De schapen en de bokken uitgelegd

Het oordeel over de levende volken bij Christus’ wederkomst

De schapen en de bokken uitgelegd

Het oordeel over de levende volken bij Christus’ wederkomst

Mattheüs 25:31–46 beschrijft het oordeel over de levende heidenvolken bij Christus’ wederkomst. De rechtvaardige schapen gaan in natuurlijke lichamen het duizendjarig Koninkrijk binnen. De ongelovige bokken gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur, duizend jaar vóór de grote witte troon. Hun werken veroorzaken hun eeuwige positie niet.

De schapen en de bokken van Mattheüs 25 uitgelegd

Het oordeel over de levende volken bij Christus’ wederkomst

De schapen en de bokken worden vaak voorgesteld als het algemene laatste oordeel. Alle mensen uit alle tijden zouden na hun opstanding voor God verschijnen. Daarna zou Christus aan de hand van hun liefdadigheid bepalen wie naar de hemel en wie naar de hel gaat.


Maar dat kan niet zijn wat Mattheüs 25 leert.


De passage begint niet na de duizend jaren en noemt geen opstanding van doden. Zij begint wanneer de Zoon des mensen zichtbaar in Zijn heerlijkheid komt. De dan nog levende volken worden voor Hem vergaderd. De schapen beërven vervolgens het Koninkrijk dat de gekomen Koning op aarde vestigt; de bokken gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur.


Ook leert Christus hier geen redding door werken. De schapen worden reeds vóór de opsomming van hun daden „gezegenden Mijns Vaders” genoemd. Daarna noemt Christus hen „de rechtvaardigen”. Zij kopen het Koninkrijk niet, maar beërven wat voor hen bereid is. De gehele Schrift verklaart hoe een goddeloze rechtvaardig wordt: door geloof, zonder werken.


De hoofdconclusie luidt daarom:


Bij Zijn zichtbare wederkomst oordeelt Jezus Christus de dan nog levende heidenvolken. De gelovige overlevenden zijn de rechtvaardige schapen die in natuurlijke lichamen het duizendjarig Koninkrijk binnengaan. De ongelovige overlevenden zijn de bokken die rechtstreeks in het eeuwige vuur gaan. Israël wordt afzonderlijk gelouterd en de Gemeente is reeds bij Christus.


Om dit zuiver te zien, moeten tijdstip, deelnemers en uitkomsten uit elkaar worden gehouden.



1. De passage beschrijft een toekomstige rechtszitting


Christus begint:

“En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.”
— Mattheüs 25:31

Bij de wijze en dwaze maagden stond: „Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan…” Bij de talenten stond: „Want het is gelijk een mens…” Maar vers 31 begint anders. Christus kondigt een toekomstige gebeurtenis aan: wanneer Hij komt, dan zal Hij zitten en oordelen.



De vergelijking met een herder maakt de scheiding aanschouwelijk, maar de rechtszitting zelf is werkelijk:

“En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.”
— Mattheüs 25:32

De tekst bevat een duidelijke volgorde:


  1. de Zoon des mensen komt in heerlijkheid;
  2. de heilige engelen komen met Hem;
  3. Hij gaat zitten op Zijn heerlijkheidstroon;
  4. de volken worden voor Hem vergaderd;
  5. Hij scheidt hen in twee groepen;
  6. de schapen beërven het Koninkrijk;
  7. de bokken gaan in het eeuwige vuur.


Er staat nergens dat tussen deze handelingen ongemerkt duizend jaren verlopen.



2. Het tijdstip is direct na de grote verdrukking


Mattheüs 25 behoort tot één doorgaande rede die in Mattheüs 24 begint en in Mattheüs 26:1 formeel wordt afgesloten. De discipelen vragen op de Olijfberg naar Christus’ komst en de voleinding der wereld. Christus spreekt vervolgens over:


  • Daniël de profeet;
  • de gruwel der verwoesting;
  • de heilige plaats;
  • Judéa en de sabbat;
  • de vlucht naar de bergen;
  • de grote verdrukking;
  • en Zijn zichtbare wederkomst.


Hij plaatst die komst uitdrukkelijk na de verdrukking:

“En terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.”
— Mattheüs 24:29–30

Mattheüs 25:31 herneemt dezelfde kenmerken:


  • dezelfde titel: de Zoon des mensen;
  • dezelfde komst;
  • dezelfde heerlijkheid;
  • dezelfde engelen;
  • dezelfde voleinding.


De schapen-en-bokkenscheiding vindt daarom plaats bij Christus’ zichtbare wederkomst aan het einde van Daniëls zeventigste week.



3. „De troon Zijner heerlijkheid” staat vóór het duizendjarig Koninkrijk


Mattheüs heeft de uitdrukking „de troon Zijner heerlijkheid” al eerder verklaard:

“Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.”
— Mattheüs 19:28

Deze troon behoort bij „de wedergeboorte”: de vernieuwde aardse Koninkrijksorde waarin Christus regeert. De twaalf apostelen ontvangen daarin twaalf tronen met betrekking tot de twaalf stammen van Israël.



Mattheüs 25 gebruikt exact dezelfde troonuitdrukking en brengt daarna de volken voor de Koning. De gedeelten vullen elkaar aan:

Mattheüs 19:28 Mattheüs 25:31–32
De Zoon des mensen op de troon Zijner heerlijkheid De Zoon des mensen op de troon Zijner heerlijkheid
De wedergeboorte van de Koninkrijksorde De komst die deze Koninkrijksorde opent
De twaalf stammen van Israël Al de volken
De twaalf apostelen als mederechters De Koning scheidt de volken

Dit is niet de grote witte troon. Die verschijnt in Openbaring 20 pas nadat Christus duizend jaar geregeerd heeft, Satan nog eenmaal is losgelaten en de laatste opstand is beëindigd. Mattheüs 25 staat juist aan de ingang van het duizendjarig Koninkrijk.



4. De geoordeelden zijn levende overlevenden


Mattheüs 25 noemt nergens:


  • graven die geopend worden;
  • doden die opstaan;
  • de zee die haar doden geeft;
  • boeken die geopend worden;
  • of dood en dodenrijk die hun doden afstaan.


De Koning komt naar de aarde. De daar aanwezige volken worden voor Hem gebracht. Eén groep gaat vervolgens het Koninkrijk binnen dat nu begint.


Het betreft daarom levende natuurlijke mensen die de oordelen, vervolgingen en oorlogen van Daniëls zeventigste week lichamelijk hebben overleefd. Dat zij nog leven, geeft hun echter niet automatisch toegang tot het Koninkrijk. Eerst scheidt de Koning de gelovigen van de ongelovigen.


Dit verklaart waarom de schapen niet eerst uit de dood hoeven op te staan en evenmin lichamelijk verheerlijkt worden. Zij staan reeds levend voor Christus.



5. Welke „volken” worden hier vergaderd?


„Al de volken” mag niet automatisch worden uitgelegd als één ongedifferentieerde menigte van Israël, de Gemeente en alle overleden mensen. De Som van Gods Woord bewaart aan deze Koninkrijksgrens drie onderscheiden groepen.


Christus vergadert mensen uit de volken, maar scheidt hen persoonlijk zoals een herder afzonderlijke schapen van afzonderlijke bokken scheidt. Een staat of regering wordt niet als collectief behouden terwijl iedere inwoner automatisch dezelfde eeuwige bestemming ontvangt. Het gaat om afzonderlijke mensen binnen de verzamelde volkenwereld.



De Gemeente


De Gemeente bestaat uit gelovige Joden en heidenen die samen één lichaam in Christus vormen. Zij wordt vóór Daniëls zeventigste week opgenomen en lichamelijk veranderd:

“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.”
— 1 Thessalonicenzen 4:17

Wanneer Christus zichtbaar verschijnt, wordt de Gemeente met Hem geopenbaard in heerlijkheid:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.”
— Kolossenzen 3:4

Wie reeds veranderd en bij Christus is, staat niet tegelijk als natuurlijke overlevende tussen de schapen en bokken. Zie ook de opname vóór Daniëls zeventigste week.



Israël


Israël wordt profetisch van de heidenvolken onderscheiden:

“Zie, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.”
— Numeri 23:9

Aan de Koninkrijksgrens behandelt God Israël afzonderlijk:

“En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds. En Ik zal de wederstrevers van ulieden en degenen die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren.”
— Ezechiël 20:37–38

God zuivert de opstandigen uit en herstelt het gelovige overblijfsel. Israël wordt daarom niet als een willekeurig onderdeel van de heidenvolken in Mattheüs 25 opgenomen.


Hoe God het afvallige Israël in het land en onder de verstrooiing afzonderlijk verwijdert, wordt uitgewerkt in waar is afvallig Israël bij de wederkomst?


Mattheüs 13 bevestigt dezelfde ordening door Israël als een verborgen schat in de wereldakker te tonen. De schat bevindt zich in de akker, maar is niet hetzelfde als de tarwe en het onkruid die op de akker groeien. Israël heeft binnen Gods plan een eigen plaats.



De levende heidenvolken


De mensen die als schapen en bokken worden gescheiden, zijn de niet-Israëlitische natuurlijke overlevenden van Daniëls zeventigste week:


  • gelovige overlevenden worden als schapen rechts geplaatst;
  • ongelovige overlevenden worden als bokken links geplaatst.


Paulus bewaart hetzelfde grondonderscheid wanneer hij spreekt over „de Joden”, „de Grieken” en „de Gemeente Gods” (1 Korinthe 10:32). De groepen mogen niet worden samengeperst wanneer God ze onderscheidt.



6. Wie zijn na de opname nog op aarde?


Bij de opname wordt ieder levend lid van het lichaam van Christus weggenomen. Direct daarna zijn de natuurlijke achterblijvers daarom ongelovig:


  • ongelovig Israël;
  • ongelovige mensen uit de volken.


Dat betekent niet dat niemand tijdens Daniëls week meer tot geloof komt. Openbaring toont juist:


  • verzegelde dienstknechten uit de stammen van Israël;
  • de twee getuigen;
  • heiligen die aan het getuigenis van Jezus vasthouden;
  • en een grote schare uit alle natiën, geslachten, volken en talen.


De Gemeentebedeling is voorbij, maar de Zaligmaker en de weg tot eeuwig leven veranderen niet. Ook in Daniëls week wordt een mens uitsluitend door geloof in Jezus Christus behouden.


Van deze mensen sterven velen als martelaar. Zij verschijnen niet als levende schapen. Anderen overleven lichamelijk tot de wederkomst. Juist deze levende gelovigen uit de heidenvolken staan als schapen voor de Koning.


Daarom moet ook voorzichtig worden gesproken over mensen die nu ongelovig zijn. Niet iedere huidige ongelovige zal dit oordeel meemaken. Iemand kan vóór de opname nog geloven en tot de Gemeente gaan behoren. Hij kan ook vóór die tijd sterven.


De nauwkeurige omschrijving is:


De schapen en bokken zijn de niet-Israëlitische natuurlijke mensen die na de opname op aarde zijn en lichamelijk tot Christus’ zichtbare wederkomst overleven. Christus scheidt hen overeenkomstig hun reeds bestaande positie van geloof of ongeloof.



7. De Koning kent de positie van ieder mens


Christus plaatst de schapen aan Zijn rechterhand en de bokken aan Zijn linkerhand. Dat is geen menselijke inschatting op grond van een onvolledig zichtbaar leven. De Koning kent de Zijnen volmaakt:

“Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend.”

— Johannes 10:14


“Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent degenen die de Zijnen zijn.”

— 2 Timotheüs 2:19

Een gelovige kan vleselijk, zwak of tijdelijk onvruchtbaar wandelen. Een ongelovige kan maatschappelijk behulpzaam en godsdienstig lijken. Wij zien de uiterlijke wandel; Christus kent geloof, positie, hart en volledige levensgeschiedenis.


Hij onderzoekt de werken dus niet om daarna te moeten raden wie werkelijk geloofde. Hij scheidt onfeilbaar:


  • rechtvaardigen en vervloekten;
  • gelovigen en ongelovigen;
  • schapen en bokken.



8. De schapen zijn reeds rechtvaardig


De Koning spreekt eerst hun positie uit:

“Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.”
— Mattheüs 25:34

Pas daarna noemt Hij wat zij gedaan hebben. Hij maakt hen door die opsomming niet tot gezegenden. Hij spreekt tot mensen die reeds gezegend zijn. In vers 37 en vers 46 noemt Christus hen bovendien „de rechtvaardigen”.



Hoe wordt een goddeloze volgens de Schrift rechtvaardig?

“Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”

— Romeinen 4:5


“Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.”

— Romeinen 3:28

Mattheüs 25 kan deze heldere leer niet omkeren. De schapen zijn door geloof gerechtvaardigd. Hun barmhartige daden hebben hun zonden niet betaald.


Ook het woord „beërft” is belangrijk. Christus zegt niet: „Koopt het Koninkrijk dat gij door uw werken hebt verdiend.” Zij ontvangen als erfgenamen een Koninkrijk dat God reeds voor hen bereid heeft.



9. Waarom noemt Christus dan hun werken?


De juiste uitleg hoeft niet te kiezen tussen twee verkeerde uitersten:


  • de werken redden hen;
  • de werken betekenen helemaal niets.


Hun daden zijn werkelijk belangrijk, maar niet de verdienende oorzaak van hun eeuwige leven. De Koning noemt:


  • het voeden van een hongerige;
  • het te drinken geven van een dorstige;
  • het herbergen van een vreemdeling;
  • het kleden van een naakte;
  • het bezoeken van een zieke;
  • het opzoeken van een gevangene.


Deze daden staan in een bijzondere eindtijdcontext. De mensen die geholpen worden, zijn Christus’ vervolgde broeders en vertegenwoordigers. De Koning brengt openbaar aan het licht hoe persoonlijk Hij hun behandeling aan Zichzelf rekent.


De verbazing van de schapen bevestigt dat zij geen lijst van verdiensten hebben bijgehouden:

“Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?”
— Mattheüs 25:37

Zij vragen niet wanneer zij ooit iemand hielpen. Zij vragen wanneer zij Christus Zelf zo hebben gezien. Zijn antwoord openbaart de vereenzelviging:

“Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.”
— Mattheüs 25:40

De zes daden vormen daarom geen nieuwe reddingsformule. Christus zegt niet hoeveel maaltijden, kledingstukken of gevangenisbezoeken nodig zijn om eeuwig leven te verdienen. Hij toont hoe zwaar de behandeling van Zijn broeders voor Hem weegt.



10. Wie zijn „deze Mijn minste broeders”?


Binnen de scène staan niet slechts twee, maar drie onderscheiden groepen:


  1. de schapen;
  2. de bokken;
  3. Christus’ minste broeders, tegenover wie beide groepen gehandeld hebben.


De broeders zijn niet zonder meer alle arme mensen ter wereld. Barmhartigheid tegenover ieder mens is Bijbels, maar Christus zegt specifiek: „deze Mijn minste broeders.” Mattheüs verklaart deze woorden zelf.



Zij behoren geestelijk bij Christus

“Want zo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder en zuster en moeder.”
— Mattheüs 12:50

Na Zijn opstanding noemt Christus Zijn discipelen opnieuw „Mijn broederen” (Mattheüs 28:10). De uitdrukking wijst daarom op mensen die werkelijk bij Hem behoren.



Zij zijn gelovige discipelen


Mattheüs 18 omschrijft de kleinen nauwkeurig:

“Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert…”
— Mattheüs 18:6

De kleinen zijn mensen die in Christus geloven.



Zij vertegenwoordigen Christus


Mattheüs 10 geeft de meest rechtstreekse parallel:

“Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.”

— Mattheüs 10:40


“En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud waters, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.”

— Mattheüs 10:42

De overeenkomsten met Mattheüs 25 zijn uiterst nauwkeurig:


  • Christus zendt discipelen;
  • wie hen ontvangt, ontvangt Hem;
  • Hij noemt hen „deze kleinen”;
  • een beker water wordt genoemd;
  • de behandeling van de gezant wordt aan de Zender gerekend.


Dit beginsel loopt door in Handelingen. Wanneer Saulus de gelovigen vervolgt, vraagt Christus:

“Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?”
— Handelingen 9:4

Saulus raakte Christus in de hemel niet lichamelijk aan. Hij vervolgde Christus’ gelovigen. Toch rekende de Heere dat als vervolging van Hemzelf.


De minste broeders zijn daarom gelovige discipelen en getuigen van Christus.



11. Waarom ligt het gelovige Israëlische overblijfsel centraal?


De gehele profetische context is sterk op Israël gericht:


  • Daniëls zeventigste week is bepaald over Daniëls volk en heilige stad;
  • Mattheüs 24 spreekt over Judéa, de heilige plaats en de sabbat;
  • de Gemeente is reeds opgenomen;
  • Openbaring noemt dienstknechten uit de twaalf stammen van Israël;
  • het Evangelie des Koninkrijks wordt tot een getuigenis aan alle volken gepredikt;
  • Israël wordt bij de wederkomst gelouterd en hersteld.


Daarom is het cumulatief zeer sterk dat Christus’ minste broeders primair de vervolgde gelovige getuigen uit het Israëlische overblijfsel tijdens Daniëls week zijn.


De 144.000 passen daar bijzonder goed bij. Zij zijn uit de stammen van Israël, worden dienstknechten van God genoemd, zijn verzegeld en staan zichtbaar aan de zijde van het Lam. Toch zegt Mattheüs 25 nergens dat „Mijn minste broeders” uitsluitend de 144.000 zijn. Ook andere gelovige getuigen uit het vervolgde overblijfsel kunnen door de woorden worden omvat.


De veilige Schriftuurlijke conclusie is daarom:


Christus’ minste broeders zijn gelovige getuigen die Hem tijdens Daniëls week vertegenwoordigen, met het gelovige Israëlische overblijfsel als primaire profetische kern.



12. De verdrukking verklaart hun honger en gevangenschap


Christus had vlak daarvoor gezegd:

“Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken om Mijns Naams wil.”
— Mattheüs 24:9

En:

“En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.”
— Mattheüs 24:14

De volken ontvangen het getuigenis door mensen die om Christus’ Naam gehaat worden. Openbaring 13 voegt toe dat niemand zonder het merkteken van het beest kan kopen of verkopen.


Wie Christus trouw blijft en het merkteken weigert, kan werkelijk:


  • honger en dorst lijden;
  • kleding en onderdak verliezen;
  • als vreemdeling rondtrekken;
  • ziek worden zonder normale verzorging;
  • gevangen worden;
  • en ter dood gebracht worden.


Het voeden, herbergen of bezoeken van zo’n getuige is dan geen vrijblijvende liefdadigheid. De helper kan daardoor zelf vervolgd, uitgesloten of gedood worden. De behandeling van de broeders vindt plaats midden in de strijd tussen de ware Christus en het beest.


Toch blijft de volgorde ongewijzigd:


  1. het getuigenis bereikt de volken;
  2. mensen geloven Christus of blijven in ongeloof;
  3. hun werkelijke houding tegenover Zijn vervolgde gezanten komt binnen die geschiedenis openbaar;
  4. de alwetende Koning kent hun positie en werken volmaakt;
  5. bij Zijn komst scheidt Hij hen zonder vergissing.



13. Joël bevestigt het oordeel over de volken


Joël verbindt het verzamelen en oordelen van de heidenvolken met het herstel van Juda en Jeruzalem:

“Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden, dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal met hen aldaar richten vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël…”
— Joël 3:1–2

De grote lijnen stemmen overeen:


  • Juda en Jeruzalem worden hersteld;
  • de heidenvolken worden vergaderd;
  • God richt met hen;
  • hun behandeling van degenen die Hem toebehoren komt ter sprake;
  • daarna volgt de Koninkrijkszegen vanuit Sion.


Joël bewijst niet dat iedere natuurlijke Israëliet automatisch een gelovige broeder van Christus is. Mattheüs bepaalt „Mijn broeders” geestelijk als mensen die bij Christus behoren. De twee lijnen vullen elkaar aan: het oordeel staat in de nationale context van Israëls herstel, terwijl Christus Zich specifiek met Zijn gelovige en vervolgde getuigen vereenzelvigt.



14. De bokken zijn ongelovige vervloekten


Tot de linkerhand zegt Christus:

“Gaat weg van Mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.”
— Mattheüs 25:41

Deze woorden beschrijven niet:


  • tijdelijk verlies van loon;
  • vaderlijke kastijding van een gelovige;
  • uitsluiting van één bruiloftsmaaltijd;
  • of een lagere regeringspositie in het Koninkrijk.


Christus noemt hen „vervloekten”. Zij moeten van Hem weggaan in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Vers 46 noemt hun bestemming „de eeuwige pijn”.


Daarom mogen deze bokken niet worden vereenzelvigd met de onnutte maar behouden dienstknecht. Een behouden gelovige kan ernstig ontrouw zijn en loon of Koninkrijksvoorrechten verliezen, maar hij gaat niet in de eeuwige pijn. De context bepaalt telkens de betekenis van de oordeelstaal.


De bokken kunnen gedurende hun leven allerlei maatschappelijke goede daden hebben verricht. Christus zegt niet dat zij nooit iemand geholpen hebben. Hij noemt hun concrete verzuim tegenover Zijn vervolgde broeders. Hun ongeloof en verwerping van de ware Koning kwamen ook daarin tot uiting.



15. Eeuwige pijn betekent werkelijk eeuwige pijn


De passage eindigt:

“En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”
— Mattheüs 25:46

Dezelfde tijdsaanduiding staat aan beide kanten:


  • eeuwige pijn;
  • eeuwige leven.


Wie de eeuwige pijn tijdelijk maakt, tast met dezelfde redenering het eeuwige leven aan. Christus plaatst twee blijvende bestemmingen tegenover elkaar.


De schapen ontvangen geen tijdelijk proefleven dat zij later alsnog kunnen verliezen. De bokken ontvangen geen tijdelijke straf waarna zij opnieuw mogen kiezen. De ene groep gaat in het eeuwige leven; de andere in de eeuwige pijn.



16. De bokken gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur


Mattheüs zegt niet dat de bokken eerst sterven, duizend jaar in het dodenrijk wachten en daarna voor een tweede rechtszitting verschijnen. De Koning zegt bij dit oordeel:

“Gaat weg van Mij … in het eeuwige vuur.”

Openbaring 19 bewijst dat levende mensen vóór het duizendjarig Koninkrijk rechtstreeks in de poel des vuurs kunnen gaan:

“Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt.”
— Openbaring 19:20

Het beest en de valse profeet sterven niet eerst om op de grote witte troon te wachten. Zij worden bij Christus’ wederkomst levend in de poel geworpen.



Duizend jaar later staat er:

“En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.”
— Openbaring 20:10

Zij zijn daar na duizend jaar nog. Zij worden niet uit de poel gehaald om opnieuw geoordeeld te worden.


Dezelfde lijn geldt voor de bokken:


  1. zij staan levend voor de gekomen Koning;
  2. Christus spreekt het definitieve vonnis uit;
  3. zij gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur;
  4. zij wachten niet op de grote witte troon;
  5. hun zaak wordt duizend jaar later niet heropend.


Het vuur van Mattheüs 25 is bereid voor de duivel en zijn engelen. Openbaring noemt de poel des vuurs als de definitieve plaats waar de duivel eeuwig gepijnigd wordt. Schrift met Schrift bepaalt daarmee dezelfde eeuwige strafplaats.



17. Waarom dit niet de grote witte troon is


Openbaring beschrijft de grote witte troon na de duizend jaren:

“En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God…”
— Openbaring 20:12

Daarvóór staat:

“Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren.”
— Openbaring 20:5

De verschillen zijn fundamenteel:

Schapen en bokken Grote witte troon
Bij Christus’ zichtbare wederkomst Na de duizend jaren
Vóór het duizendjarig Koninkrijk Nadat het duizendjarig Koninkrijk geëindigd is
Levende natuurlijke mensen De doden, klein en groot
Rechtvaardigen en ongelovigen aanwezig Ongelovige doden én gestorven millenniale gelovigen aanwezig
Schapen gaan het komende Koninkrijk binnen Niemand gaat vanaf deze troon nog het voorbije millennium binnen
Bokken gaan direct in het eeuwige vuur Alleen wie niet in het boek des levens staat, gaat in de poel des vuurs

De grote witte troon is geen hoger beroepshof. Christus’ oordeel over de bokken is reeds volmaakt en definitief. Zij behoren niet meer tot „de overigen der doden” die na de duizend jaren worden opgewekt.


Lees voor de andere oordeelsscène ook wie voor de grote witte troon staat.



18. De schapen gaan in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen


Bij de opname vermeldt Paulus uitdrukkelijk een opstanding en lichamelijke verandering. Mattheüs 25 vermeldt geen van beide. De schapen staan levend voor Christus en beërven vervolgens het Koninkrijk.


Dat zij „in het eeuwige leven” gaan, vereist niet dat hun lichaam op dat ogenblik reeds verheerlijkt is. Een gelovige bezit vandaag al eeuwig leven terwijl zijn lichaam nog sterfelijk is:

“Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24

De profeten beschrijven in het Messiaanse Koninkrijk:


  • kinderen die geboren worden;
  • oude mannen en vrouwen;
  • huizen die gebouwd worden;
  • wijngaarden die geplant worden;
  • arbeid en natuurlijke voortplanting;
  • volken die naar Jeruzalem optrekken.


Verheerlijkte heiligen trouwen niet en krijgen geen kinderen. De aarde heeft daarom een geredde natuurlijke beginbevolking nodig. Het gelouterde Israël en de rechtvaardige schapen uit de volken vormen die bevolking. Zie de uitgebreide studie wie het duizendjarig Koninkrijk binnengaat.


De schapen kunnen later niet alsnog hun eeuwige leven verliezen. De opstand na de duizend jaren komt voort uit natuurlijke nakomelingen die persoonlijk niet geloven, niet uit oorspronkelijke schapen die alsnog bokken worden.



19. Mattheüs 13 beschrijft dezelfde scheiding


De gelijkenissen van het onkruid en het visnet hadden dit oordeel reeds in beelden aangekondigd.


Bij het onkruid verklaart Christus:


  • de akker is de wereld;
  • het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks;
  • het onkruid zijn de kinderen des bozen;
  • de oogst is de voleinding;
  • de maaiers zijn de engelen.


Bij het visnet gaan de engelen bij de voleinding uit en scheiden zij de bozen uit het midden der rechtvaardigen.


Mattheüs 25 toont dezelfde werkelijkheid historisch:

Mattheüs 13 Mattheüs 25
De voleinding De Zoon des mensen komt in heerlijkheid
De engelen voeren de scheiding uit De heilige engelen zijn met Hem
Tarwe en onkruid Schapen en bokken
Goede en kwade vissen Rechtvaardigen en vervloekten
Rechtvaardigen ontvangen Koninkrijks heerlijkheid Schapen beërven het Koninkrijk
Bozen gaan in de vurige oven Bokken gaan in het eeuwige vuur

De exacte positionele verbinding is:


Tarwe = goede vissen = schapen = gelovige, gerechtvaardigde mensen uit de levende heidenvolken.


Onkruid = kwade vissen = bokken = ongelovige mensen uit de levende heidenvolken.


De ontwikkeling van tarwe en onkruid begint eerder en loopt tot de voleinding. De concrete oogst betreft echter de mensen die aan het einde nog levend in de volkenwereld aanwezig zijn. De Gemeente is dan reeds opgenomen; Israël wordt afzonderlijk behandeld.


Lees de samenhang verder in Mattheüs 13 en de zeven gelijkenissen uitgelegd.



20. Dit oordeel is niet hetzelfde als dat over de maagden en dienstknechten


Mattheüs 25 bevat achtereenvolgens:


  1. de wijze en dwaze maagden;
  2. de talentendienstknechten;
  3. de schapen en bokken.


De doorgaande komstcontext verbindt deze gedeelten, maar de beschreven groepen zijn niet automatisch identiek.


De maagden en dienstknechten staan in de sfeer van Israëlische Koninkrijksverantwoordelijkheid. Zij worden gewaarschuwd over waakzaamheid, trouw, bruiloftsvreugde, loon en regeringsverantwoordelijkheid.


Bij vers 31 noemt Christus vervolgens een nieuwe oordeelgroep: „al de volken.” De bokken zijn daarom niet:


  • de dwaze maar behouden maagden;
  • de onnutte maar behouden dienstknecht;
  • of ontrouwe gelovigen die Koninkrijksloon verliezen.


De context bepaalt de oordeelstaal. Over de bokken staat rechtstreeks:


  • vervloekten;
  • eeuwige vuur;
  • eeuwige pijn.


Over de onnutte dienstknecht staat niet dat hij vervloekt is of in de eeuwige pijn gaat. Eén zwaar klinkende uitdrukking mag verschillende oordeelsscènes niet met elkaar vermengen.


Lees hiervoor ook de wijze en dwaze maagden en de onnutte dienstknecht.



21. Vier oordeelssferen die voor Mattheüs 25 uit elkaar moeten blijven


Veel verwarring verdwijnt zodra de Schriftuurlijke deelnemers en tijdstippen worden bewaard.

Groep Oordeel Tijdstip Uitkomst
De Gemeente Rechterstoel van Christus Na de opname, vóór de openbare Koninkrijksorde Werk en loon beoordeeld, de gelovige blijft behouden
Israël Verbonds loutering Aan de Koninkrijksgrens Opstandigen uitgezuiverd, gelovig overblijfsel hersteld
Levende heidenvolken Schapen en bokken Bij de wederkomst, vóór het millennium Schapen het Koninkrijk in, bokken direct het eeuwige vuur in
De dan nog op te wekken doden Grote witte troon Na de duizend jaren Werken worden beoordeeld; alleen wie niet in het boek des levens staat, gaat in de poel des vuurs

Tot de doden voor de grote witte troon behoren de ongelovige doden uit de voorafgaande tijden, de ongelovigen die tijdens het millennium stierven en ook gelovigen die tijdens het millennium in natuurlijke lichamen stierven. Die laatste groep wordt in het boek des levens gevonden en ondergaat de tweede dood niet. Zie voor de volledige ordening Welke oordelen noemt de Bijbel?


Deze verschillende oordelen betekenen geen verschillende manieren van redding. In iedere periode is Christus de enige Zaligmaker en wordt een mens door geloof gerechtvaardigd. De verschillen betreffen Gods profetische groepen, tijden en regeringshandelingen.



22. Wat deze passage niet leert


Mattheüs 25 leert niet:


  • dat liefdadigheid zonder geloof eeuwig leven verdient;
  • dat alle arme mensen zonder onderscheid „Mijn broeders” zijn;
  • dat ieder natuurlijk lid van Israël automatisch een geestelijke broeder van Christus is;
  • dat de minste broeders bewezen uitsluitend de 144.000 zijn;
  • dat alle mensen uit alle eeuwen tegelijk voor deze troon verschijnen;
  • dat de Gemeente na de opname alsnog als schapen en bokken wordt beoordeeld;
  • dat de bokken duizend jaar op de grote witte troon wachten;
  • dat de schapen bij dit oordeel lichamelijk verheerlijkt worden;
  • of dat lichamelijk overleven automatisch toegang tot het Koninkrijk geeft.


De tekst leert wél:


  • Christus komt zichtbaar in heerlijkheid;
  • de levende heidenvolken worden voor Hem vergaderd;
  • Hij kent en scheidt ieder mens volmaakt;
  • de gelovige rechtvaardigen beërven het Koninkrijk;
  • hun behandeling van Zijn vervolgde broeders wordt door Hem persoonlijk gerekend;
  • de ongelovige bokken gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur;
  • en dit gebeurt vóór het duizendjarig Koninkrijk en duizend jaar vóór de grote witte troon.



23. De troost en lering voor de Gemeente


Een behouden lid van Christus’ lichaam hoeft Mattheüs 25 niet te lezen als een verborgen dreiging dat hij later alsnog als bok wordt ontmaskerd.


Christus zegt over Zijn schapen:

“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”
— Johannes 10:28

De Gemeente wordt vóór Daniëls zeventigste week opgenomen, is niet gesteld tot toorn en verschijnt met Christus in heerlijkheid. Haar werken worden voor de rechterstoel van Christus beoordeeld, maar haar eeuwige zaak wordt bij het volkerenoordeel niet heropend.


Dat dit oordeel niet over de Gemeente als natuurlijke oordeelgroep gaat, betekent niet dat het gedeelte ons niets te zeggen heeft. Niet ieder Schriftgedeelte is rechtstreeks tot of over de Gemeente geschreven, maar de gehele Schrift is wel door God gegeven en tot onze lering geschreven:

“Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden.”

— Romeinen 15:4

Mattheüs 25 leert ons dat Christus iedere eeuwige positie volmaakt kent, dat Hij Zich persoonlijk vereenzelvigt met de geringsten van de Zijnen en dat geen daad van liefde of vijandschap Hem ontgaat. Zichtbare werken openbaren de verhouding tot de Koning, maar zij veroorzaken die verhouding niet.


Daarom zijn trouw, barmhartigheid en zorg voor gelovigen werkelijk belangrijk. Zij volgen echter op ontvangen leven; zij kopen dat leven nooit.



24. Het Evangelie blijft geloof alleen


Misschien leest u over de schapen en denkt u: heb ik genoeg hongerigen gevoed, vreemdelingen geherbergd en gevangenen bezocht om tot de rechterhand te behoren?


Dat is niet de vraag waardoor een zondaar eeuwig leven ontvangt. Geen hoeveelheid goede werken kan één zonde uitwissen. Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op uit de doden. Hij heeft het volledige verlossingswerk volbracht.


De Schrift zegt:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

Niet: wie voldoende werken verzamelt, zal misschien leven ontvangen. Wie in Jezus Christus gelooft, heeft het eeuwige leven.


De schapen van Mattheüs 25 zijn rechtvaardigen omdat zij geloofd hebben. Hun daden tegenover Christus’ vervolgde broeders staan binnen hun werkelijke geschiedenis met Hem, maar vormen niet de betaling voor hun redding.


De juiste volgorde blijft:


  1. Christus heeft de zondeschuld betaald;
  2. de mens hoort het Evangelie;
  3. hij gelooft in Jezus Christus;
  4. God rechtvaardigt hem en geeft hem eeuwig leven;
  5. daarna heeft zijn wandel werkelijke betekenis voor dienst, gemeenschap en Gods regering.



Conclusie


Mattheüs 25:31–46 beschrijft geen algemeen laatste oordeel na de duizend jaren. De gebeurtenis begint wanneer de Zoon des mensen aan het einde van Daniëls zeventigste week zichtbaar in Zijn heerlijkheid komt.


De Gemeente staat niet als natuurlijke oordeelgroep voor Hem. Zij is reeds opgenomen, veranderd en bij Christus. Israël wordt afzonderlijk onder de verbondsroede gelouterd. De mensen die als schapen en bokken worden gescheiden, zijn de nog levende natuurlijke overlevenden uit de heidenvolken.


De schapen zijn door geloof gerechtvaardigd. Christus noemt hen reeds gezegenden en rechtvaardigen voordat Hij hun daden bespreekt. Zij beërven een bereid Koninkrijk en gaan daar in natuurlijke lichamen binnen.


Christus’ minste broeders zijn gelovige getuigen die Hem vertegenwoordigen. Mattheüs 10 geeft de sleutel: wie de discipel ontvangt, ontvangt Christus; zelfs een beker water aan een kleine wordt door Hem gezien. Binnen de eindtijdcontext staat het gelovige Israëlische overblijfsel centraal, zonder dat de uitdrukking uitsluitend tot de 144.000 beperkt hoeft te worden.


De bokken zijn geen ontrouwe gelovigen, maar ongelovige vervloekten. Zij gaan bij dit oordeel rechtstreeks in het eeuwige vuur. Openbaring bewijst dat levende mensen vóór het millennium in de poel des vuurs kunnen worden geworpen en daar duizend jaar later nog zijn. De bokken verschijnen daarom niet alsnog voor de grote witte troon.


De volledige ordening is helder:


  • de Gemeente is bij Christus;
  • Israël wordt afzonderlijk gelouterd en hersteld;
  • de levende heidenvolken worden als schapen en bokken gescheiden;
  • de schapen gaan het duizendjarig Koninkrijk binnen;
  • de bokken gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur;
  • de dan nog op te wekken doden verschijnen duizend jaar later voor de grote witte troon; alleen wie niet in het boek des levens staat, ondergaat daar de tweede dood.


De rechtvaardige schapen ontvangen de Koninkrijkszegen; de ongelovige bokken ontvangen onmiddellijk hun eeuwige bestemming. Geen lid van Christus’ reeds opgenomen lichaam hoeft te vrezen later alsnog als bok voor deze troon te verschijnen.