Eeuwig leven als mens

Verheerlijkte mensen blijven lichamelijk, herkenbaar en actief.

Eeuwig leven als mens

Verheerlijkte mensen blijven lichamelijk, herkenbaar en actief.

God maakt het lichaam onverderfelijk, heerlijk, krachtig en onsterfelijk. Verheerlijkte mensen worden niet goddelijk, maar blijven herkenbare mensen. Zij wandelen, eten, dienen, zien Gods aangezicht en regeren eeuwig met Christus.

Hoe leven de verlosten op de nieuwe aarde?

Veel voorstellingen van de eeuwigheid zijn merkwaardig vaag. Mensen zouden na hun dood als onstoffelijke zielen in een tijdloze hemel zweven, zonder werkelijk lichaam, zonder plaatsen, zonder beweging en zonder zinvolle activiteit. Maar zo eindigt de Bijbel niet.


Johannes ziet een nieuwe aarde, een werkelijke stad, volken, koningen, poorten, een rivier en de boom des levens. Mensen wandelen in het licht van het Nieuwe Jeruzalem en gaan door haar poorten naar binnen. Gods dienstknechten dienen Hem, zien Zijn aangezicht en regeren in alle eeuwigheid. De boom des levens geeft iedere maand vrucht.


God schaft Zijn menselijke scheppingswerk niet af. Hij verlost het. De eeuwige mens is geen minder werkelijke versie van de huidige mens, maar de door Christus opgewekte en volmaakte mens: zonder zonde, verderf, zwakheid, vervloeking of dood.


Dit artikel richt zich op de verheerlijkte mens en zijn werkelijke lichamelijke leven. De inrichting van de aarde, de stad, haar poorten en fundamenten, de verloste volken en de rivier en boom des levens worden volledig behandeld in De nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het Nieuwe Jeruzalem.


Om dat eeuwige leven goed te begrijpen, moeten wij beginnen bij de opstanding van het lichaam.



God schaft het lichaam niet af, maar wekt het op


De Bijbelse hoop is niet alleen dat de ziel na de dood bij Christus is. Paulus verwacht de opstanding en verandering van het lichaam. In 1 Korinthe 15 stelt hij de vraag:

“Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?”
— 1 Korinthe 15:35

Paulus antwoordt niet dat het lichaam onbelangrijk is of voorgoed wordt achtergelaten. Hij vergelijkt het met zaad dat wordt gezaaid en door Gods scheppende kracht in een nieuwe toestand tevoorschijn komt. Er is zowel continuïteit als verandering. Het is werkelijk de opstanding van de gestorven mens, maar niet de terugkeer naar dezelfde verderfelijke lichaamsorde.



Hij beschrijft de verandering:

“Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt.”
— 1 Korinthe 15:42–44

De tegenstelling is volledig:


  • verderfelijkheid wordt onverderfelijkheid;
  • oneer wordt heerlijkheid;
  • zwakheid wordt kracht;
  • een natuurlijk lichaam wordt een geestelijk lichaam;
  • sterfelijkheid wordt onsterfelijkheid.


Het lichaam verdwijnt niet. Het woord “lichaam” blijft juist aan beide zijden van de verandering staan.



Paulus vervolgt:

“Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.”
— 1 Korinthe 15:53

God redt dus niet alleen een onzichtbaar deel van de mens en laat Zijn lichamelijke scheppingswerk voor eeuwig aan het graf. Hij overwint de dood ook in het lichaam.



Romeinen 8 noemt onze hoop daarom uitdrukkelijk:

“Verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.”
— Romeinen 8:23

Paulus verlangt in 2 Korinthe 5 evenmin naar een definitieve ontkleding. Hij verlangt ernaar overkleed te worden, “opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde” (2 Korinthe 5:4). De voltooiing van de verlossing maakt de mens niet lichaamloos; zij bevrijdt ook zijn lichaam van de sterfelijke orde.



Een geestelijk lichaam blijft een werkelijk lichaam


“Geestelijk lichaam” betekent niet: een lichaam dat eigenlijk geen lichaam meer is. Paulus stelt het geestelijke lichaam tegenover het natuurlijke lichaam, niet tegenover werkelijke lichamelijkheid. God zal onze sterfelijke lichamen door Zijn Geest levendmaken (Romeinen 8:11); het toekomstige lichaam behoort tot de onverderfelijke opstandingsorde.


Christus maakt iedere ontlichamelijking onmogelijk. Toen Hij na Zijn opstanding in het midden van Zijn discipelen stond, meenden zij eerst dat zij een geest zagen. Hij antwoordde:

“Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; betast Mij en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.”
— Lukas 24:39

De opgestane Christus kon worden gezien en aangeraakt. Thomas mocht zijn vinger in de tekenen van de nagelen steken en zijn hand in Christus’ zijde leggen (Johannes 20:27). De vrouwen grepen Zijn voeten en aanbaden Hem (Mattheüs 28:9).


Zijn opstandingslichaam was daarom:


  • werkelijk;
  • tastbaar;
  • herkenbaar;
  • lichamelijk;
  • maar niet meer sterfelijk.


Paulus zegt:

“Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.”
— Romeinen 6:9

Werkelijke lichamelijkheid en volkomen onsterfelijkheid horen in de opstandingsorde bij elkaar.



Christus blijft werkelijk de verheerlijkte Mens


De menswording van Christus was geen tijdelijke vermomming die Hij na Zijn opstanding weer aflegde. Paulus noemt Hem “de tweede Mens” en “de Heere uit den Hemel” (1 Korinthe 15:47). Ook nadat Christus is opgevaren, schrijft hij:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.”
— 1 Timotheüs 2:5

Stefanus ziet de verhoogde Christus aan Gods rechterhand en zegt:

“Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.”
— Handelingen 7:56

Jezus Christus blijft voor eeuwig werkelijk God én werkelijk Mens. Juist daarom is Zijn heerlijk lichaam rechtstreeks relevant voor onze toekomst. Paulus schrijft:

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.”
— 1 Korinthe 15:20

De Eersteling staat niet los van de oogst die volgt. Christus’ opstanding is zowel de grond als het patroon van de toekomstige opstanding van de Zijnen. Daarom schrijft Paulus:

“Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.”
— Filippenzen 3:21

Ons huidige lichaam wordt hier “vernederd” genoemd. Christus zal het veranderen en gelijkvormig maken aan Zijn heerlijk lichaam. Ook 1 Korinthe 15 zegt dat wij, zoals wij het beeld van de aardse Adam hebben gedragen, het beeld van de Hemelse zullen dragen.


Daarom mogen we niet onnodig voorzichtig spreken over wat werkelijk beloofd is. Het toekomstige lichaam is niet zwak, ziekelijk, aftakelend of stervend. Het wordt opgewekt in heerlijkheid en kracht en gelijkvormig aan Christus’ heerlijk lichaam.


Maar precies hier moet ook een belangrijke grens worden bewaakt.



Gelijkvormig aan Christus betekent niet dat wij goddelijk worden


Christus is niet alleen de verheerlijkte Mens. Hij is ook eeuwig God de Zoon. Wanneer wij zien wat Hij na Zijn opstanding deed, mogen wij daarom niet iedere bovennatuurlijke handeling automatisch tot een normale menselijke eigenschap van het verheerlijkte lichaam maken.


Johannes schrijft:

“Wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.”
— 1 Johannes 3:2

Wij zullen Hem gelijk zijn, maar wij blijven degenen die Hem zien. Hij blijft de Zoon en de Heere; wij blijven Zijn verloste schepselen. Wij worden niet almachtig, alwetend, alomtegenwoordig of Schepper.


Ook Filippenzen 3:21 bewaart dit onderscheid. Ons lichaam wordt gelijkvormig aan Zijn heerlijk lichaam, maar de werking waardoor alle dingen onderworpen worden, blijft de macht van Christus Zelf. Zijn goddelijke heerschappij wordt niet als een menselijke lichaamsfunctie aan ons overgedragen.


De juiste vraag is daarom niet alleen: wat deed Christus na Zijn opstanding? De beslissende vraag is: welke eigenschappen van Zijn heerlijk lichaam verbindt de Schrift uitdrukkelijk aan ons toekomstige lichaam?



Wonderen zijn geen natuurlijke lichaamsvermogens


Christus deed reeds vóór Zijn opstanding dingen die onze gewone lichamelijke mogelijkheden ver overstijgen. Hij wandelde op de zee en Zijn aangezicht blonk op de berg gelijk de zon (Mattheüs 14:25; 17:2). Hij had toen nog een lichaam dat kon lijden en sterven. Lukas 4:30 zegt bovendien dat Hij door het midden van een vijandige menigte wegging, maar legt niet uit of en hoe daarbij iets bovennatuurlijks met Zijn lichaam gebeurde.


Deze gebeurtenissen kunnen dus niet zijn voortgekomen uit een eigenschap die uitsluitend aan een opstandingslichaam behoort. Zij openbaren goddelijke macht.


Dat wordt nog duidelijker doordat Petrus eveneens op het water wandelde:

“En Petrus, afgeklommen zijnde van het schip, wandelde op het water, om tot Jezus te komen.”
— Mattheüs 14:29

Petrus had geen verheerlijkt lichaam en was niet goddelijk. Hij kon dit alleen doordat Christus hem daartoe in staat stelde. Een bovennatuurlijke gebeurtenis met een lichaam bewijst dus wat God met en door dat lichaam kan doen; zij bewijst niet automatisch een blijvend vermogen van het lichaam zelf.



De Schrift beschrijft Christus’ wonderwerken bovendien als het ene goddelijke werk van Vader, Zoon en Heilige Geest. Jezus zegt:

“De Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken.”
— Johannes 14:10

En:

“Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.”
— Mattheüs 12:28

Dit ontkent Christus’ eigen Godheid niet. Hij vergaf zonden, kende wat in de mens was, maakte levend wie Hij wilde en had macht Zijn leven af te leggen en het wederom te nemen. Zijn werken openbaarden Zijn eigen heerlijkheid. Maar de wonderen kwamen niet voort uit de natuurlijke mogelijkheden van Zijn sterfelijke menselijke lichaam.


Dat beginsel blijft belangrijk wanneer wij naar Zijn verschijningen na de opstanding kijken.



Wat bewijzen de gesloten deuren en Zijn verdwijnen?


Op de avond van de opstandingsdag waren de discipelen bijeen:

“Als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden.”
— Johannes 20:19

Acht dagen later herhaalt Johannes dat de deuren gesloten waren en Jezus in hun midden kwam (Johannes 20:26). De feiten zijn duidelijk:


  • de deuren waren gesloten;
  • Jezus kwam;
  • Hij stond werkelijk en lichamelijk in hun midden.


Maar de tekst zegt niet dat Hij door het hout heen liep, dat Zijn lichaam onstoffelijk werd of dat Hij Zichzelf “teleporteerde”. De gesloten ruimte verhinderde Hem niet om bij Zijn discipelen aanwezig te zijn; het mechanisme openbaart God niet.



Bij Emmaüs staat:

“En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.”
— Lukas 24:31

Ook dit was een werkelijke en buitengewone gebeurtenis. Maar eerder had Lukas gezegd dat hun ogen gehouden werden, zodat zij Hem niet kenden. De tekst beschrijft zowel Christus’ lichamelijke aanwezigheid als Gods werking in hun waarneming. Zij zegt niet technisch hoe Hij uit hun gezicht kwam of waar Hij op dat moment heen ging.



Ook de hemelvaart bewijst geen zelfstandig vliegvermogen van het verheerlijkte lichaam:

“Werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.”
— Handelingen 1:9

De gemeente zal eveneens door Gods macht worden opgenomen, maar daaruit volgt niet dat iedere verheerlijkte gelovige vervolgens zelfstandig kan vliegen.


Filippus vormt een beslissende tegenproef. Terwijl hij nog een sterfelijk lichaam had, nam de Geest des Heeren hem weg en werd hij te Azóte gevonden (Handelingen 8:39–40). Bovennatuurlijke lichamelijke verplaatsing kan dus door Gods macht plaatsvinden zonder dat zij een vaste eigenschap van een verheerlijkt lichaam is.


De Schrift leert daarom krachtig dat ons lichaam in heerlijkheid en kracht wordt opgewekt. Zij leert niet dat iedere verheerlijkte gelovige naar eigen keuze door materie kan gaan, verdwijnen, vliegen of zich onmiddellijk naar iedere gewenste plaats kan verplaatsen. Wat God niet heeft uitgelegd, hoeven wij niet met moderne termen in te vullen.



De verheerlijkte mens kan werkelijk eten


Na Zijn opstanding vroeg Jezus Zijn discipelen of zij iets te eten hadden:

“En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.
En Hij nam het, en at het voor hun ogen.”
— Lukas 24:42–43

Petrus bevestigt later dat de uitgekozen getuigen met Christus gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan (Handelingen 10:40–41). Christus at dus in een lichaam waarover de dood niet meer heerste.


Ook voor de verlosten wordt eten rechtstreeks beloofd:

“Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.”
— Openbaring 2:7

In het Nieuwe Jeruzalem staat die boom daadwerkelijk aan de rivier van het water des levens:

“Voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht.”
— Openbaring 22:2

Eten blijft daarom werkelijk bestaan. Het is geen beeld dat nodig is om een onlichamelijke toestand begrijpelijk te maken; Christus Zelf at na Zijn opstanding en de verlosten ontvangen toegang tot werkelijke vrucht.


De Schrift geeft echter geen volledig eeuwig menu en legt ook niet uit welke lichamelijke functie voedsel in de onverderfelijke orde heeft. Onsterfelijkheid betekent niet dat schepselen onafhankelijk van God worden. Al het eeuwige leven blijft uit Hem voortkomen, door Hem onderhouden en op Hem gericht.



De eeuwigheid is geen bevroren tijdloos ogenblik


De boom des levens geeft “van maand tot maand” zijn vrucht. Dat is rechtstreeks bewijs voor:


  • opeenvolging;
  • herhaling;
  • voortgaande duur;
  • een werkelijk ervoor en erna.


Voor de eeuwige God zijn duizend jaren als één dag en één dag als duizend jaren, maar geschapen mensen worden daardoor niet buiten iedere opeenvolging geplaatst. Eeuwig leven betekent niet dat het leven stilstaat. Het betekent dat het nooit eindigt.


Soms wordt Openbaring 10:6 aangehaald:

“Dat er geen tijd meer zal zijn.”

Dat kan in de context niet betekenen dat iedere opeenvolging ophoudt. De engel zegt onmiddellijk daarna dat in de dagen van de zevende engel Gods verborgenheid voleindigd zal worden. Vervolgens komen nog talrijke gebeurtenissen, 1260 dagen, 42 maanden, duizend jaren en uiteindelijk maandelijkse vrucht. Openbaring 10 kondigt aan dat er geen verder uitstel meer zal zijn voordat Gods aangekondigde voleinding komt; het heft de geschapen opeenvolging niet op.


De eeuwigheid is werkelijk leven zonder einde: altijd onder Gods regering, altijd in Zijn tegenwoordigheid en nooit meer bedreigd door verval of dood.



Buiten de stad blijven dag en nacht bestaan


Ook de eeuwige lichtorde blijft werkelijk. God stelde de zon tot heerschappij des daags en de maan en sterren tot heerschappij des nachts. Hij heeft deze hemellichten voor altoos in eeuwigheid bevestigd en hun een orde gegeven die geen van hen zal overtreden (Genesis 1:14–18; Psalm 136:7–9; Psalm 148:3–6).


Openbaring zegt daarom niet dat de gehele nieuwe aarde zonder zon, maan of nacht zal zijn. Het zegt nauwkeurig dat de stad deze lichten niet nodig heeft om in haar te schijnen en dat aldaar geen nacht zal zijn. Buiten de stad blijven zon, maan en sterren hun door God gegeven functies vervullen en blijft de afwisseling van dag en nacht bestaan.


Die nacht is geen geestelijke duisternis of afwezigheid van God. Nacht bestond reeds vóór de zondeval en behoorde tot Gods zeer goede scheppingsorde. De verloste volken leven ook buiten de stad volledig in Gods tegenwoordigheid en wandelen in het licht van de stad. Alleen hoe dat stadslicht zich daar precies tot het licht van zon, maan en sterren verhoudt, heeft God niet verder geopenbaard.



Er blijven werkelijke plaatsen en werkelijke beweging


De nieuwe aarde en het Nieuwe Jeruzalem zijn geen woorden voor een onruimtelijk bestaan. Johannes ziet een stad met lengte, breedte en hoogte, een muur, poorten, fundamenten, een straat, een rivier en de boom des levens.


Over de verloste volken staat:

“En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve.”
— Openbaring 21:24

De heerlijkheid en eer der volken worden in de stad gebracht. Mensen hebben recht op de boom des levens en gaan door de poorten naar binnen (Openbaring 21:26; 22:14).


Daarmee staan werkelijke plaats en beweging vast:


  • de volken wandelen;
  • er is een binnen en buiten de stad;
  • mensen gaan door poorten;
  • koningen brengen heerlijkheid naar binnen;
  • Gods dienstknechten bevinden zich bij Zijn troon.


Wij hoeven geen bovennatuurlijke vervoerstechniek te bedenken om deze teksten krachtiger te maken. De Schrift vertelt voldoende: verheerlijkte mensen leven lichamelijk in een werkelijke, geordende schepping en kunnen zich van de ene plaats naar de andere bewegen. De precieze mogelijkheden en snelheid van hun lichaam heeft God niet bekendgemaakt.



Dienst en activiteit verdwijnen niet


Werk zelf is geen gevolg van de vloek. Vóór de zondeval staat:

“Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.”
— Genesis 2:15

Zinvolle menselijke activiteit behoorde tot Gods goede scheppingsorde. De zonde bracht moeite, smart, doornen, zweet en uiteindelijk de dood in het menselijke werk. De vloek maakte arbeid zwaar en vruchteloos; arbeid zelf was niet de vloek.



Openbaring zegt juist nadat iedere vervloeking verdwenen is:

“En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen.”
— Openbaring 22:3

De eeuwigheid is daarom geen eindeloze passiviteit. Gods verlosten dienen Hem zonder zonde, vermoeidheid, frustratie of mislukking. De Schrift geeft geen volledige lijst van eeuwige werkzaamheden. Zij zegt niet dat iedereen huizen bouwt, akkers bewerkt of hetzelfde soort beroep behoudt als nu. Maar zinvolle dienst en activiteit staan rechtstreeks vast.


Omdat verheerlijkte mensen schepselen blijven en niet alwetend worden, sluiten volmaaktheid en voortgaand leren elkaar evenmin uit. De afzonderlijke Schriftlijnen over kennis, herinnering en gesprek worden uitgewerkt in Kunnen wij in de eeuwigheid nog leren en ons aardse leven herinneren?.



De verlosten regeren in alle eeuwigheid


Johannes besluit:

“En zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.”
— Openbaring 22:5

Christus’ Koninklijke heerlijkheid eindigt dus niet na de duizend jaren. Nadat iedere vijand is onderworpen, de laatste opstand is geoordeeld en de dood tenietgedaan, blijft de troon van God en het Lam voor eeuwig staan.


Eeuwige regering betekent dat er orde, verantwoordelijkheid en door God gegeven gezag blijven bestaan. Openbaring spreekt bovendien over de koningen der aarde die hun heerlijkheid in de stad brengen. De precieze taakverdeling en over wie of wat iedere dienstknecht regeert, wordt niet beschreven. Wij hoeven dat niet in te vullen om de kracht van de belofte te behouden: Gods dienstknechten zullen werkelijk met Hem regeren en hun regering zal nooit meer door zonde worden misbruikt.



Geen huwelijk meer, maar wel herkenbare personen


De huidige huwelijks- en voortplantingsorde blijft niet bestaan in de opstanding. Jezus zegt:

“Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel.”
— Mattheüs 22:30

Lukas vermeldt de reden nog nadrukkelijker:

“Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk, en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.”
— Lukas 20:36

“Den engelen gelijk” betekent in deze context niet dat mensen engelen worden of alle mogelijkheden van engelen ontvangen. Christus verklaart de overeenkomst: zij huwen niet meer en kunnen niet meer sterven.


Dat het huwelijk ophoudt, betekent niet dat liefde, gemeenschap en herkenning verdwijnen. De eeuwige toestand maakt mensen niet tot een naamloze massa. Johannes ziet:


  • de namen van de twaalf apostelen;
  • de namen van Israëls twaalf stammen;
  • verloste volken;
  • koningen;
  • individuele dienstknechten die Gods Naam dragen.


God verwijdert zondige verdeeldheid, niet de persoonlijke en gezamenlijke identiteit die Hij Zelf heeft gegeven. Er blijft volmaakte verscheidenheid zonder jaloezie, hoogmoed, onreinheid of verwijdering.



Wij zullen Gods aangezicht zien


Het hoogste van het eeuwige leven is niet dat het lichaam nooit meer sterft, dat de stad van goud is of dat Gods dienstknechten regeren. De grootste heerlijkheid staat in deze woorden:

“En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.”
— Openbaring 22:4

Mozes mocht in de gevallen toestand Gods aangezicht niet zien en leven. Zondige mensen kunnen Gods heiligheid niet naderen alsof er geen schuld bestaat. De gehele tabernakel- en tempeldienst getuigde daarom zowel van Gods tegenwoordigheid als van de afstand die de zonde had veroorzaakt.


In de eeuwige toestand is die afstand volkomen weggenomen. Er is geen vervloeking meer. Geen voorhangsel scheidt de verlosten van God. Zij behoren Hem volledig toe, dienen Hem zonder zonde en zien Zijn aangezicht.


Dat is niet door menselijke verbetering bereikt. Het rust volledig op het Lam.



Eeuwig leven wordt om niet gegeven


Geen mens heeft uit zichzelf recht op de nieuwe aarde, de boom des levens of Gods tegenwoordigheid. Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Een verheerlijkt lichaam kan niet worden verdiend door goede werken, kerkelijke trouw, volharding of religieuze prestaties.


Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, werd werkelijk Mens. Hij stierf voor onze zonden, werd begraven en stond ten derden dage op. Hij droeg het oordeel dat wij verdienden en overwon de dood. Zijn lichamelijke opstanding is niet alleen het bewijs dat Hij leeft; zij is ook de eersteling en zekerheid van de toekomstige opstanding van de Zijnen.


God zegt:

“Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.”
— Openbaring 21:6

En de laatste uitnodiging van de Bijbel luidt:

“En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.”
— Openbaring 22:17

“Om niet” betekent werkelijk om niet. Eeuwig leven wordt niet gekocht met werken, maar ontvangen door geloof in Jezus Christus:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31

Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Zijn zekerheid rust niet op zijn eigen prestaties, maar op Christus’ volbrachte werk en onveranderlijke belofte.


Voor hem eindigt de geschiedenis daarom niet bij het graf. Christus zal het lichaam opwekken en veranderen. Verderfelijkheid zal onverderfelijkheid aandoen en sterfelijkheid onsterfelijkheid. De verlosten zullen werkelijk leven, eten, wandelen, dienen en regeren in de wereld waarin gerechtigheid woont.


Maar boven alles:


zij zullen Zijn aangezicht zien.