Verheerlijkte heiligen regeren met Christus, terwijl het geredde overblijfsel van Israël en de gelovige schapen in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnengaan. Zij krijgen kinderen die persoonlijk moeten geloven. Uit onwedergeboren latere generaties ontstaat na duizend jaar de laatste opstand; de oorspronkelijke gelovigen verliezen hun redding niet.
Wie gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen — en waar komen de laatste opstandelingen vandaan?
Openbaring 20 stelt ons voor een vraag die op het eerste gezicht moeilijk lijkt.
Wanneer Jezus Christus zichtbaar terugkomt, vernietigt Hij het beest en zijn legers. Hij verwijdert de goddelozen, bindt Satan en vestigt Zijn Koninkrijk. Heiligen worden opgewekt en regeren duizend jaar met Hem.
Maar wanneer die duizend jaren voorbij zijn en Satan voor korte tijd wordt losgelaten, weet hij opnieuw een ontelbare menigte tegen God te verzamelen:
“En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.”
— Openbaring 20:8
Waar komen deze opstandelingen vandaan?
Als Christus bij Zijn komst de levende mensen oordeelt en Zijn Koninkrijk zuivert, hoe kunnen er duizend jaar later dan opnieuw vijanden van God over de hele aarde wonen?
De oplossing ligt in een onderscheid dat de Schrift zelf maakt. Tijdens het duizendjarig Koninkrijk leven twee groepen naast elkaar:
- verheerlijkte heiligen, die met Christus regeren en niet meer kunnen sterven;
- geredde mensen in natuurlijke lichamen, die de verdrukking levend hebben overleefd, het Koninkrijk binnengaan en daar nieuwe generaties voortbrengen.
Die nieuwe generaties groeien op onder de volmaakte regering van Jezus Christus. Maar een volmaakte omgeving maakt niemand automatisch wedergeboren. Ieder kind moet persoonlijk geloven. Velen zullen dat doen; anderen zullen zich slechts uiterlijk aan de Koning onderwerpen. Wanneer Satan na duizend jaar wordt losgelaten, brengt zijn verleiding aan het licht hoeveel mensen Christus nooit werkelijk hebben geloofd.
Zo verklaart de Schrift zowel de reine aanvang van het Koninkrijk als de grote opstand aan het einde.
Christus vestigt bij Zijn komst een werkelijk aards Koninkrijk
Het duizendjarig Koninkrijk is geen andere naam voor de huidige gemeenteperiode en evenmin alleen een geestelijk beeld van Christus’ heerschappij in de hemel.
Openbaring 19 beschrijft eerst de zichtbare wederkomst. De hemel wordt geopend en Jezus Christus verschijnt als de getrouwe en waarachtige Koning. Het beest en de valse profeet worden in de poel des vuurs geworpen en de verzamelde vijandelijke legers worden vernietigd (Openbaring 19:11–21).
Daarna beschrijft Openbaring 20 wat op aarde volgt:
- Satan wordt gegrepen;
- hij wordt voor duizend jaar in de afgrond opgesloten;
- hij kan gedurende die tijd de volken niet verleiden;
- heiligen worden levend en regeren duizend jaar met Christus;
- pas wanneer de duizend jaren geëindigd zijn, wordt Satan weer losgelaten.
De herhaling van “duizend jaren” bepaalt een werkelijke afgemeten regeringsperiode. De gebeurtenissen hebben bovendien een vaste volgorde:
wederkomst → oordeel over het beest en zijn legers → binding van Satan → duizendjarige regering → loslating van Satan → laatste opstand.
De profeten beschrijven dezelfde Koninkrijksorde vanaf de aarde. De HEERE is Koning over de gehele aarde. Israël woont onder de Zoon van David. De volken trekken op om de HEERE te aanbidden. Oorlogswapens verliezen hun functie, de schepping wordt gezegend en vanuit Jeruzalem gaat Gods regering over de aarde uit (Jesaja 2:1–4; 11:1–10; Ezechiël 37:21–28; Zacharia 14:9,16–19).
Dit Koninkrijk heeft dus een hemelse Koning, verheerlijkte mederegeerders en werkelijke aardse onderdanen.
Twee soorten mensen leven tijdens het Koninkrijk naast elkaar
Het onderscheid tussen de regerende heiligen en de natuurlijke onderdanen voorkomt veel verwarring.
| Verheerlijkte mederegeerders | Natuurlijke Koninkrijksbewoners |
|---|---|
| Zijn opgewekt of veranderd | Hebben de verdrukking lichamelijk overleefd |
| Bezitten een onverderfelijk lichaam | Bezitten nog een natuurlijk en sterfelijk lichaam |
| Kunnen niet meer sterven | Leven uitzonderlijk lang, maar de dood is nog mogelijk |
| Trouwen en planten zich niet voort in de opstanding | Trouwen, krijgen kinderen en vormen nieuwe generaties |
| Regeren met Christus | Leven als onderdanen onder Christus’ regering |
Beide groepen behoren Christus toe. Het verschil gaat niet over gered of verloren, maar over hun lichamelijke toestand en hun plaats in de Koninkrijksorde.
Christus toont dat verheerlijkte en natuurlijke mensen samen kunnen leven
Dat verheerlijkte mederegeerders en natuurlijke onderdanen gelijktijdig op aarde leven, is geen vreemde of onmogelijke constructie. Jezus Christus heeft na Zijn opstanding Zelf laten zien dat een verheerlijkt lichaam werkelijk onder natuurlijke, nog sterfelijke mensen kan functioneren.
Paulus schrijft over Christus:
“Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam.”
— Filippenzen 3:21
Johannes zegt eveneens:
“Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.”
— 1 Johannes 3:2
Na Zijn opstanding verscheen Christus gedurende veertig dagen aan discipelen die zelf nog natuurlijke lichamen hadden:
“Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.”
— Handelingen 1:3
Hij sprak met hen, wandelde met hen, liet Zich aanraken en at in hun aanwezigheid. Toen de discipelen meenden dat zij een geest zagen, antwoordde Hij:
“Tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.”
— Lukas 24:39
Daarmee levert Christus Zelf het rechtstreekse model. Een verheerlijkt lichaam is werkelijk lichamelijk en kan zichtbaar aanwezig zijn, spreken, dienen en handelen onder natuurlijke mensen. Daarom kunnen de verheerlijkte heiligen tijdens het millennium samen met natuurlijke Koninkrijksbewoners op aarde leven en met Christus over hen regeren.
Ook de aanwezigheid van nog onwedergeboren mensen uit latere generaties kan de verheerlijkte heiligen niet opnieuw met zonde of verderf besmetten. Zij zijn onverderfelijk opgewekt; Openbaring noemt hen zalig en heilig en zegt dat de tweede dood geen macht over hen heeft. Christus leefde volkomen heilig onder zondaren, raakte onreinen aan zonder Zelf onrein te worden en bleef zonder zonde. De verheerlijkte heiligen ontvangen geen terugkeerbare toestand, maar een blijvende opstandingsheerlijkheid.
Hun lichaam wordt aan Christus’ heerlijk lichaam gelijkvormig. Dat betekent niet dat zij Zijn unieke Goddelijke eigenschappen ontvangen of aan Hem gelijk worden in almacht, alwetendheid of Godheid. Zij blijven verloste schepselen. Maar lichamelijk en moreel zijn zij geschikt om onder natuurlijke mensen te dienen en met hun Heere te regeren zonder opnieuw onder zonde, verderf of dood te komen.
De verheerlijkte heiligen regeren met Christus
Johannes ziet in Openbaring 20 tronen en mensen aan wie het oordeel wordt gegeven. Hij ziet ook de martelaren die vanwege het getuigenis van Jezus waren gedood en het beest, zijn beeld en zijn merkteken hadden geweigerd:
“En zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.”
— Openbaring 20:4
Over hen staat:
“Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.”
— Openbaring 20:6
Deze martelaren zijn niet de enigen die bij de regering van Christus betrokken zijn. De eerste opstanding is één opstandingsorde ten leven die in verschillende geopenbaarde fasen wordt uitgevoerd. Christus stond op als Eersteling. Bij de opname staan de doden in Christus op en worden de levende leden van de gemeente veranderd. De twee getuigen worden tijdens Daniëls week opgewekt. Daniël, de oudtestamentische heiligen en de martelaren uit de beestperiode ontvangen vóór het millennium hun plaats in de Koninkrijksorde.
Ook de gemeente regeert met Christus. Paulus schrijft dat de heiligen de wereld zullen oordelen (1 Korinthe 6:2). Christus belooft de overwinnaar macht over de heidenen en verbindt die macht met het hoeden met een ijzeren staf (Openbaring 2:26–27). Openbaring 5 noemt de door Christus gekochten koningen en priesters en zegt dat zij op de aarde zullen heersen.
Deze heiligen ontvangen geen tijdelijke verlenging van het huidige leven. Hun lichamen zijn onverderfelijk en onsterfelijk. De tweede dood heeft geen macht over hen.
Jezus leert bovendien dat mensen in de opstanding niet ten huwelijk nemen of ten huwelijk worden gegeven, maar als de engelen Gods in de hemel zijn (Mattheüs 22:30). De verheerlijkte heiligen vormen daarom niet door huwelijk en geboorte de natuurlijke bevolking van het millennium.
De nieuwe generaties moeten uit een andere groep voortkomen.
Niet iedere levende overlevende mag het Koninkrijk binnengaan
Wanneer Christus terugkomt, bevinden zich nog levende mensen op aarde. Zij hebben de oordelen van Daniëls zeventigste week en de laatste oorlog lichamelijk overleefd.
Maar overleven is niet hetzelfde als toegelaten worden tot het Koninkrijk.
Jezus zegt:
“Wanneer nu de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid; en voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.”
— Mattheüs 25:31–32
De scheiding vindt plaats wanneer de Zoon des mensen in heerlijkheid komt. Christus plaatst de schapen aan Zijn rechterhand en de bokken aan Zijn linkerhand.
Tegen de schapen zegt Hij:
“Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.”
— Mattheüs 25:34
Tegen de bokken zegt Hij:
“Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.”
— Mattheüs 25:41
En Christus besluit:
“En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”
— Mattheüs 25:46
De volgorde is rechtstreeks:
Christus komt → de levende volken worden verzameld → Hij scheidt schapen en bokken → de schapen beërven het Koninkrijk → de bokken gaan in de eeuwige straf.
Er is geen reden om in Mattheüs 25 tussen het uitgesproken oordeel en de uitvoering ervan een verborgen periode van duizend jaar te plaatsen. Het beest en de valse profeet bewijzen bovendien dat de poel des vuurs vóór het millennium reeds levende mensen kan ontvangen (Openbaring 19:20). De bokken vormen daarom geen ongelovige beginbevolking die eerst nog duizend jaar in Christus’ Koninkrijk mag leven.
De gelijkenissen van het onkruid tussen de tarwe en het visnet bevestigen dezelfde zuivering. Bij de voleinding van de eeuw zendt de Zoon des mensen Zijn engelen uit. Zij scheiden de bozen uit het midden der rechtvaardigen en werpen hen in de vurige oven; daarna blinken de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader (Mattheüs 13:40–43, 49–50).
Het Koninkrijk begint dus niet doordat iedere toevallige overlevende automatisch wordt toegelaten. De Koning onderzoekt, scheidt en verwijdert.
De volledige afbakening van deze rechtszitting staat in: De schapen en de bokken van Mattheüs 25 uitgelegd.
Ook Israël wordt vóór de Koninkrijksorde gelouterd
Dezelfde scheiding vindt binnen Israël plaats.
God brengt Zijn volk door de laatste benauwdheid, bewaart een overblijfsel en verwijdert de opstandigen. Ezechiël zegt:
“Daartoe zal Ik, die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren.”
— Ezechiël 20:38
Zij worden uit hun verblijfplaatsen uitgevoerd, maar komen niet in het land Israëls. Zacharia beschrijft een gelouterd overblijfsel dat Gods Naam aanroept en waarvan de HEERE zegt: “Het is Mijn volk”; waarop het antwoordt: “De HEERE is mijn God” (Zacharia 13:8–9).
Bij Christus’ komst aanschouwt Israël de Messias Die het heeft doorstoken. God stort de Geest der genade en der gebeden uit, opent de Fontein tegen zonde en onreinheid en wendt de goddeloosheden van Jakob af (Zacharia 12:10; 13:1; Romeinen 11:26–27).
Het herstelde Israël gaat daarom niet als ongelovige natie het Koninkrijk binnen. De opstandigen zijn uitgezuiverd; het overblijvende volk kent de HEERE en woont onder zijn Messiaanse Koning.
De afzonderlijke route van de Israëlische wederstrevers en hun verhouding tot de bokken en de grote witte troon wordt uitgewerkt in waar is afvallig Israël bij de wederkomst?
Zo beginnen zowel Israël als de volken aan de gelovige kant van de scheiding:
- het gelouterde en geredde overblijfsel van Israël;
- de rechtvaardige schapen uit de levende volken.
Dit zijn de natuurlijke mensen die Christus’ aardse Koninkrijk binnengaan.
Koninkrijkstoegang is echter niet hetzelfde als deelname aan het unieke bruiloftsfeest. Dit onderscheid wordt uitgewerkt in De wijze en dwaze maagden van Mattheüs 25.
De schapen zijn reeds gered wanneer Christus hen aanneemt
Mattheüs 25 leert geen redding door goede werken.
Christus noemt de schapen niet pas na hun daden rechtvaardig. Hij spreekt hen aan als “gezegenden Mijns Vaders”, noemt hen “de rechtvaardigen” en stelt hun bestemming tegenover de eeuwige straf. Hun barmhartigheid tegenover Christus’ broeders koopt het eeuwige leven niet en vormt evenmin de bewijsgrond waarop Christus moet vaststellen of zij Zijn schapen zijn. Hij zegt reeds over Zijn schapen: “Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; en Ik geef hun het eeuwige leven” (Johannes 10:27–28).
De Schrift leert overal dat een zondaar door geloof wordt gerechtvaardigd, zonder de werken der wet (Romeinen 3:28; 4:5; Efeze 2:8–9). Christus beoordeelt werkelijk wat mensen hebben gedaan, maar hun daden nemen de plaats van het geloof niet in en worden nergens tot een tweede grond van rechtvaardiging gemaakt. De zekerheid van eeuwig leven rust op Gods belofte aan degene die in Zijn Zoon gelooft, niet op een beoordeling van de eigen werken.
De schapen worden daarom niet bij Christus’ troon alsnog door hun gedrag wedergeboren. Zij zijn gelovige overlevenden die de Herder reeds als de Zijnen kent. Bij het oordeel maakt de alwetende Koning de scheiding openbaar, noemt Hij de daden die Hij volmaakt kent en spreekt Hij over iedere groep het rechtvaardige vonnis uit. De werken veroorzaken hun positie niet; Christus’ uitspraak openbaart welke positie zij reeds voor Hem hebben. Vervolgens geeft Hij de rechtvaardigen toegang tot de Koninkrijksorde.
Dat onderscheid is belangrijk voor hun lichamelijke toestand. Zij ontvangen werkelijk “het eeuwige leven”, maar worden bij deze scheiding niet opgewekt en er staat nergens dat zij op dat moment worden veranderd.
Eeuwig leven bezitten is niet hetzelfde als reeds een verheerlijkt lichaam hebben
Jezus zegt over degene die gelooft:
“Die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
Een gelovige bezit dus nu reeds eeuwig leven. Toch draagt hij nog een sterfelijk lichaam en wacht hij op “de verlossing onzes lichaams” (Romeinen 8:23).
Paulus kan daarom tegelijkertijd zeggen dat het lichaam vanwege de zonde dood is, terwijl de geest leven is vanwege de gerechtigheid (Romeinen 8:10). De wedergeboorte maakt het huidige lichaam niet onmiddellijk onverderfelijk.
Hetzelfde geldt voor de levende schapen en het geredde overblijfsel van Israël. Zij behoren Christus toe, bezitten eeuwig leven en komen niet in de verdoemenis. Maar zij gaan met hun bestaande natuurlijke lichaam het Koninkrijk binnen.
Hun lichaam is:
- werkelijk levend;
- door Gods Koninkrijkszegen tot uitzonderlijke levensduur in staat;
- nog natuurlijk en aan de Adamitische sterfelijkheid onderworpen;
- geschikt voor huwelijk, geboorte, arbeid en een aardse gezinssamenleving.
Zij zijn dus eeuwig gered, maar lichamelijk nog niet verheerlijkt.
Hun definitieve toelating betekent niet dat zij reeds zondeloos zijn
Omdat het oordeel over de schapen en bokken een definitieve scheiding vormt, zou de gedachte kunnen ontstaan dat de toegelaten schapen daarna onmogelijk nog kunnen zondigen. Anders zou er, zo lijkt het, opnieuw een oordeel nodig zijn.
Maar dan worden twee verschillende zaken samengevoegd: het oordeel over de eeuwige bestemming en Christus’ beoordeling en regering van de verdere wandel.
De schapen gaan “in het eeuwige leven” en de bokken “in de eeuwige pijn” (Mattheüs 25:46). Die uitspraak wordt nooit herroepen. De schapen kunnen niet alsnog bokken worden en hun eeuwige leven verliezen. Maar Christus zegt nergens dat hun natuurlijke lichamen bij deze scheiding worden veranderd of dat hun vlees dan wordt weggenomen.
De toestand van de huidige gelovige bewijst dat een definitief vaststaande redding en een nog te beoordelen wandel zonder enige tegenspraak samengaan. Christus zegt dat degene die gelooft reeds eeuwig leven heeft en niet in de verdoemenis komt (Johannes 5:24). Toch kan een geredde gelovige zondigen, door de Heere worden terechtgebracht en voor zijn wandel rekenschap afleggen. Paulus vat beide kanten in één vers samen:
“Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.”
— 1 Korinthe 11:32
De gelovige wordt door de Heere geoordeeld en getuchtigd, juist zonder met de wereld veroordeeld te worden. Dat is geen dubbel proces over dezelfde eeuwige bestemming. Het eerste staat vast door Christus’ volbrachte werk; het tweede betreft Gods heilige regering over het leven van iemand die Hem reeds toebehoort.
Zo ligt het ook bij de natuurlijke Koninkrijksbewoners. Christus’ uitspraak bij hun toegang maakt voor eeuwig openbaar dat zij de Zijnen zijn. Eventuele latere ongehoorzaamheid opent hun eeuwige zaak niet opnieuw. De Koning kan die concrete ongehoorzaamheid binnen Zijn Koninkrijksregering onmiddellijk, volmaakt en rechtvaardig behandelen.
Ook de nieuwe geboorte maakt een mens vóór zijn lichamelijke verheerlijking niet in zijn gehele bestaan onbekwaam tot zondigen. Wat uit God geboren is, zondigt niet; Gods zaad blijft daarin (1 Johannes 3:9). Maar zolang de lichamelijke verandering nog niet heeft plaatsgevonden, staat het vlees tegenover de Geest (Galaten 5:17). De levende schapen en het geredde Israël bezitten werkelijk een nieuw hart en Gods Geest, maar er wordt bij hun toegang geen afzonderlijke uitroeiing van het natuurlijke vlees geopenbaard.
Daarom moeten twee uitspraken zorgvuldig naast elkaar blijven staan:
- de natuurlijke beginbevolking bestaat geheel uit geredde mensen;
- gered en rechtvaardig verklaard zijn is nog niet hetzelfde als lichamelijk verheerlijkt en absoluut zondeloos zijn.
De Schrift beschrijft geen concrete latere zonde van ieder oorspronkelijk schaap. Wij mogen dus niet beweren dat ieder van hen noodzakelijk een bepaalde zonde zal doen. Maar de Schrift zegt evenmin dat uitsluitend hun later geboren kinderen tot zondigen in staat zijn, terwijl de natuurlijke ouders bij Mattheüs 25 reeds zondeloos zouden zijn geworden. Daarvoor ontbreekt iedere geopenbaarde verandering.
Juist daarom heeft Christus’ ijzeren roede werkelijke betekenis. Zijn regering is niet slechts een eretitel. Hij eist gehoorzaamheid, kent iedere daad en laat ongehoorzaamheid niet onbeheerst voortbestaan. Onder menselijke regeringen kan kwaad verborgen blijven, onbestraft doorgroeien en uiteindelijk de macht overnemen. Onder Christus niet. Zijn regering is volmaakt, onmiddellijk en onbuigzaam rechtvaardig.
Deze Koninkrijksbeoordeling bedreigt de genade niet. Zij openbaart haar juist. Christus bewaart Zijn verlosten voor eeuwig, terwijl Hij hun wandel werkelijk bestuurt. Hun positie rust op Zijn genade; hun gedrag valt onder Zijn heilige regering.
Evenmin volgt uit een periode zonder persoonlijke zondige daad automatisch lichamelijke onsterfelijkheid. De dood is door Adam tot het menselijk geslacht doorgegaan (Romeinen 5:12), en de wedergeboren gelovige wacht nog op de verlossing van zijn lichaam (Romeinen 8:23). Pas wanneer het sterfelijke onsterfelijkheid aandoet, is de lichamelijke heerschappij van de dood werkelijk voorbij (1 Korinthe 15:53–54). Daarom blijven deze Koninkrijksbewoners sterfelijk zolang God hun lichaam niet verandert, ook wanneer zij onder Christus’ regering gehoorzaam wandelen.
Koninkrijk Gods en Koninkrijk der hemelen zijn geen twee gescheiden koninkrijken
Omdat de natuurlijke mensen onder Christus’ zichtbare regering leven terwijl hun lichamen nog niet verheerlijkt zijn, kan de vraag ontstaan of “Koninkrijk Gods” en “Koninkrijk der hemelen” twee volledig verschillende koninkrijken aanduiden. De Schrift laat zo’n absolute scheiding echter niet toe.
Jezus zegt in Mattheüs 19 eerst:
“Voorwaar zeg Ik u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan.”
— Mattheüs 19:23
En direct daarna:
“En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.”
— Mattheüs 19:24
Binnen één uitspraak noemt Christus hetzelfde ingaan eerst “het Koninkrijk der hemelen” en vervolgens “het Koninkrijk Gods”. De parallelle Evangeliën bevestigen dit. Wat Mattheüs in de gelijkenis van het mosterdzaad en de gelijkenis van het zuurdesem „het Koninkrijk der hemelen” noemt, heet bij Markus en Lukas „het Koninkrijk Gods” (Mattheüs 13:31–33; Markus 4:30–32; Lukas 13:18–21).
Het zijn daarom geen twee losstaande koninkrijken waarvan het ene uitsluitend de duizend jaren en het andere uitsluitend de eeuwige toestand betreft. Het gaat om Gods ene Koninkrijksheerschappij, die in verschillende fasen en vanuit verschillende gezichtspunten wordt beschreven. Gods regering werkt nu reeds geestelijk in degenen die Hem toebehoren, wordt in het Messiaanse Koninkrijk zichtbaar over de aarde uitgeoefend en bereikt in de nieuwe schepping haar volkomen, onverderfelijke toestand.
“Koninkrijk der hemelen” betekent ook niet dat het Koninkrijk uitsluitend in de hemel gelegen is. Het wijst op de hemelse oorsprong en het hemelse gezag van de regering die onder Christus zichtbaar op aarde wordt gevestigd. “Koninkrijk Gods” is de bredere benaming voor Gods heerschappij en kan zowel haar tegenwoordige geestelijke werking, haar toekomstige Messiaanse openbaring als haar eeuwige voltooiing omvatten.
De twee uitdrukkingen mogen daarom niet kunstmatig worden gescheiden. Wel moet bij iedere tekst worden onderzocht welk aspect en welke fase van Gods Koninkrijk de context behandelt.
“Vlees en bloed” weerspreekt deze natuurlijke Koninkrijksbewoners niet
Paulus schrijft:
“Dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.”
— 1 Korinthe 15:50
Op zichzelf gelezen zou dat kunnen klinken alsof geen mens met een natuurlijk lichaam ooit onder Christus’ duizendjarige regering kan leven. Maar de context gaat over de opstanding en de verandering van het verderfelijke lichaam tot onverderfelijkheid. Paulus behandelt de uiteindelijke lichamelijke erfenis van de verheerlijkte heiligen.
Mattheüs 25 gebruikt het woord “beërven” bij levende mensen die vóór het Koninkrijk worden gescheiden, zonder een opstanding of lichamelijke verandering te noemen. Jesaja en Zacharia beschrijven vervolgens geboorte, kinderen, ouderdom, landbouw en zelfs nog aanwezige dood onder de Messiaanse regering.
De Schrift spreekt dus niet over twee verschillende koninkrijken, maar over twee verschillende lichamelijke posities binnen de Koninkrijksorde:
- de heiligen die het Koninkrijk in onverderfelijk opstandingsleven beërven en met Christus regeren;
- de geredde natuurlijke mensen die als levende aardse onderdanen tot de duizendjarige Koninkrijksorde worden toegelaten.
De schapen uit Mattheüs 25 beërven als levende, geredde mensen de aardse Koninkrijksorde. Zij ontvangen werkelijk het eeuwige leven, maar hun sterfelijke lichamen worden bij dat oordeel niet onmiddellijk veranderd. De volledige lichamelijke erfenis in onverderfelijkheid waarvan 1 Korinthe 15 spreekt, vereist wel die verandering.
De tweede groep moet uiteindelijk daarom eveneens onsterfelijkheid ontvangen. Maar de Schrift zegt niet dat dit reeds bij hun toegang tot het millennium gebeurt.
Jesaja toont geboorte, ouderdom en dood in de Koninkrijksorde
Jesaja 65 beschrijft een wereld van buitengewone zegen. Gods volk bouwt huizen en bewoont die, plant wijngaarden en geniet zelf de vrucht. De dagen van Gods volk zullen zijn als de dagen van een boom. Arbeid wordt niet meer door een vijand geroofd en het dierenrijk wordt vreedzaam.
Tegelijk staat er:
“Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.”
— Jesaja 65:20
En vervolgens:
“Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des HEEREN, en hun nakomelingen met hen.”
— Jesaja 65:23
Deze mensen:
- krijgen zuigelingen;
- baren kinderen;
- hebben nakomelingen;
- bouwen en planten;
- leven uitzonderlijk lang;
- maar bevinden zich nog in een wereld waarin sterven mogelijk is en een zondaar vervloekt kan worden.
Daarom kan deze beschrijving niet volledig samenvallen met de eeuwige toestand van Openbaring 21. Daar staat uitdrukkelijk dat de dood niet meer zal zijn. Jesaja overziet Gods grote herscheppende toekomst, maar beschrijft binnen dat vergezicht ook de voorafgaande Messiaanse Koninkrijksorde waarin de vloek sterk wordt teruggedrongen zonder dat de laatste vijand, de dood, reeds volledig verdwenen is.
Jesaja bewijst daarmee rechtstreeks dat er tijdens die Koninkrijksorde natuurlijke generaties bestaan.
Ook Zacharia toont ouderen, kinderen en doorgaande volken
Zacharia beschrijft het herstelde Jeruzalem:
“Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem... En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten.”
— Zacharia 8:4–5
Dit zijn geen beelden die passen bij uitsluitend verheerlijkte mensen die niet meer trouwen en niet meer sterven. Het gaat om een herstelde aardse samenleving met ouderdom, gezinnen en kinderen.
Zacharia 14 zegt bovendien dat de overgeblevenen uit de volken jaarlijks naar Jeruzalem zullen optrekken om de Koning, de HEERE der heirscharen, te aanbidden en het Loofhuttenfeest te vieren. Wanneer een volk niet optrekt, blijft de regen over dat land uit (Zacharia 14:16–19).
Christus regeert dus werkelijk over doorgaande aardse volken. Zijn regering is volmaakt rechtvaardig, maar zij wordt ook gehandhaafd. De mogelijkheid van ongehoorzaamheid bestaat onder de natuurlijke bevolking; de Koning laat haar niet ongestraft.
Bij de aanvang is er geen ongelovige natuurlijke bevolking
Leg nu de lijnen samen.
Vóór de Koninkrijksorde:
- vernietigt Christus het beest en de verzamelde vijandelijke legers;
- scheiden Zijn engelen de bozen uit het midden der rechtvaardigen;
- gaan de bokken in de eeuwige straf;
- worden de opstandigen uit Israël uitgezuiverd;
- wordt het overblijfsel van Israël tot de Doorstokene gebracht;
- beërven de rechtvaardige schapen het Koninkrijk.
Daarom begint het millennium niet met een verborgen groep ongelovigen die aan Christus’ oordeel is ontsnapt. De natuurlijke beginbevolking bestaat uit geredde mensen.
Dat is een reine aanvang in de zin dat iedere toegelaten persoon Christus werkelijk toebehoort. Het betekent niet dat deze natuurlijke mensen reeds de zondeloze en onsterfelijke toestand van de opstanding bezitten. Zij staan niet meer onder eeuwige veroordeling, maar wel onder de volmaakt rechtvaardige regering van hun Koning.
Dat maakt de laatste opstand juist zo leerzaam. De vijanden aan het einde kunnen niet eenvoudig dezelfde ongelovigen zijn die vóór het millennium werden verwijderd. Er zijn duizend jaren verstreken waarin de natuurlijke Koninkrijksbewoners kinderen, kleinkinderen en verdere nakomelingen hebben gekregen.
Uit die latere generaties komen de laatste opstandelingen voort.
Wedergeboorte wordt niet door natuurlijke geboorte geërfd
De oorspronkelijke Koninkrijksbewoners zijn gered. Maar hun kinderen worden niet automatisch als wedergeboren mensen geboren.
Johannes schrijft over degenen die Christus aannemen en in Zijn Naam geloven:
“Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.”
— Johannes 1:13
Geestelijke geboorte komt niet “uit den bloede”. Gelovige ouders kunnen hun kinderen onder Gods Woord opvoeden, maar zij kunnen hun het nieuwe leven niet door lichamelijke afstamming meegeven.
Jezus zegt:
“Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”
— Johannes 3:3
Twee verzen later verklaart Hij dit “zien” als werkelijk ingaan:
“Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.”
— Johannes 3:5
“Zien” betekent in deze context daarom niet slechts iets met de lichamelijke ogen waarnemen. Het betekent de Koninkrijkswerkelijkheid reddend kennen, ervaren en binnengaan. Hetzelfde hoofdstuk zegt over degene die de Zoon ongehoorzaam is:
“Die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”
— Johannes 3:36
“Het leven niet zien” betekent niet dat een ongelovige nooit een levend mens kan bekijken, maar dat hij het eeuwige leven niet bezit of ontvangt. Zo betekent “het Koninkrijk Gods niet zien” in Johannes 3:3 niet dat een onwedergeboren mens nooit de zichtbare regering van Christus kan aanschouwen.
Een kind dat tijdens het millennium wordt geboren, kan Christus lichamelijk als Koning zien, in het land van Zijn regering wonen, naar Jeruzalem optrekken en de uiterlijke Koninkrijkszegeningen ervaren. Toch heeft het zonder persoonlijk geloof geen reddend deel aan Gods Koninkrijk en bezit het het eeuwige leven niet. Het leeft binnen de zichtbare, aardse Koninkrijksorde, maar moet wederom geboren worden om Gods Koninkrijk werkelijk in te gaan en blijvend te beërven.
Jezus zegt bovendien:
“Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.”
— Johannes 3:6
Een natuurlijk geboren kind ontvangt menselijk leven van zijn ouders. Het moet echter zelf door de Geest uit God geboren worden. Uiterlijke aanwezigheid onder Christus’ regering is niet hetzelfde als innerlijke wedergeboorte. Dat beginsel verandert niet doordat Jezus zichtbaar in Jeruzalem regeert.
Alle natuurlijke mensen stammen nog steeds van Adam af. Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood; zo is de dood tot alle mensen doorgegaan (Romeinen 5:12). Een uitzonderlijk gezegende omgeving verwijdert die geërfde gevallen natuur niet.
Daarom moet iedere generatie persoonlijk op Christus vertrouwen.
Een volmaakte omgeving is niet hetzelfde als een vernieuwd hart
De omstandigheden tijdens het millennium zijn beter dan in enige eerdere menselijke samenleving:
- Jezus Christus regeert zichtbaar en rechtvaardig;
- Satan kan de volken niet verleiden;
- oorlog wordt onderdrukt;
- schepping, landbouw en levensduur worden buitengewoon gezegend;
- Gods wet en kennis gaan vanuit Sion over de aarde uit;
- verheerlijkte heiligen dienen en regeren met Christus.
Toch kan geen van deze uiterlijke zegeningen het nieuwe hart vervangen.
De menselijke geschiedenis laat telkens hetzelfde zien. Adam zondigde in een onbedorven hof. Israël zondigde ondanks Gods zichtbare wonderen. Mensen verwierpen Christus terwijl Hij vol genade en waarheid onder hen woonde. De laatste opstand bewijst ten slotte dat zelfs duizend jaar volmaakte regering geen zondaar innerlijk vernieuwt.
Het probleem van de mens is niet in de eerste plaats een slechte omgeving, onvoldoende onderwijs of een onrechtvaardige regering. Jezus zegt dat uit het hart boze bedenkingen en zonden voortkomen (Markus 7:21–23). Jeremia noemt het hart arglistig, meer dan enig ding (Jeremia 17:9).
Alleen God kan een nieuw hart geven.
De ijzeren roede maakt uiterlijke gehoorzaamheid mogelijk
Christus regeert niet als een machteloze adviseur. Psalm 2 zegt dat de Zoon de heidenen als erfdeel ontvangt en hen met een ijzeren scepter regeert. Openbaring past die heerschappij rechtstreeks op Jezus Christus toe (Psalm 2:8–9; Openbaring 19:15).
De ijzeren roede betekent dat opstand niet vrij kan uitgroeien tot een concurrerende wereldmacht. Recht en gerechtigheid worden onmiddellijk gehandhaafd. Zacharia’s waarschuwing over het onthouden van regen toont concreet dat ongehoorzame volken met werkelijke regeringsmaatregelen worden geconfronteerd.
Daardoor kan iemand zich uiterlijk aan Christus’ regering onderwerpen zonder Hem innerlijk lief te hebben. De Psalmen kennen het beginsel van vijanden die zich vanwege Gods grote macht “geveinsdelijk” onderwerpen (Psalm 66:3; 81:16). Dat bewijst op zichzelf niet ieder detail van het millennium, maar het past nauwkeurig bij wat Openbaring 20 uiteindelijk zichtbaar maakt.
Zolang Christus met ijzeren rechtvaardigheid regeert en Satan gebonden is, kan de verborgen vijandschap niet tot een succesvolle wereldwijde opstand uitgroeien. Maar zij kan wel in onwedergeboren harten aanwezig zijn.
Satans binding verwijdert verleiding, niet de zondige natuur
Openbaring noemt het doel van Satans opsluiting:
“Opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn.”
— Openbaring 20:3
Dit vers zegt niet dat de natuurlijke mens geen zondige natuur meer heeft. Het zegt dat Satan gedurende die periode zijn vroegere verleidende activiteit onder de volken niet kan uitoefenen.
De binding verandert dus de omstandigheden buiten de mens. De wedergeboorte verandert de mens vanbinnen.
Wie tijdens het millennium gelooft, ontvangt eeuwig leven. Wie slechts uiterlijk meedoet, blijft ondanks alle zegeningen geestelijk dood. Zijn vijandschap kan door de sterke regering worden beteugeld, maar is daarmee niet genezen.
De loslating van Satan brengt de verborgen werkelijkheid openbaar
Na de duizend jaren verandert één beslissende omstandigheid:
“En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis ontbonden worden.”
— Openbaring 20:7
Hij gaat uit om de volken in de vier hoeken der aarde te verleiden. De mensen die hij verzamelt zijn talrijk “als het zand aan de zee”. Zij trekken over de breedte van de aarde op en omsingelen “de legerplaats der heiligen en de geliefde stad” (Openbaring 20:8–9).
Satan schept hun vijandschap niet uit niets. Zijn verleiding vindt aansluiting bij harten die zich nooit door geloof aan Christus hebben toevertrouwd. De loslating geeft hun de gelegenheid om gezamenlijk te openbaren wat onder de uiterlijke gehoorzaamheid verborgen lag.
Dat hun getal als het zand aan de zee is, hoeft ons niet te verbazen. Duizend jaar is een zeer lange periode voor natuurlijke mensen die uitzonderlijk oud worden, kinderen krijgen en onder buitengewone gezondheid en vruchtbaarheid leven. Uit de kleine beginbevolking kunnen vele opeenvolgende en sterk groeiende generaties voortkomen.
Openbaring noemt deze verzamelde volken “Gog en Magog”. Dat is niet dezelfde oorlog als Ezechiël 38–39. Ezechiëls oorlog behoort bij Christus’ wederkomst en wordt gevolgd door zeven jaar wapenverbranding, zeven maanden begrafeniswerk en een doorgaande aardse Koninkrijksorde. Openbaring 20 plaatst zijn Gog en Magog ná de duizend jaren en direct vóór de grote witte troon en de nieuwe hemel en aarde.
De namen duiden hier het karakter van de laatste wereldwijde opstand aan: opnieuw verzamelen volken zich tegen Gods volk, Gods stad en Gods heerschappij.
De oorspronkelijke schapen verliezen hun redding niet
De laatste opstand mag nooit worden gebruikt om te leren dat de schapen uit Mattheüs 25 na duizend jaar alsnog verloren gaan.
Christus noemt hen:
- gezegenden van Zijn Vader;
- rechtvaardigen;
- erfgenamen van het Koninkrijk;
- ontvangers van het eeuwige leven.
Eeuwig leven kan niet duizend jaar later alsnog tijdelijk blijken te zijn. Jezus zegt over Zijn schapen:
“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”
— Johannes 10:28
Wie werkelijk in Christus gelooft, komt niet in de verdoemenis (Johannes 5:24). De oorspronkelijke Koninkrijksbewoners en alle mensen die tijdens het millennium werkelijk geloven, blijven daarom voor eeuwig gered.
Dat sluit beoordeling van hun concrete wandel niet uit. Zoals een gelovige nu door de Heere kan worden getuchtigd zonder met de wereld veroordeeld te worden, zo kan Christus tijdens Zijn zichtbare regering iedere ongehoorzaamheid onmiddellijk behandelen zonder de eeuwige bestemming van Zijn verloste onderdaan opnieuw ter discussie te stellen. De ijzeren roede bewaakt Zijn rechtvaardige orde; zij verbreekt Zijn belofte van eeuwig leven niet.
De laatste opstandelingen zijn geen wedergeboren mensen die het eeuwige leven verliezen. Het zijn natuurlijke nakomelingen die onder Christus’ regering zijn geboren, zich uiterlijk hebben aangepast, maar nooit persoonlijk uit God geboren zijn.
Dat onderscheid bewaart zowel de ernst van Openbaring 20 als de absolute zekerheid van Christus’ beloften.
De laatste opstand eindigt onmiddellijk
De opstand bereikt nooit een langdurige oorlog tegen Christus. Wanneer de volken de legerplaats der heiligen en de geliefde stad omsingelen, daalt vuur van God uit de hemel en verslindt hen (Openbaring 20:9).
Er is geen tweede Armageddoncampagne, geen nieuw wereldrijk en geen strijd om de vraag wie zal overwinnen. De regering van Christus is nooit werkelijk in gevaar.
De laatste opstand maakt definitief openbaar:
- dat Satan na duizend jaar beperking nog steeds Gods vijand is;
- dat uiterlijke gehoorzaamheid geen wedergeboorte is;
- dat een volmaakte omgeving het zondige hart niet geneest;
- dat de mens alleen door Gods genade en persoonlijk geloof in Christus gered wordt;
- en dat iedere opstand tegen Gods Koning onmiddellijk en rechtvaardig eindigt.
Daarna wordt Satan in de poel des vuurs geworpen. De grote witte troon volgt en de oude hemel en aarde maken plaats voor de eeuwige toestand waarin geen dood, vloek of opstand meer bestaat.
De overgang van millenniale gelovigen naar de eeuwige toestand
Natuurlijke Koninkrijksbewoners zijn werkelijk gered, maar hun lichaam is nog niet verheerlijkt. Zij blijven mensen van vlees en bloed, kunnen nog zondigen en staan onder Christus’ volmaakte regering en Vaderlijke tucht. De Schrift leert nergens dat een gelovige tijdens het millennium bij zijn wedergeboorte automatisch lichamelijk onsterfelijk wordt.
Jesaja 65 plaatst geboorte, zeer hoge ouderdom en dood binnen deze Koninkrijksorde. Ook een natuurlijke gelovige kan lichamelijk sterven; eeuwig leven en lichamelijke onsterfelijkheid zijn niet hetzelfde. De reeds bekende Schriftregel blijft gelden dat God een gelovige zelfs door lichamelijke dood kan kastijden zonder hem met de wereld te veroordelen (1 Korinthe 11:30–32).
Wie tijdens het millennium als gelovige sterft, moet vóór de eeuwige toestand worden opgewekt. Hij leefde tijdens het millennium nog in een natuurlijk, sterfelijk lichaam. Na de duizend jaren openbaart de Schrift geen afzonderlijke opstanding naast de grote-witte-troonscène. Daarom staat hij daar onder „de doden, klein en groot”, wordt hij in het boek des levens gevonden en ondergaat hij de tweede dood niet.
De gelovigen die het einde van het millennium levend bereiken, moeten eveneens onsterfelijkheid ontvangen. De Schrift maakt die verandering noodzakelijk, maar dateert het exacte moment ervan niet. Hun lichamelijke overgang verschilt dus, maar hun eeuwige zekerheid niet: wie in Jezus Christus gelooft, heeft eeuwig leven.
Het onderscheid tussen de eerste opstanding, de grote witte troon en de tweede dood wordt volledig uitgewerkt in Welke oordelen noemt de Bijbel?
Het Evangelie blijft in iedere bedeling hetzelfde
Niemand gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen omdat hij de verdrukking toevallig heeft overleefd. Niemand wordt tijdens het millennium gered omdat hij in een gelovig gezin wordt geboren. Niemand ontvangt eeuwig leven door uiterlijke onderwerping aan Christus’ regering.
De zondaar moet persoonlijk in Jezus Christus geloven.
Jezus is de Zoon van God Die voor onze zonden stierf, werd begraven en op de derde dag opstond. Hij droeg aan het kruis het oordeel dat wij verdiend hadden. Eeuwig leven wordt niet verdiend door goede werken, volharding, afkomst, doop, kerklidmaatschap of gehoorzaamheid. Het is Gods vrije gave aan degene die op Christus vertrouwt.
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Dat geldt nu, tijdens Daniëls zeventigste week en gedurende het duizendjarig Koninkrijk. De omstandigheden verschillen, maar de Zaligmaker niet. Natuurlijke geboorte brengt natuurlijk leven voort; alleen geloof in Christus ontvangt eeuwig leven.
Conclusie
Bij Christus’ zichtbare wederkomst wordt de aarde niet zonder onderscheid het duizendjarig Koninkrijk binnengeleid. De Koning scheidt en zuivert.
De opgestane en verheerlijkte heiligen regeren met Hem. Zij behoren tot de eerste opstanding, zijn onsterfelijk en planten zich niet voort. Christus’ eigen verschijningen gedurende de veertig dagen na Zijn opstanding tonen dat zij met een verheerlijkt lichaam werkelijk onder natuurlijke mensen kunnen leven, spreken, dienen en regeren zonder opnieuw door zonde of verderf te worden aangetast.
Daarnaast gaan levende gelovigen in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen: het gelouterde overblijfsel van Israël en de rechtvaardige schapen uit de volken. Zij zijn werkelijk gered en bezitten eeuwig leven, maar hun lichamen zijn nog niet verheerlijkt. Daarom bouwen zij, planten zij, trouwen zij en krijgen zij kinderen.
Hun toelating is definitief ten aanzien van hun eeuwige bestemming, niet een onaangekondigde lichamelijke volmaking. Zij kunnen nooit meer met de ongelovige wereld veroordeeld worden. Toch blijven zij zolang hun lichaam niet is veranderd natuurlijke mensen onder Christus’ heilige regering. Hun nieuwe leven komt uit God; hun nog natuurlijke wandel staat onder de onmiddellijke heerschappij van de Koning, Die met een ijzeren roede regeert en iedere ongehoorzaamheid volmaakt rechtvaardig behandelt.
Bij de aanvang zijn geen ongelovigen als natuurlijke Koninkrijksbewoners toegelaten. Toch worden in de loop van duizend jaar vele nieuwe mensen geboren. Zij erven hun menselijke, Adamitische natuur, maar niet het nieuwe leven uit God. Zij kunnen Christus’ zichtbare Koninkrijksregering lichamelijk zien en onder haar zegeningen leven, maar zonder wedergeboorte hebben zij geen reddend deel aan Gods Koninkrijk. Ieder van hen moet persoonlijk in Jezus Christus geloven.
Onder Christus’ ijzeren en volmaakt rechtvaardige regering kan verborgen ongeloof zich lange tijd uiterlijk onderwerpen. Satan kan de volken niet verleiden zolang hij gebonden is. Wanneer hij na duizend jaar wordt losgelaten, vindt zijn leugen echter aansluiting bij de onwedergeboren mensen uit de latere generaties. Zij verzamelen zich als het zand aan de zee tegen de heiligen en de geliefde stad.
Daar komen de laatste opstandelingen vandaan.
Niet uit gelovigen die hun eeuwige leven verliezen. Niet uit bokken die heimelijk aan Christus’ oordeel ontsnapten. Maar uit natuurlijke nakomelingen van de geredde beginbevolking die zelf nooit wedergeboren werden.
Hoe deze verheerlijkte en natuurlijke groepen vervolgens samenleven, wordt beeldend uitgewerkt in Hoe ziet het leven in het duizendjarig Koninkrijk eruit?. Het oordeel dat na de laatste opstand volgt, staat in Wie staat voor de grote witte troon?.
De laatste opstand bewijst daarmee voor de laatste keer dat de mens niet door afkomst, omgeving of regering wordt gered. Zelfs onder de zichtbare heerschappij van de volmaakte Koning blijft één persoonlijke noodzaak bestaan:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
De eerste opstanding: één orde in verschillende fasen
Volgende artikel:
Hoe ziet het leven in het duizendjarig Koninkrijk eruit?
Serieoverzicht: