en de hemelen zijn het werk Zijner handen. Zij zullen vergaan en als een kleed verouden, maar God zal hen veranderen en zij zullen veranderd zijn (Psalm 102:26–28). Hebreeën 1:10–12 haalt deze woorden opnieuw aan. Het voorbijgaan wordt daarmee door de Schrift zelf verklaard als een door God uitgevoerde verandering.
Dat beginsel zien we ook bij de opstanding. Het lichaam wordt in verderfelijkheid gezaaid en in onverderfelijkheid opgewekt. Het wordt in oneer gezaaid en in heerlijkheid opgewekt. God redt niet alleen een onzichtbaar deel van de mens en laat Zijn lichamelijke werk voorgoed aan de dood. Hij wekt hetzelfde lichaam in een nieuwe, onvergankelijke toestand op (1 Korinthe 15:42–44).
Zo zegt God ook niet: “Ik maak allemaal andere dingen.” Hij zegt:
“Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.”
— Openbaring 21:5
De nieuwe aarde is daarom deze door God gegronde aarde, door het allesverterende oordeel heen gebracht, gereinigd van ieder werk der zonde en bevrijd van de dienstbaarheid der verderfenis. Haar gevallen gestalte gaat geheel voorbij; haar door God gegeven identiteit en grondvesting worden niet opgeheven. Zij wordt werkelijk nieuw, onvergankelijk en geschikt voor Gods eeuwige tegenwoordigheid.
De zee verdwijnt, maar het water niet
Johannes zegt over de nieuwe aarde uitdrukkelijk:
“En de zee was niet meer.”
— Openbaring 21:1
Daarmee wordt een werkelijke verandering van de aardse orde bekendgemaakt. De uitgestrekte zeeën die de huidige aarde kenmerken, bestaan in de nieuwe schepping niet meer. De Schrift zegt echter niet dat de zee verdwijnt omdat zij zelf zondig of een onderdeel van de oorspronkelijke vloek zou zijn. God had de vergadering der wateren reeds vóór de zondeval “Zeeën” genoemd en zag daarna al wat Hij gemaakt had:
“En ziet, het was zeer goed.”
— Genesis 1:31
De zee als onderdeel van Gods oorspronkelijke orde was dus goed. Daarmee is echter niet gezegd dat de huidige enorme oceanen en zeeën reeds vóór de zondvloed dezelfde omvang, diepte en verdeling hadden. Juist enkele hoofdstukken eerder zagen wij dat Petrus over de wereld vóór de zondvloed zegt dat zij, “met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is” (2 Petrus 3:6). Dezelfde aarde bleef bestaan, maar de toenmalige wereldorde en haar aanzicht gingen door een allesomvattend wateroordeel heen.
Genesis zelf beschrijft daarbij niet alleen regen uit de hemel, maar zegt dat “alle fonteinen des groten afgronds opengebroken” werden (Genesis 7:11). Dat geeft goede grond om rekening te houden met een ingrijpende verandering van de aardse water- en landorde door de zondvloed. De Schrift geeft ons echter geen kaart van de aarde vóór en na die gebeurtenis. Daarom moeten wij niet stelliger zijn dan zij is: dat er vóór de zondvloed zeeën waren staat vast; dat de huidige oceaanverdeling toen reeds precies zo bestond, staat nergens.
Wanneer Johannes vervolgens zegt dat in de eeuwige orde “de zee niet meer” is, hoeft dat dus niet te betekenen dat God iets verwijdert wat reeds in Zijn oorspronkelijke schepping kwaad was. Veel nauwkeuriger is dat Hij de door zonde en oordeel heen gegane aarde tot haar volkomen bestemming brengt en haar water- en landorde opnieuw volgens Zijn eeuwige bedoeling beschikt.
Evenmin betekent “de zee was niet meer” dat er geen water meer is. God zegt in hetzelfde hoofdstuk:
“Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.”
— Openbaring 21:6
En Johannes ziet vervolgens:
“Een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams.”
— Openbaring 22:1
Geen zee betekent daarom niet: geen water. Er blijven een fontein en een werkelijk stromende rivier die rechtstreeks uit Gods troon voortkomt. Een aarde zonder de huidige enorme zeeoppervlakken heeft vanzelfsprekend veel meer beschikbaar land, maar de Schrift zegt niet dat extra woonruimte de reden is waarom God de zee verwijdert. Ook noemt zij geen meren. Wij mogen het geopenbaarde beeld niet met een zelfgetekende landkaart aanvullen.
Bergen en eilanden op de nieuwe aarde
Over de nieuwe aarde zegt Johannes uitdrukkelijk:
“...en de zee was niet meer.”
— Openbaring 21:1
De Schrift zegt niet dat er geen bergen meer zijn. Nadat Johannes de nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het neerdalende Nieuwe Jeruzalem heeft gezien, schrijft hij:
“En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God.”
— Openbaring 21:10
In het gedeelte over Gods eeuwige woonorde wordt dus nog een grote en hoge berg genoemd. De woorden “de bergen zijn niet gevonden” uit Openbaring 16:20 mogen daarom niet worden uitgebreid tot de stelling dat in de eeuwige toestand geen bergen bestaan.
Over eilanden op de nieuwe aarde doet de Schrift geen afzonderlijke uitspraak. Zij zegt dat de zee niet meer is, terwijl water, een fontein en de rivier van het water des levens blijven bestaan. Wat er met afzonderlijke eilanden of landgebieden gebeurt, heeft God niet geopenbaard. Daarover behoort de uitleg te zwijgen.
Het Nieuwe Jeruzalem bestaat reeds bij God
Pas nadat Johannes de nieuwe hemel en aarde heeft gezien, ziet hij de stad neerdalen. Dat betekent niet dat het Nieuwe Jeruzalem dan voor het eerst ontstaat. De Schrift had de hemelse stad al veel eerder bekendgemaakt.
Abraham woonde als vreemdeling in het beloofde land:
“Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.”
— Hebreeën 11:10
Over Abraham, Sara en andere gelovigen zegt Hebreeën:
“Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.”
— Hebreeën 11:16
Hebreeën 12 noemt haar “de stad des levenden Gods, het hemelse Jeruzalem”. Paulus spreekt over “Jeruzalem dat boven is” (Galaten 4:26). Christus belooft de overwinnaar:
“En Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en den naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt.”
— Openbaring 3:12
De stad is dus bij God, boven, in de hemel en door Hem bereid. Dat sluit nauw aan bij Christus’ belofte aan Zijn discipelen:
“In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.”
— Johannes 14:2
Johannes 14 noemt de naam Nieuwe Jeruzalem niet en “het huis Mijns Vaders” omvat Gods hemelse woonorde. Toch bereikt Christus’ belofte haar concrete en uiteindelijke vervulling in deze door God bereide hemelse stad. De Heere neemt de Zijnen tot Zich, opdat zij zijn waar Hij is; uiteindelijk daalt Gods woonplaats neer en woont God Zelf bij de mensen.
Johannes schrijft:
“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.”
— Openbaring 21:2
En even later opnieuw:
“En hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God.”
— Openbaring 21:10
De stad komt werkelijk vanuit de hemel in de nieuwe-aardeorde. God zegt vervolgens: “Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen.” De verloste volken wandelen in haar licht en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar. Hoe het gehele grondvlak tijdens het neerdalen technisch met de aarde verbonden wordt, beschrijft Johannes niet; dat de stad voortaan werkelijk bij de mensen en toegankelijk vanaf de nieuwe aarde is, staat vast.
De stad is de Bruid, de Vrouw des Lams
Een van de zeven engelen zegt tegen Johannes:
“Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams.”
— Openbaring 21:9
“De bruid” en “de vrouw des Lams” zijn hier geen twee afzonderlijke vrouwen. De tweede benaming verklaart de eerste: de Bruid, namelijk de Vrouw des Lams. Er staat niet: “de bruid en de vrouw des Lams”. Vervolgens toont de engel Johannes ook niet twee vrouwen, maar één werkelijkheid:
“En hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God.”
— Openbaring 21:10
De lijn van het visioen is daarom:
de Bruid = de Vrouw des Lams = het Nieuwe Jeruzalem als corporatief voorgestelde stad.
Dat een werkelijke stad corporatief als vrouw wordt voorgesteld, maakt haar bouwkundige werkelijkheid niet symbolisch of onwerkelijk. Openbaring gebruikt hetzelfde beginsel bij de andere grote vrouw: “de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad” (Openbaring 17:18). Een stad omvat niet alleen gebouwen, maar ook haar bevolking, orde, heerlijkheid en gezamenlijke identiteit.
Andere Schriftplaatsen identificeren de gemeente als de vrouw die met Christus verbonden is. Paulus schrijft dat Christus de gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar heeft overgegeven. Hij vergelijkt de eenheid van man en vrouw met Christus en de gemeente en noemt dat een grote verborgenheid (Efeze 5:25–32). Aan de Korinthiërs schrijft hij:
“Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een Man voor te stellen, namelijk aan Christus.”
— 2 Korinthe 11:2
Vóór Christus’ wederkomst hoort Johannes in de hemel:
“Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.”
— Openbaring 19:7
De gemeente heeft daarom een bijzondere en rechtstreeks geopenbaarde bruidsverbinding met Christus. Johannes de Doper noemde zichzelf bovendien “de vriend des Bruidegoms” die zich verheugt over Zijn stem (Johannes 3:29). Niet iedere verloste uit iedere bedeling wordt dus zonder onderscheid met precies dezelfde benaming aangeduid.
Maar daarmee mag het Nieuwe Jeruzalem niet tot uitsluitend de gemeente worden versmald. God had deze stad ook voor Abraham en de andere oudtestamentische geloofsgetuigen bereid (Hebreeën 11:10,16). Hebreeën 12 noemt in dezelfde hemelse heerlijkheidsorde “de stad des levenden Gods, het hemelse Jeruzalem”, “de gemeente der eerstgeborenen” en “de geesten der volmaakte rechtvaardigen” (Hebreeën 12:22–24). De gemeente is bijzonder met de stad verbonden, maar de stad is ruimer dan een eenvoudige gelijkstelling waarbij alleen de gemeente er werkelijk deel aan heeft.
Ook Israël staat niet slechts toevallig aan de buitenkant van de stad. Op haar twaalf poorten staan blijvend de namen van de twaalf stammen Israëls, terwijl op haar twaalf fundamenten de namen van de twaalf apostelen des Lams staan (Openbaring 21:12–14). De stad draagt daarmee beide grote lijnen van Gods verlossingsgeschiedenis zichtbaar in haar bouw.
De profeten hadden Sion bovendien reeds als vrouw én als toekomstige heerlijkheidsstad beschreven. Jesaja noemt haar Maker haar Man en beschrijft daarna haar stenen, fundamenten en poorten als kostelijke gesteenten (Jesaja 54:5,11–12). Jesaja 60 verbindt het verheerlijkte Sion met het licht des HEEREN, volken die tot haar licht komen, koningen die hun heerlijkheid brengen en poorten die voortdurend openstaan. Jesaja 62 spreekt over Gods blijdschap over Sion zoals een bruidegom vrolijk is over de bruid. Openbaring 21 brengt precies deze huwelijks-, stads-, licht- en volkenlijnen samen.
De nauwkeurige conclusie is daarom niet dat Openbaring 21:9 twee vrouwen noemt, en evenmin dat het Nieuwe Jeruzalem uitsluitend tot één groep verlosten behoort:
Het Nieuwe Jeruzalem is de eeuwige stad van God en het Lam, corporatief getoond als de Bruid, de Vrouw des Lams. De gemeente heeft daarin de bijzondere bruidsverbinding met Christus, terwijl Israëls stammen blijvend in haar poorten staan en alle verlosten toegang hebben tot haar heerlijkheid.
Waarom staan Israëls stammen op de poorten en de apostelen in de fundamenten?
De verdeling van de namen over de poorten en fundamenten is niet willekeurig. Johannes schrijft:
“En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en aan de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israëls.”
— Openbaring 21:12
Daarna volgt:
“En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams.”
— Openbaring 21:14
Strikt genomen zegt Openbaring dus dat de muur van de stad twaalf fundamenten heeft. De tekst noemt de fundamenten niet eenvoudig “de gemeente” en zegt evenmin dat de stammen zelf de poorten zijn. Gods keuze om juist deze namen op juist deze plaatsen te schrijven, sluit echter zeer nauwkeurig aan bij de rollen die Hij eerder in de Schrift heeft geopenbaard.
De stammenpoorten voltooien een oude Schriftlijn
Toen God in de tabernakel te midden van Israël woonde, legerden de twaalf stammen zich in vier groepen rondom Zijn heiligdom. Aan iedere windrichting lagen drie stammen (Numeri 2). Gods woning stond in het midden en geheel Israël was in een door Hem bepaalde orde rondom die woning geplaatst.
Ezechiël 48 brengt diezelfde orde over op een toekomstige stad. De stad heeft twaalf poorten, drie aan iedere zijde, en iedere poort draagt de naam van een stam van Israël. Het hoofdstuk eindigt met de allesbepalende naam:
“En de naam der stad zal van dien dag af zijn: DE HEERE IS ALDAAR.”
— Ezechiël 48:35
Openbaring 21 neemt dit patroon rechtstreeks op. Ook daar zijn twaalf stammenpoorten, drie aan iedere windrichting, en ook daar woont God Zelf bij de mensen. De lijn loopt daarom van de tabernakel te midden van de twaalf stammen, via Ezechiëls stad met twaalf stammenpoorten, naar de eeuwige stad waarin Gods tabernakel bij de mensen is.
Jesaja had bovendien geprofeteerd dat de poorten van het verheerlijkte Sion voortdurend zouden openstaan, zodat de volken en hun koningen hun heerlijkheid zouden binnenbrengen (Jesaja 60:11). Openbaring zegt hetzelfde over het Nieuwe Jeruzalem: haar poorten worden niet gesloten en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in haar (Openbaring 21:24–26).
De namen van Israëls stammen op de poorten vereeuwigen daarom Gods trouw aan Zijn verbondsvolk. Israëls zaad en naam blijven samen met de nieuwe hemel en aarde voor Gods aangezicht staan (Jesaja 66:22). De stad kan niet worden binnengegaan zonder dat haar poorten van die trouw getuigen.
Dit betekent niet dat iemand door Israël in plaats van door Christus wordt gered. Alleen wie in het boek des levens des Lams geschreven staat, mag binnengaan. Maar God wist de historische weg waarlangs Hij Zijn heil bekendmaakte niet uit. “De zaligheid is uit de Joden” (Johannes 4:22). Aan Israël waren de aanneming tot kinderen, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst van God en de beloften gegeven; uit Israël is Christus naar het vlees gekomen (Romeinen 9:4–5). Iedere verloste gaat daarom door poorten die eeuwig van Gods trouw aan Israël getuigen, terwijl zijn toegang uitsluitend rust op het bloed van het Lam.
De apostolische fundamenten tonen de grondlegging van de gemeente
Voor de fundamenten geeft Efeze 2 de rechtstreekse Schriftlijn. Gelovigen uit de heidenen zijn door het bloed van Christus nabijgebracht. Zij zijn geen vreemdelingen meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods:
“Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.”
— Efeze 2:20
Paulus vervolgt dat het gehele gebouw opwast tot een heilige tempel in de Heere en een woonstede Gods in de Geest wordt. Dat sluit nauwkeurig aan bij Openbaring 21. De gemeente is gebouwd op het apostolische fundament; de eeuwige stad heeft fundamenten met de namen van de apostelen des Lams. De gemeente is een woonstede Gods; in de eeuwige stad woont God Zelf bij de mensen. Christus is de uiterste Hoeksteen; God en het Lam zijn het eeuwige middelpunt en de Tempel van de stad.
De apostelen zijn daarbij nooit een zelfstandig fundament naast Christus. De Schrift zegt uitdrukkelijk:
“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.”
— 1 Korinthe 3:11
Christus is het eigenlijke fundament. De apostelen zijn fundamenteel doordat Christus hen heeft aangesteld en door hun door de Geest gegeven getuigenis Zijn Persoon, kruis en opstanding heeft bekendgemaakt. Daarom noemt Openbaring hen niet eenvoudig twaalf menselijke leiders, maar “de twaalf apostelen des Lams”. God stelde hen “ten eerste” in de gemeente en de eerste gelovigen volhardden in hun leer (1 Korinthe 12:28; Handelingen 2:42).
De apostelen verbinden de lijnen van Israël en de gemeente
Toch mogen de apostolische fundamenten niet worden uitgelegd alsof de twaalf apostelen niets meer met Israël te maken hebben. Zij waren zelf Israëlieten, door Israëls Messias geroepen. Christus beloofde hun:
“Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.”
— Mattheüs 19:28
Dezelfde twaalf die de apostolische grondlegging van de gemeente markeren, ontvangen dus ook een bijzondere regeringspositie ten opzichte van Israëls twaalf stammen. Zij verbinden beide lijnen: zij kwamen uit Israël, werden door het Lam aangesteld als Zijn getuigen, staan aan het fundament van de gemeente en zullen over de twaalf stammen oordelen.
Daarom is de bouwkundige boodschap niet eenvoudig: “de fundamenten zijn de gemeente en de poorten zijn Israël.” Nauwkeuriger is:
De twaalf poorten vereeuwigen Israëls verbondsidentiteit en Gods trouw aan Zijn beloften. De twaalf fundamenten vereeuwigen het apostolische getuigenis waarop Christus Zijn gemeente heeft gebouwd. De twaalf apostelen verbinden beide lijnen, omdat zij zelf uit Israël kwamen en door het Lam tot het apostolische fundament van de gemeente werden aangesteld.
Israël en de gemeente worden daarmee niet vereenzelvigd, maar evenmin uit Gods voltooide verlossingsorde uit elkaar gerukt. Hun onderscheiden plaats blijft in één stad zichtbaar. De verloste volken gaan door haar poorten binnen. Niemand heeft toegang buiten het Lam om. God en het Lam zijn het eeuwige middelpunt van allen.
De gehele stad wordt het eeuwige heilige der heiligen
Johannes ziet de stad in Gods heerlijkheid neerdalen. Zij heeft een grote en hoge muur, twaalf poorten en twaalf fundamenten. Op de poorten staan de namen van de twaalf stammen Israëls; op de fundamenten staan de namen van de twaalf apostelen des Lams. Haar muur is van jaspis, de stad van zuiver goud en haar straat eveneens van zuiver goud, als doorluchtig glas.
Daarna worden haar afmetingen gegeven:
“En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelve waren even gelijk.”
— Openbaring 21:16
De stad heeft een vierkant grondvlak en haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk. De natuurlijke ruimtelijke vorm die aan deze gegevens beantwoordt, is een kubus.
Dat is niet toevallig. Het heilige der heiligen in Salomo’s tempel had eveneens gelijke afmetingen:
“En de aanspraakplaats was twintig ellen lang, en twintig ellen breed, en twintig ellen hoog.”
— 1 Koningen 6:20
Het vroegere heilige der heiligen was de plaats van Gods bijzondere tegenwoordigheid. Alleen de hogepriester mocht daar eenmaal per jaar met bloed binnengaan. Een voorhangsel sloot de plaats voor het volk af.
In het Nieuwe Jeruzalem ziet Johannes echter geen afzonderlijke tempel:
“Want de Heere, de almachtige God, is haar Tempel, en het Lam.”
— Openbaring 21:22
De gehele kubusvormige stad wordt als het ware het eeuwige, allesomvattende heilige der heiligen. Gods troon staat erin. Zijn dienstknechten dienen Hem, zien Zijn aangezicht en dragen Zijn Naam op hun voorhoofden. Er is geen voorhangsel meer en geen aardse priesterdienst die een afstand tot God in stand houdt. Het bloed van het Lam heeft de verlosten voor eeuwig gereinigd en zij wonen in Gods onmiddellijke tegenwoordigheid.
Een piramidevorm komt niet uit de tekst voort. Een piramide kan een vierkant grondvlak hebben, maar haar breedte neemt naar boven toe af. Johannes zegt juist dat lengte, breedte en hoogte gelijk zijn. De kubus sluit zowel bij de opgegeven maten als bij het eerdere heilige der heiligen aan.
Op basis van de gebruikelijke lengte van een stadion is iedere zijde ongeveer 2.200 kilometer lang. De exacte moderne omrekening is niet nodig om de hoofdzaak te begrijpen: deze stad is zo groot dat menselijke stadsbegrippen tekortschieten. Toch blijft Johannes over een gemeten stad met rechte afmetingen, muren, poorten en fundamenten spreken.
Een vierkante stad op een gegronde aarde
De beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem sluit rechtstreeks aan bij het Bijbelse wereldbeeld van een gegronde, bevestigde en uitgestrekte aarde. God heeft de aarde op haar grondvesten gegrond. Johannes ziet daarop geen stad met een gebogen grondvlak, maar een stad die vierkant ligt en waarvan lengte, breedte en hoogte gelijk zijn.
Binnen het gangbare bolmodel past een vlak stadsgrondvlak van ongeveer 2.200 bij 2.200 kilometer buitengewoon slecht op de veronderstelde aardkromming. Wanneer het midden van zo’n vlak vierkant het oppervlak van een bol met de gebruikelijke aardafmetingen raakt, ligt het boloppervlak halverwege iedere stadszijde ongeveer 96 kilometer onder het stadsfundament. Bij de vier hoeken loopt dat verschil op tot ongeveer 193 kilometer.
Daarmee ontstaan slechts geforceerde mogelijkheden. Het midden raakt de aarde terwijl zijden en hoeken ver erboven hangen; de randen raken terwijl het midden diep in de bol dringt; het grondvlak wordt gebogen en is daardoor niet langer een vlakke kubusbasis; of er worden funderingsconstructies van honderden kilometers hoogte toegevoegd die Openbaring nergens noemt.
Op een gegronde, uitgestrekte aarde bestaat dit probleem niet. Een werkelijk vierkant grondvlak kan vlak liggen, de fundamenten kunnen dragen, de muren kunnen recht oprijzen en de drie gelijke afmetingen behouden hun natuurlijke betekenis. De Schrift vermeldt bovendien nergens dat God de nieuwe aarde vele malen groter maakt om een bolconstructie passend te krijgen. Zij beschrijft de aarde die Hij eeuwig heeft gegrond en die Hij nu nieuwmaakt.
Openbaring 21 is niet het enige fundament voor de Bijbelse vorm van de aarde. Genesis, Job, Psalmen, Jesaja en andere Schriftgedeelten leggen daarvoor de grote lijnen van grondvesten, bevestiging, einden, hoeken, breedte, vier winden en een uitspansel boven de aarde. Maar het Nieuwe Jeruzalem sluit naadloos bij die lijnen aan. De laatste hoofdstukken van de Bijbel vervangen het eerder geopenbaarde wereldbeeld niet door een bol; de kubusvormige stad bevestigt opnieuw hoe natuurlijk Gods woorden op een gegronde, uitgestrekte aarde passen.
De gemeente, Israël en de verloste volken
De eeuwige toestand wist de door God gegeven onderscheidingen niet uit. Allen die er leven zijn volledig verlost en delen in Gods tegenwoordigheid, maar de Schrift blijft spreken over de Vrouw des Lams, Israël en de volken. Deze onderscheiden identiteiten vormen geen gescheiden heilswerelden. Zij komen samen onder God en het Lam en hebben werkelijk deel aan dezelfde heilige stad.
De gemeente en de stad
De gemeente heeft een bijzondere identificatie met het Nieuwe Jeruzalem omdat zij rechtstreeks als de ene maagd voor Christus en als Zijn door Hem geliefde vrouw wordt voorgesteld. De gelovigen uit de gemeentebedeling zijn door de Heilige Geest tot één lichaam gedoopt en voor eeuwig met Christus als hun Hoofd en Bruidegom verbonden.
Toch is de stad niet alleen hun afgesloten woongebied. Zij is de stad van God en het Lam, met Israëls stammen in haar poorten, de apostelen in haar fundamenten, de oudtestamentische geloofsgetuigen in haar verwachting en de verloste volken die door haar poorten ingaan. De bijzondere bruidsverbinding van de gemeente en de ruime toegang van alle verlosten hoeven niet tegen elkaar te worden uitgespeeld.
Israël blijft eeuwig bestaan
Israël verdwijnt niet uit Gods nieuwe schepping. Op de twaalf poorten staan de namen van de twaalf geslachten der kinderen Israëls. Jesaja verbindt Israëls blijvende identiteit rechtstreeks met de nieuwe hemel en aarde:
“Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan.”
— Jesaja 66:22
God heeft Zijn volk niet hersteld om het bij het begin van de eeuwigheid alsnog naamloos in een andere groep te laten verdwijnen. Israëls zaad en naam blijven voor Zijn aangezicht staan. De namen van de stammen zijn voor eeuwig in de poorten van de stad geschreven. Dat betekent niet dat “de Bruid” en “de Vrouw” in Openbaring 21:9 twee afzonderlijke vrouwen zijn; het betekent dat Gods blijvende werk met Israël werkelijk in de identiteit en orde van die ene Bruid-stad is opgenomen.
De Schrift geeft echter geen afzonderlijke eeuwige landkaart waarop Israëls precieze woongebied binnen of buiten de stad wordt aangewezen. Abraham verwachtte zelf de stad die fundamenten heeft, en God had voor de oudtestamentische gelovigen een stad bereid. Daarom kunnen zij niet als vreemden zonder werkelijke verhouding tot het Nieuwe Jeruzalem worden behandeld. Israëls eeuwige identiteit, ereplaats en toegang staan vast; een exclusief woonadres voegt de Schrift niet toe.
De verloste volken wandelen in haar licht
Openbaring zegt:
“En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve.”
— Openbaring 21:24
En:
“En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen.”
— Openbaring 21:26
De stad is dus niet de gehele nieuwe aarde. Er zijn verloste volken en koningen der aarde die in haar licht wandelen en hun heerlijkheid door haar poorten naar binnen brengen. Zij hebben een werkelijke plaats op de nieuwe aarde en zijn tegelijk volledig met Gods stad verbonden. Haar poorten worden niet gesloten en niets bedreigt haar meer.
Iedereen in deze orde is verlost. Na de grote witte troon ontstaat geen nieuwe ongelovige bevolking en nooit meer een opstand. De volken behouden verscheidenheid zonder vijandschap, identiteit zonder hoogmoed en heerlijkheid zonder onderlinge strijd. Alles wat zij hebben, brengen zij onder de heerlijkheid van God en het Lam.
God en het Lam zijn het licht van de stad
Johannes schrijft:
“En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.”
— Openbaring 21:23
Dit vers zegt niet dat zon en maan niet meer bestaan. Wanneer Openbaring afwezigheid bedoelt, spreekt het rechtstreeks: de zee was niet meer, de dood zal niet meer zijn, Johannes zag geen tempel en in de stad zal geen nacht zijn. Over zon en maan staat iets anders: de stad behoeft hen niet om in haar te schijnen.
Ieder onderdeel van de zin bepaalt de plaats:
- de stad behoeft hen niet;
- zij hoeven niet in haar te schijnen;
- Gods heerlijkheid verlicht haar;
- het Lam is haar Kaars.
Jesaja had dit reeds over het verheerlijkte Sion geprofeteerd:
“De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar de HEERE zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid.”
— Jesaja 60:19
In hetzelfde hoofdstuk komen volken tot haar licht, koningen tot de glans die over haar opgaat en staan haar poorten voortdurend open. Openbaring 21 neemt precies die lijnen op. God Zelf wordt het rechtstreekse, nooit ondergaande Licht van Zijn stad.
Het licht blijft niet binnen de muren opgesloten. De verloste volken wandelen in haar licht. De reusachtige stad, vervuld met Gods heerlijkheid en blinkend als kristal, vormt het eeuwige verlichtende middelpunt van de bewoonde nieuwe aarde.
Op een uitgestrekte aarde kan het licht van een zeer hoge stad vrij over de aardse woonorde uitstralen. Op een bol zou een groot gedeelte van het oppervlak altijd achter de kromming van de lichtbron verborgen liggen. Openbaring zegt niet technisch dat ieder onbewoond uiterste op ieder moment dezelfde lichtsterkte ontvangt, maar wel dat de verloste volken werkelijk in het licht van de stad wandelen. Ook dit sluit natuurlijk bij een uitgestrekte aardse orde aan.
Zon, maan en hun ordeningen blijven bestaan
Dat het Nieuwe Jeruzalem zon en maan niet nodig heeft, betekent niet dat God Zijn hemellichten afschaft. Psalm 148 roept zon, maan en de lichtende sterren op om de HEERE te loven en zegt vervolgens:
“Want als Hij het beval, zo werden zij geschapen. En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.”
— Psalm 148:5–6
Zon en maan bestaan niet door een autonome, eindige kracht die uiteindelijk sterker wordt dan Gods bevel. Zij blijven naar Zijn ordinantiën staan, want alle scheppingswerken zijn Zijn knechten. Christus draagt alle dingen door het woord Zijner kracht en alle dingen bestaan tezamen door Hem (Hebreeën 1:3; Kolossenzen 1:17).
De schepping, plaats en blijvende ordening van deze twee grote lichten worden breder onderzocht in Zon en maan volgens de Bijbel.
Daarom bepaalt niet een menselijke theorie over het opbranden van de zon haar einde. God heeft haar geschapen en voor altoos bevestigd. De tegenwoordige hemelgestalte gaat onder Zijn oordeel voorbij, maar Hij verandert de hemelen als een kleed en brengt Zijn door Hem bevestigde hemellichten in de nieuwe orde.
Voor de samenhang met Genesis, het uitspansel, de wateren boven en de hemellichten biedt het portaal Bijbelse kosmologie de volledige thematische leesroute.
Jeremia verbindt de zon tot licht des daags en de ordeningen van maan en sterren tot licht des nachts met Israëls blijvende bestaan. Alleen indien deze ordeningen van voor Gods aangezicht zouden wijken, zou Israël ophouden een volk voor Hem te zijn (Jeremia 31:35–36). Jesaja zegt vervolgens dat Israëls zaad en naam samen met de nieuwe hemel en aarde blijven staan.
In dezelfde profetische horizon staat:
“En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.”
— Jesaja 66:23
Jesaja 65–66 brengt de toekomstige Koninkrijksorde, het oordeel en de nieuwe hemel en aarde dicht bij elkaar. Jesaja 66:23 geeft daarom niet op zichzelf een volledige kalender van de definitieve eeuwige toestand. Het vers bevestigt wel dat Gods toekomstige orde geen vormloze tijdloosheid is.
Openbaring 22 geeft voor de uiteindelijke toestand het rechtstreekse bewijs. De boom des levens brengt twaalf vruchten voort en geeft “van maand tot maand” zijn vrucht. Er blijven dus werkelijke opeenvolging, herhaling en voortgaande duur. De eeuwigheid is voor Gods schepselen geen bevroren ogenblik, maar leven zonder einde.
Binnen het Nieuwe Jeruzalem wordt die geschapen lichtorde volledig overtroffen. Haar poorten worden overdag niet gesloten, “want aldaar zal geen nacht zijn”. Openbaring 22 herhaalt dat daar geen nacht is en dat Gods dienstknechten geen kaars of zonlicht nodig hebben, omdat de Heere God hen verlicht.
De woorden „de stad”, „in dezelve” en „aldaar” moeten blijven staan. Openbaring zegt niet dat er op de gehele nieuwe aarde geen nacht meer is. Het zegt dat de stad zon en maan niet nodig heeft om in haar te schijnen en dat aldaar geen nacht zal zijn. Dat plaatselijke onderscheid is belangrijk, want het Nieuwe Jeruzalem is niet de gehele nieuwe aarde. Buiten haar muren leven verloste volken en koningen der aarde.
De Schrift heeft bovendien reeds bekendgemaakt welke functie God aan Zijn hemellichten heeft gegeven. De zon is het grote licht tot heerschappij des daags; de maan is het kleine licht tot heerschappij des nachts; maan en sterren hebben heerschappij in den nacht, en deze lichten zijn gesteld om licht te geven op de aarde en scheiding te maken tussen het licht en de duisternis (Genesis 1:14–18; Psalm 136:7–9). Psalm 148 zegt vervolgens niet alleen dat God zon, maan en de lichtende sterren voor altoos in eeuwigheid bevestigd heeft, maar ook dat Hij hun een orde heeft gegeven die geen van hen zal overtreden. Jeremia noemt die blijvende ordeningen opnieuw: de zon tot licht des daags en de maan en sterren tot licht des nachts (Jeremia 31:35–36).
Uit de som van Gods Woord volgt daarom dat zon, maan en sterren buiten het Nieuwe Jeruzalem hun door God gegeven functies blijven vervullen. Op de nieuwe aarde blijft daar de werkelijke afwisseling van dag en nacht bestaan. Die nacht is geen geestelijke duisternis, geen oordeel en geen gevolg van de vloek. Nacht bestond reeds vóór de zondeval, binnen de schepping die God „zeer goed” noemde (Genesis 1:5, 31). Het is de goede nacht van Gods scheppingsorde, verlicht door maan en sterren. Tegelijk wandelen de verloste volken in het licht van de stad. Hoe het licht van de stad en dat van de hemellichten buiten haar muren precies samenkomen, heeft God niet technisch uitgelegd. Niet óf zon, maan, sterren, dag en nacht daar blijven functioneren is onbekend, maar alleen hoe die eeuwige lichtverdeling er precies uitziet.
De rivier en de boom des levens
De Bijbel begint met een rivier en de boom des levens in Eden. Door de zonde werd de mens uit de hof verdreven en werd de weg tot de boom des levens bewaakt. De gevallen mens mocht niet eten en eeuwig in zijn zondige toestand leven (Genesis 2:8–10; 3:22–24).
Ezechiël zag later in profetie water uit Gods huis stromen. Aan weerszijden van de beek groeiden bomen die iedere maand nieuwe vrucht voortbrachten. Hun vrucht was tot spijze en hun bladeren tot heling (Ezechiël 47:1–12).
Openbaring brengt deze lijnen tot hun volkomen eindpunt:
“En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams.”
— Openbaring 22:1
De rivier stroomt niet meer uit een aardse tempel, maar rechtstreeks uit de troon van God en het Lam. In het midden van de straat en aan beide zijden van de rivier staat de boom des levens:
“Voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.”
— Openbaring 22:2
“Genezing” kan hier geen behandeling van steeds terugkerende ziekten betekenen. God heeft onmiddellijk daarvoor gezegd dat de dood, rouw, gekrijt en moeite niet meer zullen zijn. Daarna staat:
“En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn.”
— Openbaring 22:3
De bladeren drukken de blijvende heelheid, gezondheid en levengevende zegen uit die vanuit Gods troon naar de verloste volken uitgaat. De precieze lichamelijke werking wordt niet beschreven en hoeft niet te worden ingevuld. Het belangrijkste staat vast: de volken verkeren niet meer onder ziekte en verderf, maar ontvangen onafgebroken Gods levenswelzijn.
Dat verheerlijkte mensen eten van de boom des levens, maakt hen niet sterfelijk. Ook de opgestane Christus kon eten zonder opnieuw aan de dood onderworpen te zijn. Onsterfelijkheid betekent niet onafhankelijkheid van God. Alle eeuwige leven blijft uit Hem voortkomen, door Hem onderhouden en op Hem gericht.
De toegang die in Genesis werd afgesloten, is nu volledig hersteld. Christus beloofde reeds:
“Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.”
— Openbaring 2:7
In de laatste stad van de Bijbel staan paradijs, stad en Gods troon niet meer van elkaar los. De verlosten wonen bij God, drinken uit de rivier en hebben recht op de boom des levens.
Wat betekent: “Maar buiten zullen zijn de honden”?
Openbaring 22 stelt twee groepen tegenover elkaar:
“Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.”
— Openbaring 22:14
Daarna volgt:
“Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.”
— Openbaring 22:15
Dit betekent niet dat er vlak buiten de stadsmuren op de nieuwe aarde nog een zondige samenleving bestaat. Openbaring 21 had de bestemming van precies dezelfde categorieën al genoemd:
“Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.”
— Openbaring 21:8
“Buiten” betekent hun definitieve uitsluiting van Gods stad en levensorde. Zij hebben geen recht op de boom des levens, gaan niet door de poorten en worden niet op de nieuwe aarde onder de verloste volken aangetroffen. Hun bestemming is de poel des vuurs.
Dit moet worden onderscheiden van de zalige volken die buiten de stad op de nieuwe aarde leven, in haar licht wandelen en hun heerlijkheid door haar open poorten naar binnen brengen. Zij staan in het boek des levens des Lams en zijn volledig rein.
Openbaring 21:27 zegt:
“En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.”
— Openbaring 21:27
“In haar” ziet rechtstreeks op de daadwerkelijke stad en bepaalt wie door haar poorten mag ingaan. Het vers zegt niet dat iedere verloste voortdurend binnen de muren woont; de koningen en volken komen immers vanaf de nieuwe aarde de stad binnen. Tegelijk bestaat ook buiten de stad geen zondige bevolking, want alle goddelozen zijn definitief geoordeeld en geen vervloeking bestaat meer.
God woont bij de mensen
Het middelpunt van de eeuwige toestand is uiteindelijk niet goud, edelgesteente, een rivier of zelfs de onmetelijke stad. De heerlijkheid is dat God Zelf bij Zijn verlosten woont:
“Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.”
— Openbaring 21:3
Vanaf Eden liep door de gehele Schrift de vraag hoe de heilige God bij zondige mensen kon wonen. De tabernakel en tempel maakten Zijn tegenwoordigheid zichtbaar, maar voorhangsel, offers en priesterdienst getuigden ook van de afstand die de zonde had veroorzaakt.
Het Lam heeft die afstand door Zijn bloed weggenomen. In het Nieuwe Jeruzalem is geen afzonderlijke tempel meer. God en het Lam zijn haar Tempel. Er is geen vervloeking, geen voorhangsel en geen gevaar dat zonde opnieuw binnenkomt.
Openbaring 22 zegt:
“En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen; en zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.”
— Openbaring 22:3–4
Mozes mocht Gods aangezicht in de oude toestand niet zien en leven. In de eeuwige toestand zien de verlosten Zijn aangezicht. Zij behoren Hem volkomen toe, dienen Hem zonder zonde en dragen zichtbaar Zijn Naam.
Hun eeuwigheid is geen passief bestaan. Zij dienen, aanbidden, wandelen, brengen heerlijkheid in de stad en regeren:
“En zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.”
— Openbaring 22:5
Christus’ duizendjarige regering loopt dus niet uit op het einde van Zijn Koninklijke heerlijkheid. Nadat iedere vijand is onderworpen en God alles is in allen, blijft de troon van God en het Lam staan en regeren Zijn dienstknechten met Hem in alle eeuwigheid.
Het eeuwige leven is lichamelijk, actief en voortgaand
De verlosten worden in de eeuwigheid geen ontlichaamde geesten. Paulus behandelt uitdrukkelijk de vraag met welk lichaam de doden zullen opstaan. Het huidige lichaam wordt in verderfelijkheid, oneer en zwakheid gezaaid, maar in onverderfelijkheid, heerlijkheid en kracht opgewekt. Het wordt een “geestelijk lichaam” (1 Korinthe 15:42–44). Dat betekent niet dat het ophoudt een lichaam te zijn.
Christus bewees dit na Zijn opstanding:
“Betast Mij en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.”
— Lukas 24:39
Hij kon worden gezien en aangeraakt en Hij kon werkelijk eten. Ons vernederd lichaam zal bovendien gelijkvormig worden aan Zijn heerlijk lichaam (Filippenzen 3:21). De eeuwige mens blijft daarom werkelijk mens: lichamelijk, persoonlijk en herkenbaar, maar voortaan onverderfelijk en onsterfelijk.
Ook het eeuwige bestaan zelf is niet passief. De verlosten wandelen, gaan door poorten binnen, eten van de boom des levens, dienen God en regeren in alle eeuwigheid. De maandelijkse vrucht van de boom bewijst voortgaande opeenvolging. Er zijn werkelijke plaatsen, beweging, gemeenschap, dienst en verantwoordelijkheid. De Schrift beschrijft niet de volledige fysiologie of alle bewegingsmogelijkheden van het verheerlijkte lichaam, maar zij laat geen ruimte voor het beeld van verlosten die tijdloos en werkeloos als onstoffelijke zielen bestaan.
Het eeuwige leven is het werkelijke menselijke leven, door Christus bevrijd van alles wat de zonde eraan heeft toegevoegd: geen verderf, ziekte, zwakheid, vervloeking of dood, maar leven in Gods tegenwoordigheid en onder het licht van het Lam.
Wat de Schrift over de mogelijkheden en begrenzingen van het verheerlijkte lichaam openbaart, wordt verder behandeld in Hoe leven de verlosten op de nieuwe aarde?. Dat verheerlijkte mensen niet alwetend worden en hun geschiedenis niet verliezen, staat in Kunnen wij in de eeuwigheid nog leren en ons aardse leven herinneren?.
Wie mag door de poorten binnengaan?
De beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem is niet alleen gegeven om nieuwsgierigheid naar de toekomst te bevredigen. Zij eindigt met een persoonlijke scheiding. Sommige mensen hebben recht op de boom des levens en gaan door de poorten de stad binnen. Anderen zijn voor eeuwig buiten.
Het verschil wordt niet gemaakt door afkomst, kerkelijke achtergrond, goede bedoelingen of menselijke werken. Niemand kan zichzelf reinigen of zijn naam door prestaties in het boek des levens schrijven. Dezelfde Bijbel die de eeuwige stad beschrijft, zegt:
“Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods.”
— Romeinen 3:23
Maar Jezus Christus, het Lam van God, stierf voor onze zonden. Hij werd begraven en stond ten derden dage op uit de doden. Hij droeg het oordeel dat wij verdienden en volbracht het werk waardoor zondaren met God verzoend kunnen worden.
Eeuwig leven wordt niet verdiend. God zegt in het hoofdstuk over de nieuwe schepping:
“Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.”
— Openbaring 21:6
En de allerlaatste uitnodiging van de Bijbel luidt:
“En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.”
— Openbaring 22:17
“Om niet” betekent werkelijk om niet. Niet door werken, niet door volharding als voorwaarde om het leven te verdienen en niet door een religieuze prestatie, maar door geloof in Jezus Christus:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
Wie in de Zoon gelooft, heeft nu eeuwig leven. Hij komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven. Zijn zekerheid rust niet op zijn eigen trouw, maar op het volbrachte werk en de belofte van Christus.
Voor ieder die gelooft, eindigt de geschiedenis niet bij een graf. Christus zal het lichaam opwekken, de schepping van haar verderf bevrijden en Zijn verlosten brengen in de wereld waarin gerechtigheid woont. Daar zal God alle tranen afwissen. De dood zal niet meer zijn. De rivier van het leven zal uit Zijn troon stromen, de boom des levens zal vrucht geven en Zijn dienstknechten zullen Zijn aangezicht zien.
De Bijbel begint met God Die hemel en aarde schiep en eindigt met God Die zegt:
“Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.”
En in het midden van die eeuwige nieuwe schepping staat het Lam.
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Wanneer wist God alle tranen af?
Volgende artikel:
Hoe leven de verlosten op de nieuwe aarde?
Serieoverzicht: