Daniëls laatste week

Zeven jaren over Israël en Jeruzalem, verdeeld door de gruwel in het midden.

Daniëls laatste week

Zeven jaren over Israël en Jeruzalem, verdeeld door de gruwel in het midden.

Daniëls zeventigste week is een toekomstige periode van zeven jaar over Israël en Jeruzalem. In het midden laat de toekomstige vorst de offers ophouden en plaatst hij de gruwel der verwoesting. De laatste helft duurt 1260 dagen, 42 maanden of een tijd, tijden en een halve tijd en eindigt bij Christus’ zichtbare komst.

Wat is Daniëls zeventigste week?

Wie de eindtijdprofetieën wil begrijpen, kan niet om Daniël 9 heen. Daar ontvangt Daniël een profetie over zeventig weken. Negenenzestig daarvan worden eerst doorlopen; daarna blijft één laatste week over. Die ene week vormt het tijdskader waarin veel profetieën van Jezus, Paulus en Openbaring samenkomen.


Daniëls zeventigste week is een toekomstige periode van zeven jaar die God heeft bepaald over Israël en Jeruzalem. Zij begint met het versterken van een verbond voor één week, wordt halverwege opengebroken door het stopzetten van de offers en de gruwel der verwoesting, en mondt uit in de zichtbare komst en overwinning van Jezus Christus.


Dat antwoord moet zorgvuldig worden opgebouwd. De uitdrukking „zeventigste week” staat namelijk niet als een los etiket in de Bijbel. Zij komt voort uit de indeling van Daniëls zeventig weken. Ook de zevenjarige duur wordt niet slechts verondersteld: Daniël en Openbaring leggen die duur gezamenlijk vast.



Het antwoord begint bij Daniëls gebed


Daniël 9 begint niet met een abstract tijdschema. Daniël leest in de profetieën van Jeremia over de zeventig jaren van Jeruzalems verwoesting. Vervolgens zoekt hij God met gebed, vasten en schuldbelijdenis. Hij belijdt de zonden van zijn volk en smeekt om ontferming over Jeruzalem, Gods heilige berg en Gods heiligdom.


Juist in die context komt Gabriël met het antwoord:

„Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad ...”

— Daniël 9:24

De eerste identificatie is daarom glashelder:


  • „uw volk” is Daniëls volk, Israël;
  • „uw heilige stad” is Jeruzalem.


De zeventig weken zijn niet bepaald over de gemeente als het lichaam van Christus, en Daniëls volk en stad veranderen in vers 27 niet ongemerkt van identiteit. Het hele antwoord sluit aan bij het gebed waarmee het hoofdstuk begon.


Dat blijkt ook uit de inhoud van de profetie. Daniël 9 spreekt over Jeruzalem, de Messias, stad en heiligdom, slachtoffer en spijsoffer en de gruwel der verwoesting. Het terrein blijft Israël en Jeruzalem.



Het doel van de zeventig weken


Daniël 9:24 zegt niet alleen over wie de weken zijn bepaald, maar ook waartoe. Gabriël noemt zes doelen:


  1. de overtreding sluiten;
  2. de zonden verzegelen;
  3. de ongerechtigheid verzoenen;
  4. een eeuwige gerechtigheid aanbrengen;
  5. gezicht en profeet verzegelen;
  6. de heiligheid der heiligheden zalven.


Daarmee krijgt de profetie onmiddellijk haar volle diepte. De zeventigste week is niet alleen een periode van oorlog, vervolging en oordeel. Zij is het slot van Gods vastgestelde profetische weg met Israël en Jeruzalem. Aan het einde staan niet de antichrist en de verwoesting centraal, maar Gods voleinding: de zondekwestie wordt beslecht, de eeuwige gerechtigheid wordt aangebracht en Gods Messias regeert.


Het fundament daarvoor is al gelegd in het eerste komen van Christus. De Messias werd uitgeroeid en droeg de ongerechtigheid. Maar de zes doelen van Daniël 9:24 zijn met betrekking tot Daniëls volk en heilige stad nog niet in hun volle, zichtbare voltooiing gekomen. Jeruzalem leeft nog niet onder eeuwige gerechtigheid en Israël is nog niet als volk tot zijn Messias teruggekeerd. De profetie reikt daarom verder dan Golgotha alleen, tot de uiteindelijke vervulling van Gods beloften.



Zeventig weken worden verdeeld in 7, 62 en 1


Gabriël behandelt de zeventig weken niet als één ononderbroken getal. Hij verdeelt ze:


  • eerst zeven weken;
  • daarna tweeënzestig weken;
  • ten slotte één week.


De eerste twee delen vormen samen negenenzestig weken. Daniël 9:25 rekent vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te herstellen en te bouwen tot „Messias, den Vorst”: zeven weken plus tweeënzestig weken.


Daarna zegt vers 26:

„En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden ...”

De tweeënzestig weken volgen op de eerste zeven. Wanneer de Messias na die tweeënzestig weken wordt uitgeroeid, zijn dus in totaal negenenzestig weken verstreken.


Vervolgens noemt Daniël nog ingrijpende gebeurtenissen: de Messias wordt uitgeroeid en het volk van een vorst die komen zal, verwoest stad en heiligdom. Pas in vers 27 wordt gesproken over „een week”. Dat is de nog resterende zeventigste week.



De basisstructuur is daarom:

Onderdeel Profetische inhoud
7 weken Herstel en herbouw van Jeruzalem
62 weken De weg tot Messias, de Vorst
Na 7 + 62 weken De Messias wordt uitgeroeid; stad en heiligdom worden verwoest
1 laatste week Het verbond, de breuk in het midden en de voleinding

Zeven plus tweeënzestig plus één is zeventig. De laatste week mag daarom niet worden opgelost in de voorgaande negenenzestig of stilzwijgend worden geschrapt.



Waarom er ruimte ligt tussen week 69 en week 70


Soms wordt gezegd dat een tussenperiode een kunstgreep is, omdat de weken elkaar zonder onderbreking zouden moeten opvolgen. Daniël 9 zelf maakt die conclusie echter onmogelijk.


De tekst plaatst gebeurtenissen na de negenenzestigste week en beschrijft daarna de ene resterende week. De Messias wordt uitgeroeid. Vervolgens worden stad en heiligdom verwoest. Deze gebeurtenissen horen niet bij de opsomming van de eerste 69 weken, want zij vinden daarna plaats. Maar vers 27 introduceert daarna nog steeds „een week”. De tekst opent dus zelf ruimte tussen het einde van week 69 en het begin van week 70.


De Bijbel onthult later wat in die tussenperiode gebeurt. Paulus noemt het lichaam van Christus een verborgenheid die in andere eeuwen niet op dezelfde wijze bekendgemaakt was (Efeze 3:3-6). In dat ene lichaam worden gelovige Joden en heidenen door de Geest samengevoegd (1 Korinthe 12:13). Tegelijk leert Romeinen 11 dat over Israël een verharding „ten dele” is gekomen, „totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn” (Romeinen 11:25).


Het woord „totdat” is beslissend. Israëls huidige verharding is gedeeltelijk en tijdelijk. God heeft Zijn volk niet verstoten (Romeinen 11:1-2). Na de huidige verborgenheidsbedeling gaat Zijn aangekondigde weg met Israël verder. Daniëls laatste week hoort bij die hervatting, want zij blijft bepaald over Daniëls volk en heilige stad.


De lengte van de tussenperiode wordt in Daniël 9 niet gegeven. We mogen dus wel zeggen dát er ruimte is, maar niet uit Daniël berekenen hoeveel jaren zij duurt.



Waarom de zeventigste week nog toekomstig is


De doorslaggevende uitleg komt van de Heere Jezus Zelf. Hij zegt in Zijn rede over de voleinding:

„Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats ... dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen.”
— Mattheüs 24:15-16

Jezus neemt Daniëls gruwel niet als een afgesloten gebeurtenis uit een ver verleden. Hij plaatst hem in de profetische weg naar Zijn zichtbare komst. Na de gruwel volgen de vlucht uit Judea en een ongekende grote verdrukking. „Terstond na de verdrukking” worden de zon en de maan verduisterd en verschijnt het teken van de Zoon des mensen; dan zien de volken Hem komen op de wolken des hemels (Mattheüs 24:21, 29-30).


Paulus beschrijft hetzelfde eindtijdcomplex. De mens der zonde verheft zich, gaat in de tempel Gods zitten en vertoont zichzelf alsof hij God is. De Heere Jezus zal hem verdoen „door de verschijning Zijner toekomst” (2 Thessalonicenzen 2:3-4, 8).


Openbaring toont vervolgens de godslasterlijke wereldheerser, zijn 42 maanden van macht en zijn vernietiging bij Christus’ komst (Openbaring 13:5-7; 19:11-21).


Daniël, Jezus, Paulus en Openbaring spreken daarom niet over vier losstaande scenario’s. Hun kenmerken grijpen in elkaar:


  • een toekomstige goddeloze heerser;
  • tempel en offers;
  • een verwoestende gruwel en goddelijke zelfverheffing;
  • vervolging van de heiligen;
  • een begrensde laatste periode;
  • vernietiging van de heerser bij Christus’ verschijning.


Omdat deze lijn eindigt bij Christus’ nog toekomstige zichtbare komst en koningschap, is ook Daniëls laatste week nog toekomstig.



Wie is de „hij” van Daniël 9:27?


Daniël 9:27 zegt:

„En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden ...”

Wie is deze „hij”? Sommige uitleggingen maken hem tot de Messias. De doorgaande Schriftlijn wijst echter naar de toekomstige vijandige vorst.


In vers 26 is de Messias uitgeroeid. Daarna verschijnt in de profetie „een vorst, die komen zal”, verbonden met het volk dat stad en heiligdom verwoest. Vers 27 vervolgt met de handelende „hij”. Wat deze heerser doet, sluit bovendien aan bij de vijandige eindtijdmacht die Daniël elders beschrijft: hij tast offer en heiligdom aan, verheft zich tegen God en brengt verwoesting. Jezus verbindt juist deze gruwel met de laatste grote verdrukking. Paulus toont de mens der zonde in de tempel en Openbaring de lasterende heerser die 42 maanden macht ontvangt.


De „hij” is daarom niet Christus Die Zijn heilverbond volbrengt, maar de toekomstige vorst die het verbond verbreekt en zich tegen God verheft.


Christus is inderdaad de Middelaar van het nieuwe verbond en Zijn ene offer heeft de zonde werkelijk verzoend. Maar dat maakt Hem niet tot de verwoester van Daniël 9:27. Het nieuwe verbond wordt niet voor zeven jaar gesloten en na drieënhalf jaar door Christus geschonden. Daniël verbindt het handelen van de „hij” juist met het gedwongen ophouden van de offers en met de verwoestende gruwel. Christus wijst die gruwel niet aan als Zijn verlossingswerk, maar als het teken waarvoor Judea moet vluchten. Het heilwerk van de Messias en de heiligschennis van de komende vorst mogen daarom niet worden samengevoegd.



Waarmee begint de week?


Het tekstuele beginpunt is het handelen van die vorst:

„En hij zal velen het verbond versterken een week ...”

De week begint dus niet simpelweg bij een oorlog, een natuurramp, de herbouw van een tempel of de eerste publieke bekendheid van een wereldleider. De gegeven kalendergrens is het versterken van een verbond met velen voor één week.


De Bijbel noemt hier niet alle bepalingen van dat verbond. Ook noemt Daniël het niet letterlijk een moderne „zevenjarige vredesovereenkomst”. Dat het afspraken bevat waardoor offerdienst mogelijk is of wordt beschermd, ligt voor de hand omdat dezelfde heerser die offers in het midden laat ophouden. Israël en Jeruzalem staan door de hele profetie centraal. Toch moeten de precieze partijen, clausules en politieke vorm niet stelliger worden ingevuld dan de tekst toelaat.


Jesaja 28 spreekt tot de heersers van Jeruzalem over een „verbond met den dood” en een verdrag met het graf, gesloten in de gedachte dat de overvloeiende gesel hen niet zal treffen. God zegt dat dit verbond tenietgedaan zal worden (Jesaja 28:14-18). Dat biedt een ernstige profetische parallel: schijnveiligheid door een goddeloos verbond houdt voor Gods oordeel geen stand. Jesaja 28 bewijst echter niet op zichzelf iedere bijzonderheid van Daniël 9:27.


Wat wel vaststaat, is voldoende om de week te herkennen: een toekomstige vorst versterkt met velen een verbond voor de duur van één week.



Waarom één week zeven jaar duurt


Het woord „week” duidt hier op een eenheid van zeven. Dat het om jaren en niet om zeven gewone dagen gaat, blijkt uit het Bijbelse tijdsverband. De laatste helft van die week wordt in Daniël en Openbaring op drie onderling overeenstemmende manieren beschreven:

Tijdsaanduiding Tekst Duur
„Een tijd, en tijden, en een halve tijd” Daniël 7:25; 12:7; Openbaring 12:14 3½ jaar
42 maanden Openbaring 11:2; 13:5 3½ jaar
1260 dagen Openbaring 12:6 3½ jaar

Openbaring 12 levert een bijzonder sterke interne sleutel. De vrouw vlucht naar een door God bereide plaats en wordt daar 1260 dagen onderhouden (vers 6). Hetzelfde hoofdstuk beschrijft diezelfde bescherming vervolgens als „een tijd, en tijden, en een halven tijd” (vers 14). De uitdrukkingen verklaren elkaar: 1260 dagen is drieënhalf jaar.


Openbaring 13:5 geeft de godslasterlijke heerser 42 maanden. Daniël 7:25 beschrijft zijn heerschappij en vervolging als een tijd, tijden en een halve tijd. Opnieuw gaat het om dezelfde duur.


Daniël 9:27 verdeelt de ene week precies in het midden. Wanneer een halve week drieënhalf jaar duurt, duurt de hele week zeven jaar. De rekensom is eenvoudig:


  • eerste helft: 3½ jaar;
  • tweede helft: 3½ jaar;
  • hele zeventigste week: 7 jaar, oftewel 84 maanden.


Bij de profetische telling van 30 dagen per maand komen 42 maanden overeen met 1260 dagen. Twee helften vormen dan samen 2520 dagen.


Daarmee wordt ook de grotere indeling duidelijk. Zeventig jaarweken omvatten 490 jaren; negenenzestig jaarweken omvatten 483 jaren; één jaarweek omvat zeven jaren. De zevenjarige duur berust dus niet op één losse aanname, maar op de samenhang tussen Daniël en Openbaring.



Het midden is het grote scharnierpunt


Daniël beschrijft het midden buitengewoon precies:

„... in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden ...”
— Daniël 9:27

Dit veronderstelt dat er een functionerende offerdienst is. De toekomstige heerser maakt daaraan halverwege een einde en brengt de verwoestende gruwel. Daniël 12:11 verbindt opnieuw het wegnemen van het gedurig offer met het stellen van de verwoestende gruwel.


Jezus vertelt wat mensen in Judéa dan moeten doen: onmiddellijk vluchten. Niet terugkeren om bezittingen te halen, maar weggaan, omdat dan „grote verdrukking” zal zijn zoals er nooit geweest is en nooit meer zal zijn (Mattheüs 24:15–22). Wie deze vluchtelingen zijn en waarom de gehele context hen als het gelovige overblijfsel van Israël identificeert, wordt afzonderlijk onderzocht in Wie vlucht uit Judéa tijdens de grote verdrukking?


Paulus vult het karakter van die gruwel aan. De mens der zonde verheft zich boven al wat God genaamd wordt, gaat in de tempel Gods zitten en vertoont zichzelf dat hij God is (2 Thessalonicenzen 2:4). Openbaring 13 toont dezelfde openlijke godslastering en de gedwongen aanbidding van het beest.


Het midden van de week is daarom geen kleine faseovergang. Het is de openbare breuk:


  • de orde die met het verbond samenhangt, wordt opengebroken;
  • slachtoffer en spijsoffer houden op;
  • de heilige plaats wordt ontheiligd;
  • de goddeloze heerser verheft zich;
  • Judea moet vluchten;
  • de grote verdrukking begint.



De hele week is niet hetzelfde als de grote verdrukking


Deze termen worden vaak als synoniemen gebruikt, maar Jezus maakt een belangrijk onderscheid. Daniëls zeventigste week duurt zeven jaar. De grote verdrukking begint wanneer de gruwel der verwoesting in de heilige plaats staat, dus bij het midden van die week.


Strikt genomen is de grote verdrukking daarom de tweede helft van drieënhalf jaar, niet de hele periode van zeven jaar.


Dat betekent niet dat de eerste helft rustig of oordeelvrij is. De gehele eindtijdweek behoort tot Gods naderende afrekening met een opstandige wereld en tot Zijn handelen met Israël. Openbaring laat al vóór de laatste 42 maanden ernstige oordelen zien. Maar de druk bereikt na het midden een unieke intensiteit. Satan weet dan dat hij „een kleinen tijd” heeft, de vrouw wordt vervolgd, en het beest ontvangt 42 maanden van onbeperkte godslasterlijke macht (Openbaring 12:12-17; 13:5-7).


Een zuivere terminologie voorkomt verwarring:


  • Daniëls zeventigste week: de volledige zeven jaar;
  • het midden van de week: de offerbreuk en de gruwel;
  • de grote verdrukking: de laatste drieënhalf jaar.



Wat gebeurt er in de tweede helft?


Openbaring 12 beschrijft een vrouw met zon, maan en twaalf sterren. Dat beeld grijpt terug op Jozefs droom over Jakob, Rachel en de stammen van Israël in Genesis 37. De vrouw stelt daarom Israël voor. Nadat de draak op aarde is geworpen, vervolgt hij de vrouw, maar God geeft haar bescherming in de woestijn:

„... alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.”
— Openbaring 12:14

Die periode is in hetzelfde hoofdstuk al 1260 dagen genoemd. Dit sluit rechtstreeks aan op Jezus’ bevel aan Judea om bij de gruwel te vluchten.


Tegelijk krijgt het beest 42 maanden om grote woorden en godslasteringen te spreken en oorlog te voeren tegen de heiligen (Openbaring 13:5-7). Daniël 7 beschrijft dezelfde kenmerken: de kleine hoorn spreekt woorden tegen de Allerhoogste, vervolgt de heiligen en krijgt ruimte voor een tijd, tijden en een halve tijd.


De tweede helft wordt dus gekenmerkt door twee tegengestelde werkelijkheden:


  • satanische macht en wereldwijde dwang bereiken hun hoogtepunt;
  • God bewaart het deel van Israël dat Hij naar een bereide plaats doet vluchten.


De macht van de vijand lijkt enorm, maar haar termijn is al vooraf begrensd. Zij duurt geen dag langer dan God toestaat.



Hoe eindigt de zeventigste week?


De week eindigt niet doordat de mensheid zichzelf redt of doordat het rijk van het beest geleidelijk verbetert. Zij eindigt door het ingrijpen van Jezus Christus.


Jezus zegt dat onmiddellijk na de verdrukking kosmische tekenen volgen en de Zoon des mensen zichtbaar komt met grote kracht en heerlijkheid (Mattheüs 24:29-30). Paulus zegt dat de Heere de wetteloze zal verdoen door de Geest van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn toekomst (2 Thessalonicenzen 2:8). Openbaring 19 toont de geopende hemel, de komende Koning der koningen en het oordeel over het beest en de valse profeet.


Daniël 7 geeft dezelfde uitkomst. Het rijk van de goddeloze macht wordt weggenomen en het koninkrijk wordt gegeven aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten. De Steen die zonder handen werd afgehouwen, verbrijzelt de wereldrijken en wordt tot een grote berg die de hele aarde vervult (Daniël 2:34-35, 44-45).


Daarmee komt ook het diepere doel van Daniël 9 weer in beeld. De week is niet voltooid zodra er precies zeven jaar verstreken zijn; die tijdsgrens brengt Gods aangekondigde voleinding binnen. Israël wordt door zware benauwdheid heen tot zijn Messias gebracht.


Zacharia beschrijft hoe de Geest der genade en der gebeden wordt uitgestort en zij zien op Hem Die zij doorstoken hebben (Zacharia 12:10). Er wordt een fontein geopend tegen de zonde en onreinheid (Zacharia 13:1). Romeinen 11 verbindt Israëls toekomstige behoudenis met de Verlosser Die uit Sion komt en de goddeloosheden van Jakob afwendt: „Dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen” (Romeinen 11:26-27).


De Messias Die na de negenenzestigste week werd uitgeroeid, is dus Dezelfde Die aan het einde overwinnend terugkomt. De verworpen Koning wordt de regerende Koning.



Maken de 1290 en 1335 dagen de week langer?


Daniël 12 noemt na het wegnemen van het gedurig offer en het stellen van de gruwel 1290 dagen. Vervolgens wordt degene welgelukzalig genoemd die verwacht en tot 1335 dagen komt (Daniël 12:11-12).


Deze getallen veranderen de zevenjarige duur van week 70 niet. Het startpunt ligt bij het midden: het offer wordt weggenomen en de gruwel gesteld. De tweede helft van de week duurt 1260 dagen. Daarom reikt de grens van 1290 dagen 30 dagen voorbij het einde van de week, en de grens van 1335 dagen 75 dagen voorbij dat einde — of 45 dagen voorbij de 1290.


Hoe het zichtbare midden, de laatste 1.260 dagen, „niemand weet de dag en de ure” en de herkenning door de vijgenboom met elkaar samenhangen, wordt volledig uitgewerkt in De vijgenboom, dit geslacht en de dagen van Noach.


Daniël 12 laat dus een overgangsperiode na de zeven jaar zien. De Schrift zegt echter niet expliciet welke afzonderlijke gebeurtenis precies op dag 1290 plaatsvindt of hoe iedere dag van die 30 en 45 dagen wordt ingevuld. Het is verstandig die details open te laten.


Wat wel duidelijk is: de 1290 en 1335 dagen verlengen Daniëls zeventigste week niet tot zeven jaar plus 75 dagen. De ene week van Daniël 9 blijft twee gelijke helften van elk drieënhalf jaar omvatten. De extra dagen horen bij de overgang naar de gevestigde zegen en het koninkrijk.



Waar bevindt de gemeente zich in dit geheel?


Daniëls weken zijn bepaald over Israël en Jeruzalem. De gemeente is daarentegen het ene lichaam waarin Jood en heiden door de Heilige Geest zijn samengevoegd. Dat onderscheid alleen bewijst nog niet het tijdstip van de opname, maar het voorkomt wel dat de gemeente zonder tekstgrond tot onderwerp van Daniëls week wordt gemaakt.


De opname wordt rechtstreeks geopenbaard in 1 Thessalonicenzen 4:16-17: de doden in Christus staan op en de levende gelovigen worden samen met hen opgenomen, de Heere tegemoet in de lucht. Paulus gaat vervolgens over naar de dag des Heeren en het plotselinge verderf, maar zegt tegen de gelovigen:

„Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus.”
— 1 Thessalonicenzen 5:9

De gemeente verwacht niet eerst de mens der zonde, de verbondsbreuk of de gruwel. Zij verwacht Gods Zoon uit de hemelen, „Die ons verlost van den toekomenden toorn” (1 Thessalonicenzen 1:10). De volledige Schriftlijn plaatst de opname van het lichaam van Christus daarom vóór Daniëls zeventigste week, waarna Gods profetische programma met Israël en Jeruzalem zijn laatste zeven jaren ingaat.


Daarmee stemt Christus’ belofte aan de gemeente te Filadelfia overeen: „Ik zal ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal” (Openbaring 3:10). Hij belooft niet slechts bewaring in een plaatselijke beproeving, maar bewaring uit de ure die over de hele bewoonde wereld komt. Samen met de opname vóór de dag des Heeren, de verlossing van de komende toorn en het uitdrukkelijke onderwerp van Daniël 9 vormt dit één doorgaande lijn.


Dat onderscheid betekent niet dat God twee wegen tot zaligheid heeft. In iedere bedeling wordt een zondaar uitsluitend gered op grond van het bloed van Christus en door geloof in Hem. Het gaat om een verschil in Gods profetische programma’s, niet om een ander evangelie.



Wat staat vast, en wat vult de Schrift niet in?


De hoofdlijnen hoeven niet aarzelend te worden uitgesproken:


  • de zeventig weken zijn bepaald over Israël en Jeruzalem;
  • na 7 en 62 weken wordt de Messias uitgeroeid;
  • na de negenenzestigste week blijft één week over;
  • die week ligt in de toekomst en duurt zeven jaar;
  • zij begint met het versterken van een verbond met velen;
  • in het midden worden de offers stopgezet en wordt de gruwel gesteld;
  • dan begint de grote verdrukking van drieënhalf jaar;
  • de laatste helft wordt bevestigd als 1260 dagen, 42 maanden en een tijd, tijden en een halve tijd;
  • de periode eindigt met Christus’ zichtbare overwinning en Gods voleinding met Israël.


Andere details moeten we niet met dezelfde stelligheid behandelen. Daniël noemt niet alle bepalingen of alle partijen van het verbond. Hij geeft niet de lengte van de tussenperiode na week 69. De Schrift verdeelt ook niet ieder zegel, iedere bazuin en iedere fiool in Daniël 9 over een exacte kalenderdag. Zulke reconstructies kunnen elders worden onderzocht, maar zij bepalen niet wat Daniëls zeventigste week is.


Deze grens tussen wat vaststaat en wat nog gereconstrueerd moet worden, verzwakt de profetie niet. Integendeel: zij laat des te scherper zien hoeveel God wél exact heeft geopenbaard.



De week in één overzicht

Moment Gebeurtenis Belangrijkste teksten
Voor de week Na 69 weken wordt de Messias uitgeroeid; stad en heiligdom worden verwoest Daniël 9:25-26
Begin van week 70 De toekomstige vorst versterkt met velen een verbond voor één week Daniël 9:27
Eerste helft De eerste 3½ jaar; Gods eindtijdprogramma is in werking Daniël 9:27
Midden Slachtoffer en spijsoffer stoppen; de gruwel wordt gesteld; Judea moet vluchten Daniël 9:27; 12:11; Mattheüs 24:15-20
Tweede helft Grote verdrukking; 1260 dagen; 42 maanden; tijd, tijden en een halve tijd Mattheüs 24:21; Daniël 7:25; Openbaring 12:6, 14; 13:5
Einde van de week Christus verschijnt, vernietigt de wetteloze en breekt het rijk van het beest Mattheüs 24:29-30; 2 Thessalonicenzen 2:8; Openbaring 19:11-21
Daarna Overgang naar de gevestigde koninkrijkszegen; Daniël noemt 1290 en 1335 dagen Daniël 12:11-13


Waarom deze profetie uiteindelijk over Christus gaat


Profetische tijdlijnen kunnen nieuwsgierigheid wekken, maar Daniël 9 is niet gegeven om ons alleen een kalender te laten uitrekenen. Midden in de profetie staat de Messias Die wordt uitgeroeid. Aan het einde staat Zijn eeuwige gerechtigheid en Zijn koninkrijk.


Dat raakt ieder mens nu. De wereld gaat niet op weg naar zelfstandige genezing, maar naar Gods rechtvaardige oordeel. Ook onze diepste nood is niet gebrek aan profetische kennis, maar zonde. Wij hebben verzoening nodig.


Het goede nieuws is dat Jezus Christus niet voor Zijn eigen schuld werd uitgeroeid. Hij stierf voor onze zonden, werd begraven en is op de derde dag opgewekt, naar de Schriften (1 Korinthe 15:3-4). Aan het kruis droeg Hij het oordeel dat schuldige mensen verdienen. Door Zijn opstanding leeft Hij en kan Hij volkomen zalig maken.


De Bijbelse oproep is daarom niet: zorg dat u sterk genoeg bent om Daniëls week te doorstaan. Zij luidt:

„Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31

Wie op Christus vertrouwt, ontvangt vergeving en eeuwig leven uit genade. Hij mag Hem verwachten als Verlosser, niet ontmoeten als Rechter.



Conclusie


Daniëls zeventigste week is de ene nog resterende jaarweek van Gods zeventig weken over Israël en Jeruzalem. Zij duurt zeven jaar. De toekomstige vorst markeert haar begin door met velen een verbond voor één week te versterken. Na drieënhalf jaar verbreekt hij die orde, stopt de offers en stelt de gruwel der verwoesting. Dan begint de grote verdrukking, die 1260 dagen, 42 maanden of een tijd, tijden en een halve tijd duurt.


Aan het einde verschijnt Jezus Christus zichtbaar. Hij vernietigt de goddeloze heerser, verlost en reinigt het overblijfsel van Israël en vestigt Zijn rechtvaardige heerschappij. Zo loopt de profetie van de uitgeroeide Messias naar de regerende Messias, en van Israëls overtreding naar Gods eeuwige gerechtigheid.


De zeventigste week verheerlijkt daarom niet de macht van het beest. Zij verkondigt dat God de tijden heeft bepaald, de macht van de vijand heeft begrensd, Zijn woord aan Israël niet vergeet en Zijn hele raad voleindigt in Jezus Christus.