In het duizendjarig Koninkrijk bestaan nog natuurlijke generaties, mogelijke zonde, tucht, dood, zeeën en een laatste opstand. Pas daarna worden Satan en de dood definitief geoordeeld. In de eeuwige toestand zijn zee, dood, rouw, vloek en opstand verdwenen en woont God blijvend bij alle verlosten.
Wat is het verschil tussen het duizendjarig Koninkrijk en de eeuwige toestand?
Het duizendjarig Koninkrijk zal heerlijker zijn dan enige menselijke samenleving die ooit op aarde heeft bestaan. Jezus Christus regeert zichtbaar en rechtvaardig. Oorlog wordt niet meer geleerd. De aarde draagt overvloedig vrucht. Israël woont in het land dat God heeft beloofd en de volken ontvangen onderwijs vanuit Sion.
Toch is zelfs die heerlijke Koninkrijkswereld nog niet Gods volkomen eeuwige toestand.
Tijdens de duizend jaren leven er nog natuurlijke mensen. Zij bouwen huizen, krijgen kinderen en kunnen nog zondigen en sterven. Christus regeert met een ijzeren roede. Satan is wel gebonden, maar wordt aan het einde nog eenmaal losgelaten. Daarna ontstaat zelfs nog een laatste wereldwijde opstand.
De eeuwige toestand begint pas wanneer ook die laatste opstand is geoordeeld, de grote witte troon heeft plaatsgevonden en de dood zelf als laatste vijand is tenietgedaan. Dan maakt God alle dingen nieuw. De zee is niet meer. Het Nieuwe Jeruzalem daalt neer. Geen dood, rouw, gekrijt, moeite of vervloeking blijft bestaan.
Wie deze twee perioden samenvoegt, zal profetieën over bouwen, kinderen, tempeldienst, zonde en dood op de verkeerde plaats zetten. Openbaring geeft daarom niet alleen prachtige beelden, maar ook een onbreekbare volgorde.
Openbaring 19–21 geeft de beslissende chronologie
Openbaring 19 beschrijft de zichtbare wederkomst van Jezus Christus. Het beest en de valse profeet worden geoordeeld en de Koning der koningen neemt openlijk Zijn macht op aarde in.
Openbaring 20 vervolgt:
- Satan wordt gebonden en duizend jaar in de afgrond opgesloten;
- de heiligen leven en regeren met Christus gedurende die duizend jaren;
- na afloop wordt Satan nog eenmaal losgelaten;
- hij verleidt de volken tot de laatste opstand;
- God verteert de opstandelingen en werpt Satan in de poel des vuurs;
- daarna verschijnt de grote witte troon en worden de overigen der doden geoordeeld.
Pas daarna begint Openbaring 21:
“En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.”
— Openbaring 21:1
De nieuwe hemel en aarde verschijnen dus niet reeds bij Christus’ wederkomst. Tussen de wederkomst van Openbaring 19 en de nieuwe aarde van Openbaring 21 liggen volgens Openbaring 20 werkelijk duizend jaren, Satans laatste loslating, een laatste opstand en het oordeel voor de grote witte troon.
Dat levert de eerste fundamentele grens op:
- het duizendjarig Koninkrijk begint bij Christus’ wederkomst;
- de eeuwige toestand begint na de duizend jaren en het laatste oordeel.
De laatste vijand is tijdens het Koninkrijk nog niet verdwenen
Paulus geeft de diepste verklaring voor deze volgorde:
“Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal tenietgedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die tenietgedaan wordt, is de dood.”
— 1 Korinthe 15:24–26
Christus moet regeren totdat al Zijn vijanden onder Zijn voeten zijn gelegd. Zijn Koninkrijksregering is daarom niet een periode waarin er nergens meer een vijand bestaat. Het is de periode waarin de rechtmatige Koning iedere vijand zichtbaar onderwerpt.
Tijdens de duizend jaren is Satan gebonden, maar nog niet in zijn eeuwige bestemming geworpen. Onder natuurlijke mensen kan nog ongehoorzaamheid bestaan. Aan het einde blijkt zelfs dat een ontelbare menigte zich door Satan laat verzamelen tegen de geliefde stad. Ook de lichamelijke dood komt onder natuurlijke mensen nog voor.
Pas nadat Satan definitief in de poel des vuurs is geworpen, de goddelozen voor de grote witte troon zijn geoordeeld en dood en hel eveneens in de poel des vuurs zijn geworpen, verschijnt de orde waarin wordt gezegd:
“En de dood zal niet meer zijn.”
— Openbaring 21:4
Het millennium is dus de heerlijke regering van Christus totdat de laatste vijand verdwenen is. De eeuwige toestand is de volkomen orde nadat die laatste vijand verdwenen is. Vanuit dit ene onderscheid worden bijna alle overige verschillen begrijpelijk.
De verschillen in één overzicht
| Onderwerp | Duizendjarig Koninkrijk | Eeuwige toestand |
|---|---|---|
| Beginpunt | Christus’ zichtbare wederkomst | Na de laatste opstand en de grote witte troon |
| Aardse toestand | Herstel en wederopbouw van de geoordeelde wereld | God maakt de gehele gevallen scheppingsorde nieuw |
| Bewoners | Verheerlijkte heiligen én natuurlijke mensen | Alle verlosten leven voorgoed buiten de macht van verderf en dood |
| Geboorte | Natuurlijke mensen trouwen en krijgen kinderen | Geen voortgaande sterfelijke bevolkingsorde |
| Zonde | Kan onder natuurlijke mensen nog voorkomen | Geen zonde, onreinheid of afval meer |
| Regering | Christus regeert en tuchtigt met volmaakte rechtvaardigheid | Geen opstandige bevolking meer die bedwongen moet worden |
| Satan | Duizend jaar gebonden en daarna nog eenmaal losgelaten | Voor eeuwig in de poel des vuurs |
| Menselijke dood | Komt onder natuurlijke mensen nog voor | De dood is definitief tenietgedaan |
| Dierenwereld | Wonderlijk hersteld, maar dierlijk sterven bestaat nog | De schepping is van verderf bevrijd; de dood heerst nergens meer |
| Vloek en verdriet | Sterk teruggedrongen, maar niet universeel verdwenen | Geen dood, rouw, gekrijt, moeite of vervloeking meer |
| Zee | Zeeën, scheepvaart en visvangst bestaan | “De zee was niet meer” |
| Jeruzalem | Het herstelde aardse Jeruzalem is Christus’ regeringscentrum | Het Nieuwe Jeruzalem daalt van God uit de hemel neer |
| Tempel | Een aardse tempelorde met priesters en offers | Geen afzonderlijke tempel; God en het Lam zijn haar Tempel |
| Arbeid | Bouwen, planten, vissen, besturen en ontwikkelen | Dienen, wandelen en regeren zonder moeite of verderf |
| Duur | Werkelijk duizend jaar en daarna nog een laatste opstand | Zonder einde; geen toekomstige bedreiging of overgang meer |
Dit overzicht vervangt de onderliggende Schriftlijnen niet. De belangrijkste verschillen verdienen afzonderlijk een nadere toets.
In het Koninkrijk wordt de wereld herbouwd
De oordelen van de grote verdrukking treffen de bestaande wereld verschrikkelijk. Onder de zevende fiool vlieden de eilanden, worden bergen niet meer gevonden en vallen de steden der volken. Toch zijn er bij Christus’ wederkomst nog levende mensen en bestaande volken. De schapen uit de volken en het gelovige overblijfsel van Israël gaan in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen.
Zij betreden geen aarde waarop ieder spoor van de oude wereld bovennatuurlijk is verdwenen. De profeten beschrijven juist een langdurige wederopbouw:
“En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht.”
— Jesaja 61:4
Ook Ezechiël spreekt over verwoeste plaatsen die worden bebouwd en steden die opnieuw worden bewoond (Ezechiël 36:33–36). Israël reinigt het land. Mensen bouwen huizen, planten wijngaarden en genieten van hun arbeid. Oorlogswapens worden tot werktuigen voor vruchtbaar werk gemaakt (Jesaja 2:4; Micha 4:3).
Dit is herstel binnen de voortgaande aardse geschiedenis. Menselijke overlevenden bezitten nog geheugen, vakkennis en lichamelijke mogelijkheden. Zij ruimen, verwerken, bouwen, planten, organiseren en ontwikkelen. Christus’ regering geeft hun arbeid een rechtvaardige bestemming.
Hoe deze wederopbouw uit de Schrift volgt, wordt uitgebreider behandeld in Hoe wordt de verwoeste wereld in het duizendjarig Koninkrijk herbouwd?.
In de eeuwige toestand bouwt de mens geen puinhopen meer op
Na de duizend jaren volgt geen tweede periode van menselijke wederopbouw. Petrus beschrijft een veel ingrijpender overgang:
“Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.”
— 2 Petrus 3:10
Vervolgens verwacht hij:
“Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.”
— 2 Petrus 3:13
Alle werken van de gevallen wereld komen onder Gods allesomvattende vuuroordeel. Er blijven geen beschadigde wereldsteden over waaraan de volgende generatie verder bouwt. Er wordt niet verteld dat natuurlijke overlevenden opnieuw puin ruimen, machines herstellen of wegen aanleggen. God Zelf spreekt vanaf de troon:
“Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.”
— Openbaring 21:5
Dat betekent niet dat God Zijn oorspronkelijke scheppingswerk als mislukt wegwerpt. Hij heeft de aarde op haar grondvesten gegrond, zodat zij nimmermeer noch eeuwiglijk zal wankelen (Psalm 104:5). De wereld vóór de zondvloed “verging”, maar de door God gegronde aarde bleef door het oordeel heen bestaan (2 Petrus 3:6). Ook Psalm 102:26–28 beschrijft hemel en aarde als een kleed dat God verandert.
De nieuwe aarde is daarom deze door God gegronde aarde, maar volkomen veranderd, gereinigd en van ieder verderf bevrijd. Haar identiteit als Gods aardse scheppingswerk blijft; haar gevallen gestalte en alle zondige werken gaan voorbij.
Het onderscheid kan niet scherper worden gezegd:
- bij het begin van het millennium herstellen mensen onder Christus een verwoeste wereld;
- bij het begin van de eeuwige toestand maakt God Zelf Zijn gehele schepping volkomen nieuw.
Natuurlijke en verheerlijkte mensen leven tijdens het millennium naast elkaar
Bij Christus’ wederkomst verschijnen verschillende lichamelijke orden tegelijk op aarde.
De Gemeente is reeds bij de opname veranderd en verheerlijkt. De oudtestamentische heiligen en de martelaren uit de verdrukking ontvangen eveneens opstandingslichamen en regeren met Christus. Zij kunnen niet meer sterven.
Daarnaast gaan levende gelovigen uit Israël en de volken in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen. Zij zijn werkelijk gered en door Christus als rechtvaardigen aangenomen, maar hun lichaam is nog niet verheerlijkt. Daarom kunnen zij:
- huizen bouwen;
- trouwen;
- kinderen krijgen;
- natuurlijke arbeid verrichten;
- zeer oud worden;
- en lichamelijk sterven.
Hun kinderen worden binnen Christus’ rechtvaardige Koninkrijk geboren, maar geboorte uit gelovige ouders is geen wedergeboorte. Ook zij moeten persoonlijk in de Koning geloven.
Deze twee lichamelijke orden kunnen samen leven. De opgestane Christus kon worden gezien en aangeraakt, met Zijn discipelen spreken en werkelijk eten. Verheerlijkte heiligen blijven mensen en kunnen onder Christus natuurlijke mensen dienen en regeren.
Meer hierover staat in Wie gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen? en Hoe ziet het leven in het duizendjarig Koninkrijk eruit?.
In de eeuwige toestand bestaat geen sterfelijke bevolkingsorde meer
Na de grote witte troon wordt over de gehele nieuwe-aardeorde gezegd dat de dood niet meer zal zijn. Er kan daar dus geen natuurlijke mensheid blijven bestaan die nog aan ouderdom, verderf en sterven onderworpen is.
Christus zei over degenen die de opstanding uit de doden verwerven:
“Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk, en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.”
— Lukas 20:36
In dezelfde uitspraak staat dat zij niet meer trouwen of ten huwelijk worden uitgegeven (Lukas 20:35). Dat geldt niet voor de natuurlijke bewoners van het millennium; hun kinderen bewijzen dat daar nog werkelijk huwelijk en voortplanting bestaan. Maar in de uiteindelijke opstandingsorde bestaat geen voortgaande sterfelijke mensheid meer.
De Schrift beschrijft niet afzonderlijk op welk exacte moment en op welke wijze iedere gelovige die aan het einde van het millennium nog in een natuurlijk lichaam leeft, onsterfelijkheid ontvangt. Zij maakt het eindresultaat wel absoluut: op de nieuwe aarde leeft geen mens meer onder de macht van de dood.
Volmaakte regering is nog niet hetzelfde als een zondeloze bevolking
De mensen die bij Christus’ wederkomst als schapen het Koninkrijk binnengaan, zijn werkelijk gered. Toch betekent hun definitieve redding niet dat zij onmiddellijk een verheerlijkt lichaam ontvangen of in hun praktische wandel geen enkele ongehoorzaamheid meer kunnen begaan.
De Koninkrijksprofetieën laten zien dat Christus concrete ongehoorzaamheid rechtvaardig behandelt:
- Hij regeert de volken met een ijzeren roede (Psalm 2:9; Openbaring 19:15);
- een volk dat niet naar Jeruzalem optrekt, ontvangt geen regen (Zacharia 14:16–19);
- Jesaja noemt een honderdjarige zondaar die vervloekt wordt (Jesaja 65:20).
Christus’ regering is volmaakt, juist omdat geen zonde verborgen blijft en geen onrecht onbestraft voortwoekert. De vrede van het Koninkrijk berust niet op de zondeloosheid van ieder natuurlijk mens, maar op de tegenwoordigheid en rechtvaardigheid van de Koning.
Wanneer Satan na de duizend jaren wordt losgelaten, blijkt bovendien dat velen Christus slechts uiterlijk hebben gehoorzaamd. Satan verleidt de volken en verzamelt een menigte als het zand der zee tegen de legerplaats der heiligen en de geliefde stad (Openbaring 20:7–9).
De beste omgeving, de rechtvaardigste regering en de zichtbaar aanwezige Koning kunnen het natuurlijke hart niet vervangen door een nieuw hart. Alleen persoonlijke wedergeboorte door geloof in Christus redt.
In de eeuwige toestand bestaat geen ongehoorzaamheid meer om te regeren
Na de laatste opstand wordt Satan niet opnieuw gebonden, maar voor eeuwig in de poel des vuurs geworpen. Alle doden voor de grote witte troon worden geoordeeld. Wie niet in het boek des levens gevonden wordt, gaat in de tweede dood.
Op de nieuwe aarde ontstaat vervolgens geen nieuwe ongelovige bevolking. Over het Nieuwe Jeruzalem staat:
“En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.”
— Openbaring 21:27
De verloste volken buiten de stad vormen evenmin een zondige randbevolking. Zij wandelen in haar licht en brengen hun heerlijkheid door haar open poorten naar binnen. De goddelozen bevinden zich niet vlak buiten de muren, maar zijn definitief van Gods levensorde uitgesloten en hebben hun bestemming in de poel des vuurs (Openbaring 21:8; 22:15).
In het millennium wordt ongehoorzaamheid volmaakt geregeerd. In de eeuwige toestand bestaat geen ongehoorzaamheid meer om te regeren.
Een honderdjarige is nog jong, maar nog niet onsterfelijk
Jesaja beschrijft de buitengewone levensduur in het Koninkrijk:
“Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.”
— Jesaja 65:20
Een sterfgeval op honderdjarige leeftijd geldt dan nog als het sterven van een jongeling. Mensen zullen hun dagen vervullen en hun levensduur zal zijn als de dagen van een boom (Jesaja 65:22). Ziekte, geweld en vroegtijdig sterven beheersen de samenleving niet meer zoals nu.
Maar de tekst zegt nog altijd: “zal sterven”. Een buitengewoon lang leven is geen onsterfelijkheid. De dood is tijdens het millennium sterk teruggedrongen, maar nog niet als laatste vijand uit de gehele schepping verwijderd.
Openbaring 21 gebruikt daarom veel sterkere woorden. Niet: de dood komt bijna niet meer voor. Niet: mensen worden uitzonderlijk oud. Maar:
“En de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”
— Openbaring 21:4
De eeuwige toestand is geen eindeloos verlengd natuurlijk leven. Het is leven dat volledig buiten het bereik van verderf en dood is gebracht.
De dierenwereld is in het millennium hersteld, maar nog niet onsterfelijk
Jesaja beschrijft een indrukwekkende vrede in de dierenwereld. De wolf verkeert met het lam, de luipaard ligt bij de geitenbok, een kleine jongen drijft de dieren en de leeuw eet stro als een rund. Zij beschadigen en verderven niet op Gods heilige berg (Jesaja 11:6–9; 65:25).
De roofzucht en vijandschap die de gevallen dierenwereld tekenen, worden onder Christus’ regering wonderlijk beteugeld. Kinderen kunnen veilig spelen en mensen kunnen dieren zonder de huidige angst verzorgen.
Toch blijkt uit andere Koninkrijksteksten dat dierlijk sterven nog bestaat. Ezechiël ziet zeer veel vis en vissers die hun netten uitspreiden (Ezechiël 47:9–10). Zijn tempelvisioen beschrijft bovendien werkelijk offerdieren, priesters en offermaaltijden (Ezechiël 40–46). Zacharia spreekt eveneens over offers en kookpotten in Jeruzalem (Zacharia 14:20–21).
De dierenwereld is dus sterk hersteld, maar nog niet in de uiteindelijke onvergankelijke toestand gebracht.
In de eeuwige schepping kan de dood ook niet onder dieren blijven heersen
Openbaring 21 zegt niet afzonderlijk: “Geen dier zal meer sterven.” De som van Gods Woord maakt de uitkomst echter stevig duidelijk.
Paulus noemt de dood de laatste vijand. Openbaring werpt de dood zelf in de poel des vuurs en verklaart daarna dat de dood niet meer zal zijn. Romeinen 8 betrekt bovendien niet alleen verloste mensen, maar het schepsel zelf bij de komende bevrijding:
“Omdat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.”
— Romeinen 8:21
De schepping wordt niet eeuwig achtergelaten in verderf terwijl Gods kinderen onverderfelijk zijn. Zij deelt in de bevrijding van de dienstbaarheid der verderfenis. Daarom kan in Gods volkomen nieuwe schepping geen blijvende dierenwereld bestaan die nog door sterven, ontbinding, roof en slachting wordt beheerst.
De Schrift geeft geen volledige inventaris van alle dieren die op de nieuwe aarde leven. Zij geeft wel het karakter van die orde: de laatste vijand is vernietigd, het schepsel is van verderf bevrijd en geen vervloeking bestaat meer.
Pas op de nieuwe aarde is de zee niet meer
Tijdens het millennium bestaan de zeeën nog. Ezechiëls tempelrivier stroomt naar het oosten en komt in de zee uit. Het water wordt gezond en langs de oever staan vissers met hun netten (Ezechiël 47:8–10). Zacharia zegt dat levende wateren vanuit Jeruzalem naar de oostelijke en de achterste zee zullen stromen (Zacharia 14:8).
Ook de Koninkrijksprofetieën over eilanden, schepen en de heerschappij van zee tot zee passen bij een aarde waarop de zeeën nog aanwezig zijn. Het millennium is geen aarde zonder oceanen.
Pas nadat Openbaring 20 volledig is afgelopen, zegt Johannes over de nieuwe aarde:
“En de zee was niet meer.”
— Openbaring 21:1
Dat betekent niet dat alle water verdwijnt. God geeft uit de fontein van het water des levens en uit Zijn troon stroomt een zuivere rivier, klaar als kristal (Openbaring 21:6; 22:1). Geen zee betekent dus niet: geen water.
De zee was oorspronkelijk evenmin zondig. God schiep de zeeën vóór de zondeval en zag dat Zijn gehele schepping zeer goed was. Het verdwijnen van de zee laat zien dat God de aarde voor haar eeuwige bestemming werkelijk opnieuw inricht. De Schrift zegt niet dat extra woonruimte de geopenbaarde reden is, maar een aarde zonder de huidige uitgestrekte zeeën heeft vanzelfsprekend een geheel ander aanzicht en veel meer landoppervlak.
Het aardse Jeruzalem is niet hetzelfde als het Nieuwe Jeruzalem
Tijdens het millennium is het herstelde aardse Jeruzalem het regeringscentrum van Christus. Uit Sion gaat de wet uit. Volken trekken op om de Koning te aanbidden. Israël woont in zijn beloofde land en de tempelrivier stroomt vanuit het heiligdom door het land (Jesaja 2:2–4; Zacharia 14; Ezechiël 40–48).
Dit Jeruzalem behoort nog tot de geografische orde van de duizendjarige aarde. Het wordt na de verdrukking gereinigd en hersteld.
Het Nieuwe Jeruzalem heeft een andere oorsprong:
“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.”
— Openbaring 21:2
Deze stad wordt niet door natuurlijke Koninkrijksbewoners uit de ruïnes opgebouwd. Zij bestaat bij God en daalt na het laatste oordeel op de nieuwe aarde neer. God Zelf is haar Kunstenaar en Bouwmeester. De namen van Israëls stammen staan op haar poorten en de namen van de twaalf apostelen des Lams in haar fundamenten. De verloste volken wandelen in haar licht.
Het millennium heeft een herstelde aardse hoofdstad. De eeuwige toestand ontvangt de hemelse stad van God.
Het millennium heeft een tempel; de eeuwige stad niet
Ezechiël 40–48 beschrijft voor de toekomstige Koninkrijksorde een werkelijke tempel, een altaar, priesters, offers, landverdeling en een rivier die uit het heiligdom voortkomt. Deze orde staat in verbinding met een hersteld Israël en natuurlijke volken die nog binnen de geschiedenis van deze aarde leven.
In het Nieuwe Jeruzalem ziet Johannes geen afzonderlijke tempel:
“En ik zag geen tempel in dezelve; want de Heere, de almachtige God, is haar Tempel, en het Lam.”
— Openbaring 21:22
De eeuwige orde kent geen offerdood meer. Er is geen voorhangsel dat de mens op afstand houdt en geen afzonderlijk gebouw waarin Gods tegenwoordigheid wordt begrensd. God woont Zelf bij de mensen. Zijn troon en de troon van het Lam staan in de stad en Zijn dienstknechten zien Zijn aangezicht.
De tempel van het millennium wijst nog binnen de aardse Koninkrijksorde op Gods heiligheid en het volbrachte werk van Christus. In de eeuwige toestand vervult God Zelf alles rechtstreeks met Zijn tegenwoordigheid.
Het millennium kent nog tucht en mogelijke tranen
Verheerlijkte heiligen gaan het Koninkrijk binnen in onverderfelijkheid. De grote schare uit de verdrukking ontvangt de belofte dat God alle tranen van haar ogen zal afwissen (Openbaring 7:17). Dezelfde opstandingsheerlijkheid betekent dat ook de andere verheerlijkte heiligen niet meer persoonlijk door hun vroegere smart worden gekweld.
Maar daarmee is nog niet iedere oorzaak van verdriet uit de gehele aardse orde verwijderd. Natuurlijke mensen kunnen nog ongehoorzaam zijn. Er bestaat nog tucht. Mensen kunnen sterven. Aan het einde ontstaat nog een verschrikkelijke opstand.
Pas na de duizend jaren klinkt de universele belofte over de volledige verloste mensheid en haar eeuwige woonorde:
“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”
— Openbaring 21:4
De eerste toepassing van de tranenwissing loopt mee met de opstandingsheerlijkheid van degenen die vóór het millennium onsterfelijkheid ontvangen. De uiteindelijke toepassing omvat na het millennium alle overige verlosten en de volledige scheppingsorde. Dit wordt verder uitgewerkt in Wanneer wist God alle tranen af?.
In het millennium is de vloek teruggedrongen; daarna is zij volledig verdwenen
Het millennium vertoont een enorme omkering van de gevolgen van de zondeval:
- de aarde draagt overvloedig vrucht;
- woestijn en dorre plaatsen bloeien;
- dieren leven vreedzaam;
- mensen bereiken een buitengewoon hoge leeftijd;
- arbeid wordt niet voortdurend door oorlog en onderdrukking verwoest;
- Satan kan de volken niet meer verleiden zolang hij gebonden is.
Toch spreekt Jesaja nog over een zondaar die vervloekt wordt. Zacharia noemt nog een plaag en het onthouden van regen als oordeel over ongehoorzaamheid. De laatste opstand moet nog plaatsvinden. De vloek is niet meer de ongehinderde heersende macht die de huidige wereld kenmerkt, maar alle mogelijke gevolgen van zonde zijn nog niet uit de schepping verdwenen.
In Openbaring 22 staat daarentegen:
“En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn.”
— Openbaring 22:3
Niet slechts minder vloek, minder lijden of minder dood. Geen vervloeking meer. Dat behoort tot de volkomen eeuwige toestand.
Jesaja ziet Koninkrijk en voleinding in één profetisch panorama
Jesaja 65 kan op het eerste gezicht verwarrend lijken. God spreekt daar over nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Direct daarna lezen we over het bouwen van huizen, het planten van wijngaarden, kinderen, hoge leeftijden en zelfs iemand die honderd jaar oud sterft.
Dit kan niet betekenen dat in de uiteindelijke toestand van Openbaring 21 nog dood bestaat. Openbaring zegt daar immers rechtstreeks dat de dood niet meer zal zijn. Bovendien plaatst Openbaring 20 de duizend jaren, de laatste opstand en de grote witte troon vóór de nieuwe aarde van Openbaring 21.
Jesaja overziet Gods toekomstige vernieuwingswerk in één groot profetisch panorama. De heerlijke Koninkrijksorde en haar uiteindelijke eeuwige voleinding staan dicht bij elkaar, zoals oudtestamentische profetieën vaker gebeurtenissen samen tonen waarvan latere openbaring de onderlinge afstand bekendmaakt. Openbaring ontvouwt de chronologie die Jesaja nog niet in afzonderlijke hoofdstukken uiteenzet.
Daarom moeten de kenmerken zelf op hun Schriftuurlijke plaats worden gezet:
- bouwen, kinderen, de honderdjarige zondaar en sterven behoren tot de duizendjarige Koninkrijksorde;
- geen zee, geen dood, geen vervloeking en het neerdalende Nieuwe Jeruzalem behoren tot de eeuwige toestand na het laatste oordeel.
De latere, uitvoeriger openbaring spreekt Jesaja niet tegen. Zij maakt zichtbaar hoe zijn gehele profetische vergezicht in de tijd wordt vervuld.
De eeuwige toestand is niet minder werkelijk, maar volkomener werkelijk
Het verdwijnen van huwelijk, dood, zee en tempel betekent niet dat de eeuwige toestand een vormloos of onmenselijk bestaan wordt. Johannes ziet geen ontlichaamde zielen die werkeloos in een onzichtbare ruimte zweven.
Hij ziet:
- een werkelijke nieuwe aarde;
- een ontzagwekkende werkelijke stad;
- volken en koningen;
- open poorten en straten;
- een rivier en de boom des levens;
- mensen die wandelen, binnengaan en heerlijkheid meebrengen;
- dienstknechten die God dienen en Zijn aangezicht zien;
- mensen die in alle eeuwigheid regeren.
De boom des levens brengt van maand tot maand vrucht voort. Er bestaat dus nog werkelijke opeenvolging en voortgaande duur. In het Nieuwe Jeruzalem is geen nacht en de stad heeft zon en maan niet nodig om in haar te schijnen, omdat Gods heerlijkheid haar verlicht en het Lam haar Kaars is. Dat geldt specifiek voor de stad. Buiten haar muren blijven Gods voor altoos bevestigde hemellichten hun geschapen functies vervullen: de zon heeft heerschappij over de dag en maan en sterren hebben heerschappij in de nacht. Ook in de eeuwige toestand blijft daarom buiten de stad de werkelijke afwisseling van dag en nacht bestaan (Genesis 1:14–18; Psalm 136:7–9; Psalm 148:3–6).
Eeuwig leven is geen stilgezet ogenblik. Het is lichamelijk, persoonlijk, actief en zonder einde. Wat verdwijnt, is niet het goede menselijke leven dat God heeft geschapen. Wat verdwijnt, is alles wat de zonde eraan heeft toegevoegd: verderf, vijandschap, uitputtende moeite, ziekte, afscheid, angst en dood.
Het volledige beeld van deze eeuwige woonorde wordt behandeld in De nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het Nieuwe Jeruzalem.
Herstel is heerlijk; volkomen vernieuwing is nog heerlijker
Het duizendjarig Koninkrijk toont hoe heerlijk de aarde wordt wanneer haar rechtmatige Koning zichtbaar regeert. Christus maakt een einde aan het wereldrijk van het beest. Hij herstelt Israël, onderwijst de volken, beëindigt oorlog, zegent de arbeid en vult de aarde met de kennis des HEEREN.
Maar zelfs die ongekende wereld loopt nog naar een laatste ontknoping. Satan moet definitief worden geoordeeld. Het natuurlijke hart moet voor de laatste maal openbaar worden. De grote witte troon moet plaatsvinden. De dood zelf moet als laatste vijand worden vernietigd.
Daarna begint geen nieuw menselijk herstelproject. God Zelf maakt alle dingen nieuw. De zee verdwijnt, maar de rivier des levens stroomt. Een afzonderlijke tempel is niet meer nodig, want God en het Lam zijn haar Tempel. Er ontstaat geen nieuwe sterfelijke generatie die nog tussen geloof en ongeloof uiteenvalt. Niemand zondigt, niemand sterft en niemand neemt ooit meer afscheid. Geen toekomstige opstand kan Gods woonorde nog bedreigen.
Het verschil is daarom niet dat het millennium aards en de eeuwigheid onstoffelijk zou zijn. Beide zijn werkelijk en lichamelijk. Het verschil is dat het millennium nog de laatste fase van Gods overwinning binnen de geschiedenis van de gevallen wereld vormt, terwijl de eeuwige toestand Gods schepping toont nadat iedere vijand voorgoed verdwenen is.
Alleen door het Lam krijgt een mens deel aan die eeuwige wereld
De Bijbel beschrijft niet alleen hoe Gods toekomst eruitziet. Hij maakt ook bekend wie daarin mogen leven.
Alle mensen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Geen mens kan zichzelf door goede werken geschikt maken voor een wereld waarin volkomen gerechtigheid woont. Jezus Christus, het Lam van God, stierf daarom voor onze zonden. Hij werd begraven en stond op de derde dag uit de doden. Hij droeg het oordeel dat wij verdienden en volbracht het gehele verlossingswerk.
Eeuwig leven wordt niet verdiend door kerkgang, doop, volharding of goede werken. God geeft het als een vrije gave aan ieder die in Zijn Zoon gelooft:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
Wie in Christus gelooft, heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven (Johannes 5:24). Zijn zekerheid rust niet op zijn eigen trouw, maar op het volbrachte werk en de onveranderlijke belofte van Christus.
Voor hem eindigt Gods toekomst niet bij de verwoesting van deze wereld of bij een graf. Christus zal hem opwekken en brengen in de orde waarin de dood niet meer is. Daar woont God bij de mensen, stroomt de rivier des levens, staat de boom des levens en zien Zijn dienstknechten Zijn aangezicht.
Het duizendjarig Koninkrijk toont de heerlijkheid van de rechtvaardige Koning. De eeuwige toestand toont het voltooide resultaat van Zijn verlossingswerk:
“Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.”
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Hoe wordt de verwoeste wereld in het duizendjarig Koninkrijk herbouwd?
Volgende artikel:
Wie staat voor de grote witte troon?
Serieoverzicht: