De vijgenboom en de dagen van Noach uitgelegd

Wat betekenen „dit geslacht”, de 1.260 dagen en „één aangenomen en één verlaten” in Mattheüs 24?

De vijgenboom en de dagen van Noach uitgelegd

Wat betekenen „dit geslacht”, de 1.260 dagen en „één aangenomen en één verlaten” in Mattheüs 24?

De vijgenboom leert de eindtijdgebeurtenissen herkennen en is geen datumcode vanaf 1948. „Dit geslacht” is het doorgaande ongelovige en Messiasverwerpende Israël dat tot de profetische climax blijft bestaan. Bij Christus’ komst worden de levende wederstrevers uitgezuiverd en gedood; het gelovige overblijfsel erkent zijn Messias en gaat het Koninkrijk binnen. Vanaf de gruwel volgen 1.260 dagen. Zoals in Noachs dagen wordt de geoordeelde weggenomen en blijft de door God bewaarde over voor het Koninkrijk.

De vijgenboom, dit geslacht en de dagen van Noach in Mattheüs 24 uitgelegd

Waarom de eindtijdgeneratie de tekenen zal herkennen, de laatste 1.260 dagen kan volgen en bij Christus’ komst een persoonlijke scheiding plaatsvindt

Wat betekent de uitlopende vijgenboom? Is hij een verborgen afbeelding van de moderne staat Israël? Wie is „dit geslacht”? Waarom zegt Jezus eerst dat niemand de dag en de ure weet, terwijl Daniël en Openbaring een exact afgemeten eindfase noemen? En wie wordt bij Christus’ komst aangenomen of verlaten?


Deze vragen horen bij elkaar. Mattheüs 24:32–44 vormt de brug tussen Christus’ profetie over de grote verdrukking en Zijn waarschuwingen over waakzaamheid en dienst. Wie de verzen uit hun profetische verband haalt, kan de vijgenboom veranderen in een moderne datumcode, de opname van de Gemeente in vers 40 lezen of „dag en ure” gebruiken alsof God later geen verdere tijdinformatie heeft gegeven.


De Schrift bouwt een andere lijn op:


De vijgenboom leert de voorzegde gebeurtenissen herkennen. „Dit geslacht” is het doorgaande ongelovige, verharde en Messiasverwerpende Israël dat Jezus reeds in Mattheüs 23 aansprak. Ondanks oordeel, verstrooiing en vervolging zal dit geslacht niet verdwijnen voordat alle eindtijdprofetie haar climax bereikt. Bij Christus’ terugkeer worden de dan levende wederstrevers uitgezuiverd en gedood; het gelovige overblijfsel erkent de doorstoken Messias en gaat het Koninkrijk binnen. Na het zichtbare midden van Daniëls week lopen nog 1.260 dagen tot Christus’ openbare komst. De dagen van Noach tonen hoe een gewaarschuwde maar ongelovige wereld plotseling door het oordeel wordt getroffen. Zoals Noach lichamelijk op Gods aangewezen plaats werd bewaard, zo wordt de vrouw op Gods bereide plaats onderhouden; andere ware gelovigen kunnen in dezelfde periode worden vervolgd en gedood.



1. Jezus spreekt tot Zijn discipelen over Israël en de eindtijd


De Olijfbergrede begint wanneer de discipelen Jezus afzonderlijk vragen naar de tempel, Zijn toekomst en de voleinding der wereld:

“En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?”
— Mattheüs 24:3

Marcus noemt Petrus, Jakobus, Johannes en Andréas (Marcus 13:3). Christus richt Zijn onderwijs dus tot discipelen. Tegelijk reikt Zijn antwoord ver voorbij hun eigen leven. Hij spreekt over toekomstige discipelen die:


  • Daniëls gruwel in de heilige plaats zien;
  • uit Judéa moeten vluchten;
  • over hun vlucht op een sabbat moeten bidden;
  • de grote verdrukking meemaken;
  • valse christussen moeten verwerpen;
  • en de Zoon des mensen zichtbaar uit de hemel zien komen.


De tempel, Judéa, de sabbat en Daniëls profetie plaatsen de directe vervulling bij Israël tijdens Daniëls zeventigste week. De Gemeente is vóór die periode tot Christus opgenomen. De volledige profetische tijdlijn wordt uitgewerkt in Mattheüs 24 en 25 uitgelegd in samenhang.



2. De vijgenboom komt ná de beschrijving van Christus’ komst


De plaats van de gelijkenis is beslissend. Christus heeft reeds gesproken over:


  • de gruwel der verwoesting;
  • de vlucht uit Judéa;
  • de grote verdrukking;
  • de misleiding door valse christussen;
  • de hemeltekenen;
  • en Zijn zichtbare komst met grote kracht en heerlijkheid.


Daarna zegt Hij:

“En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.”
— Mattheüs 24:32

De vijgenboom opent dus geen los onderwerp. Hij leert de discipelen hoe zij met de zojuist voorzegde gebeurtenissen moeten omgaan. Wanneer een boom uitloopt, weet iemand dat een nieuw seizoen dichtbij is. Wanneer de voorzegde eindtijdgebeurtenissen zichtbaar worden, moet de discipel weten dat de aangekondigde afloop nabij is.



3. Lukas verklaart het beeld met „al de bomen”


Lukas schrijft:

“En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen. Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.”
— Lukas 21:29–30

Hierdoor wordt duidelijk wat het beeld draagt:


  1. bomen vertonen zichtbare verandering;
  2. die verandering kondigt een naderend seizoen aan;
  3. zo kondigen de voorzegde gebeurtenissen het naderende Koninkrijk aan.


De vijgenboom kan in andere passages Israël afbeelden. Maar dat betekent niet dat iedere vijgenboom automatisch exact hetzelfde voorstelt. In Mattheüs 21 verdort een vijgenboom in de tempelcontext. In Mattheüs 24 loopt hij samen met alle andere bomen uit.


De betekenis is hier daarom niet: „wanneer de staat Israël wordt opgericht, begint een moderne generatieklok.” De betekenis is:


Wanneer Gods voorzegde eindtijdgebeurtenissen zich werkelijk ontvouwen, wordt de nabijheid van Christus’ Koninkrijk even herkenbaar als de zomer na het uitlopen van de bomen.



4. De vijgenboom geeft geen berekening vanaf 1948


Mattheüs 24 noemt:


  • geen moderne staat;
  • geen jaartal 1948;
  • geen generatie van zeventig of tachtig jaar;
  • geen opdracht om Psalm 90:10 bij een hedendaagse datum op te tellen.


Psalm 90 beschrijft de gewone levensduur van een mens. Het vers geeft geen profetische definitie van het woord „geslacht” in Mattheüs 24.


Israëls nationale herstel en toekomstige bekering zijn wel degelijk Bijbels. God heeft Zijn beloften aan Israël niet ingetrokken (Jeremia 31:35–37; Romeinen 11:25–29). Maar een ware leer over Israël hoeft niet in ieder afzonderlijk beeld te worden ingevoegd. De vijgenboom zelf leert hier herkenning, niet een twintigste-eeuwse rekensom.



5. Wat zijn „al deze dingen”?


Christus vervolgt:

“Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.”
— Mattheüs 24:33

„Al deze dingen” verwijst naar hetgeen Hij in dezelfde rede heeft voorzegd. Daaronder vallen:


  • misleiding en valse christussen;
  • oorlog, honger en aardbevingen;
  • vervolging van discipelen;
  • de vermenigvuldiging van ongerechtigheid;
  • Daniëls gruwel in de heilige plaats;
  • de vlucht uit Judéa;
  • de grote verdrukking;
  • grote tekenen en wonderen;
  • tekenen aan zon, maan en sterren;
  • de zichtbare komst van de Zoon des mensen.


Lukas noemt de uitkomst uitdrukkelijk:

“Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.”
— Lukas 21:31

De discipelen hoeven de nabijheid dus niet te raden. Zij moeten de gebeurtenissen herkennen die Christus Zelf heeft aangekondigd.



6. Wie is „dit geslacht”?


Christus zegt:

“Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.”
— Mattheüs 24:34

Op het eerste gezicht kan de voorafgaande zin de indruk geven dat „dit geslacht” eenvoudig de toekomstige generatie is die alle eindtijdgebeurtenissen ziet. Jezus zegt immers: „wanneer gij al deze dingen zult zien”. Maar „gijlieden” en „dit geslacht” hoeven niet dezelfde groep aan te duiden. De „gijlieden” zijn de onderscheidende discipelen die Christus’ woorden geloven en de tekenen herkennen. Om vast te stellen wie Jezus met „dit geslacht” bedoelt, moeten wij teruggaan naar Mattheüs 23.




Jezus heeft „dit geslacht” reeds aangewezen


Tegen de ongelovige godsdienstige leiders zegt Jezus:

“Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?”

— Mattheüs 23:33

Daarna kondigt Hij aan:

“Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.”

— Mattheüs 23:36

Vervolgens spreekt Hij Jeruzalem aan:

“Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn!”

— Mattheüs 23:37

En dan zegt Hij:

“Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!”

— Mattheüs 23:39

De personen die toen letterlijk voor Jezus stonden, zouden niet lichamelijk blijven leven tot Zijn wederkomst. Toch spreekt Jezus Jeruzalem aan als één doorgaande nationale eenheid: „gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult”.


Het „gij” omvat hier Israël vanaf de verwerping van zijn Messias tot het toekomstige ogenblik waarop het gelouterde overblijfsel Hem zal erkennen. Direct daarna verlaat Jezus de tempel en begint de rede van Mattheüs 24. Er staat daarom geen inhoudelijke muur tussen „dit geslacht” in Mattheüs 23:36 en „dit geslacht” in Mattheüs 24:34.



Hetzelfde ongelovige geslacht


Jezus heeft deze groep in Mattheüs herhaaldelijk omschreven als:


  • een boos en overspelig geslacht — Mattheüs 12:39;
  • dit boze geslacht — Mattheüs 12:45;
  • een ongelovig en verkeerd geslacht — Mattheüs 17:17;
  • adderengebroedsels — Mattheüs 23:33;
  • dit geslacht waarover het oordeel komt — Mattheüs 23:36.


Mattheüs 24 introduceert niet plotseling een geheel nieuw, gelovig geslacht. De geestelijke identiteit van „dit geslacht” is reeds opgebouwd: boos, overspelig, ongelovig, verkeerd en verantwoordelijk voor de verwerping van Gods boodschappers en uiteindelijk van Gods Zoon.


„Dit geslacht” is daarom niet het gelovige overblijfsel. Het is het doorgaande ongelovige, verharde en Messiasverwerpende Israël.



Een geestelijk geslacht kan eeuwen omvatten


Het woord „geslacht” hoeft in de Schrift niet uitsluitend één korte leeftijdsgeneratie aan te duiden. Psalm 24 spreekt over „het geslacht dergenen, die naar Hem vragen” (Psalm 24:6). Psalm 78 noemt daartegenover „een wederhorig en wederspannig geslacht” dat zijn hart niet op God richtte (Psalm 78:8).


Een geslacht kan dus een doorgaande groep met hetzelfde geestelijke karakter aanduiden.



In Mattheüs 23 verbindt Jezus de leiders van Zijn tijd bovendien met hun voorvaderen:

“Gij betuigt dan tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben. Vervult ook gij de mate uwer vaderen!”

— Mattheüs 23:31–32

Deze leiders hadden de vroegere profeten niet persoonlijk gedood. Toch stonden zij in dezelfde ongelovige en moorddadige geslachtslijn. Zij zetten de opstand van hun vaderen voort en bereikten daarvan de climax door Gods Zoon te verwerpen.



Dat betekent niet dat dezelfde personen blijven leven


Jezus zegt niet dat iedere ongelovige Israëliet uit Zijn tijd persoonlijk in leven blijft tot de wederkomst. Afzonderlijke mensen sterven, maar de ongelovige en Messiasverwerpende geslachtslijn blijft binnen Israël bestaan.


Ondanks:


  • het oordeel over Jeruzalem;
  • de verwoesting van de tempel;
  • de verstrooiing onder de volken;
  • eeuwen van vervolging;
  • en de toekomstige eindtijdoordelen,


verdwijnt dit geslacht niet voordat Gods gehele profetische programma zijn climax bereikt.


Dat sluit aan bij Gods belofte dat het zaad Israëls niet zal ophouden een volk voor Zijn aangezicht te zijn (Jeremia 31:35–37). God bewaart Israël niet omdat ongeloof redt, maar omdat Zijn beloften aan Israël niet kunnen falen.



De vijgenboom zelf blijft een herkenningsbeeld


Deze uitleg betekent niet dat de uitlopende vijgenboom alsnog een verborgen voorstelling van de moderne staat Israël wordt. Lukas noemt immers „den vijgeboom, en al de bomen” (Lukas 21:29).


De vijgenboom leert het herkennen van de naderende profetische zomer. De identiteit van „dit geslacht” wordt niet door de boom bepaald, maar door de doorgaande context van Mattheüs 23 en 24.


Daarom blijft het onjuist om 1948 als verborgen beginjaar te gebruiken, Psalm 90 daarbij op te tellen en een generatieklok van zeventig of tachtig jaar te construeren.


De vijgenboom leert herkenning. „Dit geslacht” beschrijft het doorgaande ongelovige Israël dat de profetische climax bereikt.



De vijanden die hun Koning niet wilden


Lukas 19 laat zien wat er bij die climax met het nog levende ongelovige Israël gebeurt. Jezus sprak de gelijkenis van de ponden toen Hij Jeruzalem naderde en de mensen meenden dat het Koninkrijk Gods onmiddellijk zou verschijnen.



De edelman reist weg om een koninkrijk te ontvangen. Zijn burgers wijzen hem echter af:

“En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij.”

— Lukas 19:14

Deze burgers zijn in de eerste plaats het Israël dat zijn Koning verwerpt. Hun woorden bereiken hun zichtbare climax tijdens Jezus’ veroordeling:

“Wij hebben geen koning, dan den keizer.”

— Johannes 19:15

Wanneer de edelman als koning terugkomt, zegt hij:

“Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.”

— Lukas 19:27

De dienstknechten en de vijandige burgers zijn in deze gelijkenis niet dezelfde categorie. De dienstknechten moeten rekenschap geven van hun dienst. De vijandige burgers hebben de Koning Zelf verworpen en worden bij Zijn terugkeer gedood.



De nationale zuivering van Israël


Ezechiël 20 beschrijft dezelfde toekomstige zuivering onder de Israëlieten die uit de verstrooiing worden verzameld:

“En Ik zal de wederstrevers van ulieden en degenen die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren.”

— Ezechiël 20:38

Deze wederstrevers komen het land Israël niet binnen. Amos maakt hun lichamelijke afloop uitdrukkelijk:

“Al de zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven.”

— Amos 9:10

Daarna wordt de vervallen hut van David opgericht en wordt het gereinigde Israël blijvend in het land geplant.



Zacharía beschrijft de zuivering onder Israël in het land:

“Twee delen daarin zullen uitgeroeid worden en den geest geven; maar het derde zal daarin overblijven.”

— Zacharía 13:8

Het derde deel wordt gelouterd, roept Gods Naam aan en hoort Hem zeggen: „Het is Mijn volk” (Zacharía 13:9).


De som van deze Schriftplaatsen is helder:


  • het ongelovige Israël blijft als doorgaand geslacht bestaan tot de wederkomst;
  • ongelovige Israëlieten die eerder sterven, wachten als ongelovige doden op de grote witte troon;
  • de dan nog levende wederstrevers worden bij de nationale eindtijdzuivering verwijderd en gedood;
  • het gelovige en gelouterde overblijfsel blijft bestaan;
  • alleen dat verloste Israël gaat het Messiaanse Koninkrijk binnen.


Wat gaat uiteindelijk voorbij?


Het Joodse volk zelf houdt bij de wederkomst niet op te bestaan. Dan worden Gods beloften aan Israël juist zichtbaar vervuld.


Wat verdwijnt, is Israël als ongelovig, verhard en Messiasverwerpend geslacht.


Romeinen 11 beschrijft dezelfde overgang:

“Dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.”

— Romeinen 11:25–26

Israël blijft bestaan, maar zijn gedeeltelijke verharding blijft niet bestaan. Bij de komst van de Verlosser worden de goddeloosheden van Jakob afgewend. Het afvallige deel wordt geoordeeld en het overgebleven Israël wordt gered.


Dan wordt ook Mattheüs 23:39 vervuld. Het gelovige overblijfsel aanschouwt Hem Die het doorstoken heeft, rouwt over Hem, roept Zijn Naam aan en erkent Hem als Koning.


De nauwkeurige betekenis is daarom:



„Dit geslacht” is het doorgaande ongelovige, verharde en Messiasverwerpende Israël dat Jezus tijdens Zijn aardse bediening aansprak. Ondanks oordeel, verstrooiing en vervolging zal dit geslacht niet verdwijnen voordat alle voorzegde gebeurtenissen hun climax bereiken. Bij Christus’ wederkomst worden de dan nog levende wederstrevers als vijanden van de Koning uitgezuiverd en gedood. Het gelovige overblijfsel behoort niet tot dit ongelovige geslacht: het wordt gelouterd, erkent Christus en gaat als het verloste Israël het Koninkrijk binnen.



7. Waarom zegt Jezus dat niemand de dag en de ure weet?


Na de verzekering over het geslacht zegt Christus:

“Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.”
— Mattheüs 24:36

Toen Jezus deze woorden uitsprak, was het beslissende beginpunt nog niet zichtbaar:


  • Daniëls laatste week was nog niet begonnen;
  • de gruwel stond nog niet in de heilige plaats;
  • de toekomstige vlucht uit Judéa had nog niet plaatsgevonden;
  • Openbaring met de 1.260 dagen en 42 maanden was nog niet gegeven.


De discipelen konden daarom geen verschijningsdag vanaf een toekomstige gebeurtenis berekenen waarvan de begindag nog onbekend was.


Dat is iets anders dan zeggen dat de dag ook ná het zichtbare midden principieel onkenbaar blijft. Vers 36 mag niet worden gebruikt om latere Goddelijke openbaring ongedaan te maken.



8. De gruwel maakt het midden van de week zichtbaar


Daniël schrijft:

“En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden.”
— Daniël 9:27

Jezus noemt het concrete teken:

“Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen.”
— Mattheüs 24:15–16

De gruwel is geen verborgen geestelijke ontwikkeling. Hij wordt gezien in de heilige plaats en veroorzaakt een onmiddellijke vlucht. Daardoor wordt het midden van Daniëls week een zichtbaar profetisch ijkpunt.


Wie vlucht, wordt niet aan zichzelf overgelaten. Openbaring toont dezelfde Israëlische geloofskring als de vrouw die naar Gods bereide plaats gaat. De identiteit en bescherming van deze groep worden volledig uitgewerkt in Wie vlucht uit Judéa tijdens de grote verdrukking?.



9. Vanaf het midden lopen nog 1.260 dagen


Openbaring schrijft:

“En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.”
— Openbaring 12:6

Vers 14 noemt dezelfde periode „een tijd, en tijden, en een halven tijd”. Openbaring 13:5 geeft het Beest macht gedurende 42 maanden.



Daarna verschijnt Christus:

“En terstond na de verdrukking dier dagen ... zullen [zij] den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.”
— Mattheüs 24:29–30

Openbaring 19 laat zien dat Christus bij die verschijning het Beest en de valse profeet grijpt en hun heerschappij beëindigt.



De tijdlijn is daardoor vast:

Gebeurtenis Plaats in de tijdlijn
Het verbond van één week Begin van Daniëls zeventigste week
De gruwel in de heilige plaats Midden van de week
De vlucht van de vrouw Onmiddellijk na het zichtbare midden
Voeding van de vrouw 1.260 dagen
Macht van het Beest 42 maanden
Zichtbare komst van Christus Terstond na de verdrukking, einde van de Beestmacht

Daarom kan het gelovige overblijfsel dat de gruwel ziet, vanaf dat ogenblik de laatste 1.260 dagen volgen. De dag van Christus’ verschijning is na het zichtbare ijkpunt af te tellen.


De 1.290 en 1.335 dagen van Daniël 12 zijn latere profetische mijlpalen. Zij veranderen de 1.260 dagen van de vrouw en de 42 maanden van het Beest niet. Zie daarvoor Wat betekenen de 1.290 en 1.335 dagen?.



10. De Schrift noemt hier geen modern klokuur


Het woord „ure” hoeft in de Schrift niet altijd een blok van precies zestig minuten te betekenen. Johannes 13:1 zegt dat Jezus wist dat „Zijn ure gekomen was”, terwijl de gebeurtenissen van Zijn lijden en heengaan meerdere uren omvatten. Openbaring 3:10 noemt de wereldwijde beproeving „de ure der verzoeking”.


In Mattheüs 24 wijst „dag en ure” op het aangewezen moment van Christus’ komst. De profetische som geeft na het midden de einddag van de laatste 1.260 dagen. Zij geeft in dit gedeelte geen afzonderlijk tijdstip op een moderne klok.


Voor een profetische tijdsberekening zijn zowel een geopenbaarde tijdsduur als een zeker herkenbaar beginpunt nodig. Daniël 9:27 noemt het verbond waarmee de zeventigste week begint en de offerbreuk in het midden. Wie dat verbond met zekerheid herkent, kan op grond van de zevenjarige duur al vóór het midden vooruitrekenen. Daarmee kan hij weten wanneer de middenweekse omslag aanstaande is en zich vooraf geestelijk en praktisch op de vlucht voorbereiden.



De gruwel in de heilige plaats maakt vervolgens het midden zichtbaar. Christus wijst die gebeurtenis uitdrukkelijk aan als het teken voor de onmiddellijke vlucht uit Judéa. Vanaf dat midden lopen de laatste 1.260 dagen tot Zijn zichtbare komst (Mattheüs 24:15–16, 29–30; Openbaring 12:6,14). Het midden blijft daarmee een zichtbaar en beslissend ijkpunt, ook wanneer een eerder beginpunt al herkend is.


De opdracht om te waken blijft gedurende die gehele periode gelden. Het kennen van de tijdlijn vervangt de geestelijke waakzaamheid en trouwe dienst niet.



11. Waken is meer dan dagen tellen


Christus zegt:

“Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.”
— Mattheüs 24:42

Waken betekent niet dat een discipel iedere profetische tijdsaanduiding moet negeren. Het betekent dat hij:


  • Christus’ woorden gelooft;
  • de voorzegde gebeurtenissen herkent;
  • zich niet door valse christussen laat verleiden;
  • geestelijk nuchter blijft;
  • werkelijk gereed is;
  • en trouw blijft in hetgeen de Heer heeft opgedragen.


Openbaring 3:3 verbindt niet-waken met onverwacht overvallen worden:

“Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.”
— Openbaring 3:3

Eerste Thessalonicensen 5:4 zegt daartegenover dat broeders niet in duisternis zijn, zodat de dag hen niet als een dief hoeft te bevangen. Tijdkennis en waakzaamheid zijn dus geen tegenstanders. De tijdinformatie moet de wandel beheersen.



12. De dagen van Noach waren geestelijk verschrikkelijk


Christus zegt:

“En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.”
— Mattheüs 24:37

Wie alleen naar eten, drinken en trouwen kijkt, mist de grotere vergelijking. Genesis 6 beschrijft een wereld waarin:


  • de zonen Gods tot de dochteren der mensen ingingen;
  • reuzen en geweldigen verschenen;
  • de boosheid van de mens menigvuldig was;
  • alle gedachten van zijn hart voortdurend boos waren;
  • de aarde voor Gods aangezicht verdorven was;
  • de aarde met geweld was vervuld;
  • al het vlees zijn weg had verdorven.


De Schrift verbindt de zonen Gods elders met hemelwezens (Job 1:6; 2:1; 38:7). Tweede Petrus 2:4–5 plaatst zondigende engelen direct vóór de oude wereld en Noach. Judas 6 spreekt over engelen die hun beginsel niet bewaarden en hun eigen woonstede verlieten.


De dagen van Noach werden dus niet alleen door menselijke onverschilligheid gekenmerkt. Satanische inmenging, morele verdorvenheid en geweld bereikten samen een verschrikkelijk hoogtepunt.



13. De eindtijd vertoont dezelfde geestelijke kenmerken


Openbaring laat zien dat in de eindtijd:


  • de draak en zijn engelen op de aarde worden geworpen;
  • satan de gehele wereld verleidt;
  • het Beest zijn kracht en macht van de draak ontvangt;
  • de wereld de draak en het Beest aanbidt;
  • de valse profeet door grote tekenen verleidt;
  • demonische geesten tot de koningen der aarde uitgaan;
  • heiligen worden vervolgd en gedood;
  • de mensheid zich ondanks Gods oordelen niet bekeert.


Daarom is „gelijk de dagen van Noach” een diepe profetische vergelijking. Zowel vóór de vloed als vóór Christus’ zichtbare komst zien wij:

Dagen van Noach Eindtijd
Zondigende hemelwezens en buitengewone geestelijke inmenging De draak en zijn engelen op aarde, demonische misleiding
De aarde verdorven voor God Wereldwijde aanbidding van de draak en het Beest
De aarde vervuld met geweld Oorlog, vervolging en wereldwijde doodsmacht
Noach predikt gerechtigheid Het Evangelie van het Koninkrijk wordt tot getuigenis verkondigd
De mensen geloven Gods waarschuwing niet De aardbewoners bekeren zich ondanks tekenen en oordelen niet
Plotselinge wereldwijde vloed Plotselinge openbare komst en Goddelijk oordeel
Noach en zijn huis worden in de ark lichamelijk bewaard De vrouw wordt op Gods bereide plaats 1.260 dagen lichamelijk bewaard

De twee perioden zijn niet in ieder historisch detail gelijk. De geestelijke hoofdstructuur is echter dezelfde.



14. Waarom noemt Jezus eten, drinken en trouwen?


Christus zegt:

“Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam.”
— Mattheüs 24:38–39

Eten, drinken en trouwen zijn niet de misdrijven waarvoor de vloed kwam. Genesis heeft de boosheid, verdorvenheid en het geweld reeds benoemd. Jezus toont hier de zorgeloosheid waarmee de wereld binnen die verdorven toestand verder leefde.


Noach bouwde de ark. Hij was een prediker der gerechtigheid. Gods lankmoedigheid wachtte. Toch organiseerden de mensen hun dagelijkse leven alsof Gods aangekondigde oordeel nooit zou komen.


„Zij bekenden het niet” betekent daarom niet dat God niets bekend had gemaakt. Zij erkenden Zijn waarschuwing niet. Hun ongeloof maakte hen niet onschuldig.


Hetzelfde zal in de eindtijd gebeuren. Terwijl satanische machten werken, God oordelen zendt en Zijn getuigen spreken, zullen mensen blijven eten, handelen, kopen, verkopen en plannen. De zichtbaarheid van bovennatuurlijke gebeurtenissen brengt het natuurlijke hart niet vanzelf tot geloof.



15. Noach bleef over nadat de goddelozen waren weggenomen


Genesis geeft de tegenstelling helder weer:

“Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was ... doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.”
— Genesis 7:23

Mattheüs zegt dat de vloed „hen allen wegnam”. Noach en zijn huis bleven door Gods bescherming over.


Dat is belangrijk voor Mattheüs 24. De gelovige wordt niet noodzakelijk vóór iedere aardse verdrukking van de aarde verwijderd. Noach werd in de ark door het oordeel heen bewaard. Zo wordt de vrouw van Openbaring 12 gedurende de laatste 1.260 dagen op Gods bereide plaats gevoed en buiten het gezicht van de slang beschermd.


De Gemeente heeft een andere belofte en wordt vóór Daniëls week opgenomen. Noach is daarom geen afbeelding waarmee de opname van de Gemeente binnen Mattheüs 24 wordt bewezen. Hij verklaart Gods bewaring en de rechterlijke scheiding bij Christus’ openbare komst.



16. De bereide plaats is arkachtig, maar niet iedere gelovige is daar


De vergelijking met Noach moet nauwkeurig worden getrokken. Wanneer de gruwel in het midden van Daniëls week in de heilige plaats staat, moeten degenen die in Judéa zijn onmiddellijk vluchten. Openbaring toont de vrouw vervolgens op een plaats die door God voor haar is bereid:

“En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.”
— Openbaring 12:6

Vers 14 zegt dat zij daar gedurende „een tijd, en tijden, en een halven tijd” wordt gevoed, „buiten het gezicht der slang”. Deze bewaring is arkachtig:


  • God wijst Zelf de plaats aan;
  • de vrouw bereikt die plaats door te vluchten;
  • zij wordt daar gedurende de laatste 1.260 dagen onderhouden;
  • zij blijft lichamelijk bewaard terwijl buiten die plaats vervolging en oordeel woeden.


Deze bijzondere belofte omvat echter niet zonder onderscheid iedere gelovige die tijdens de grote verdrukking leeft. Openbaring noemt naast de vrouw ook een andere groep:

“En de draak vergramde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.”
— Openbaring 12:17

Deze overigen behoren werkelijk bij Christus: zij bewaren Gods geboden en hebben de getuigenis van Jezus Christus. Toch bevinden zij zich niet binnen de bijzondere bescherming die in de voorafgaande verzen aan de vrouw wordt gegeven. Openbaring 13:7 zegt bovendien dat het Beest macht ontvangt om de heiligen krijg aan te doen en hen te overwinnen. Openbaring 20:4 toont de gelovigen die om het getuigenis van Jezus zijn onthoofd en bij de eerste opstanding leven en met Christus regeren.


Daarom moeten twee soorten bewaring worden onderscheiden:


  • de vrouw ontvangt op Gods bereide plaats bijzondere lichamelijke bewaring gedurende 1.260 dagen;
  • iedere gelovige bezit eeuwige bewaring in Christus, ook wanneer hij buiten die plaats wordt vervolgd en als martelaar sterft.


Het midden van Daniëls week opent dus de 1.260 dagen van arkachtige bewaring voor de vrouw en tegelijk de hevige vervolging door de draak en het Beest. Toch mag niet eenvoudig worden gezegd dat „de zondvloed” uit Mattheüs 24 exact halverwege begint. Openbaring 12 beschrijft een stroom die door de slang achter de vrouw wordt geworpen en door de aarde wordt verzwolgen; Mattheüs 24 gebruikt Noachs vloed als beeld van het Goddelijke oordeel dat de onvoorbereide wereld bij Christus’ openbare komst overvalt. De beelden raken elkaar, maar zijn niet volledig gelijk.


Evenmin mogen wij in Genesis alsnog gelovigen buiten de ark veronderstellen. De Schrift noemt Noach rechtvaardig en zegt dat acht zielen door het water heen behouden werden. Petrus noemt de wereld buiten de ark „de wereld der goddelozen” (2 Petrus 2:5). Het onderscheid tussen de beschermde vrouw en andere ware gelovigen komt uit de verdere openbaring over de eindtijd, niet uit een verborgen groep gelovigen buiten Noachs ark.



17. Lot bevestigt de scheiding tussen bewaring en oordeel


Lukas voegt de dagen van Lot toe:

“Maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen. Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.”
— Lukas 17:29–30

Noach en Lot werden lichamelijk niet op dezelfde wijze bewaard:


  • Noach bleef in de ark op aarde terwijl de vloed kwam;
  • Lot werd uit Sodom geleid voordat het vuur viel.


Maar de geestelijke structuur is gelijk:


  • God kent en bewaart de rechtvaardige;
  • de ongelovige wereld gaat ondanks waarschuwing door;
  • op de vastgestelde dag komt het oordeel;
  • de goddelozen worden vernietigd.


Lot verandert daarom de betekenis van de daaropvolgende scheiding niet. Hij bewijst dat Gods wijze van bewaren kan verschillen. Hij bewijst niet dat het woord „aangenomen” automatisch een gunstige bestemming beschrijft.



18. Wie wordt aangenomen en wie verlaten?


Christus zegt:

“Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.”
— Mattheüs 24:40–41

Lukas noemt daarnaast twee mensen op één bed. De voorbeelden bestrijken nachtelijk rusten, huiselijke arbeid en werk op het veld. Mensen bevinden zich uiterlijk vlak naast elkaar, maar Christus scheidt hen persoonlijk.



Direct daarna vragen de discipelen:

“Waar, Heere?”

Jezus antwoordt:

“Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.”
— Lukas 17:37

Het antwoord wijst naar dood en oordeel. Mattheüs 24:28 gebruikt hetzelfde beeld in de context van Christus’ zichtbare komst. Openbaring 19:17–21 toont hoe de vogels zich na Zijn overwinning verzamelen bij het vlees van de gedode vijanden.


De volledige samenhang bepaalt daarom de uitkomst:


  • de aangenomene wordt uit de gezamenlijke aardse situatie weggenomen onder het oordeel;
  • de verlatene blijft door Gods bewaring over;
  • de bewaarde gelovige gaat levend en in een natuurlijk lichaam het duizendjarig Koninkrijk binnen.


Het woord „aangenomen” kan in andere Bijbelgedeelten gunstig worden gebruikt. Het woord alleen beslist de zaak niet. Noach, Lot, de vraag „Waar?” en het antwoord over lichaam en arenden bepalen de betekenis in deze passage.



19. Akker en molen zijn geen etnische codes


De akker hoeft niet tot een verborgen aanduiding van de heidenvolken te worden gemaakt. De twee malende vrouwen hoeven evenmin als twee delen van Israël te worden gecodeerd. Lukas voegt namelijk ook twee mensen op één bed toe.


De drie taferelen leren één eenvoudige en ernstige waarheid:


Op het ogenblik van Christus’ komst worden mensen die uiterlijk naast elkaar leven plotseling persoonlijk van elkaar gescheiden.


De Schrift verklaart elders welke groepen aan de Koninkrijksgrens worden geoordeeld:


  • Israël wordt afzonderlijk gelouterd en de wederspannigen worden uitgezuiverd;
  • de levende heidenvolken worden als schapen en bokken gescheiden;
  • het gelovige overblijfsel van Israël wordt gered;
  • de gelovige schapen uit de volken gaan het Koninkrijk binnen.


Mattheüs 24:40–41 hoeft die groepen niet nogmaals in akker, bed en molen te verbergen.



20. Waarom dit niet de opname van de Gemeente is


Bij de opname:


  • worden de doden in Christus opgewekt;
  • worden de levende gelovigen veranderd;
  • worden zij samen opgenomen in de wolken;
  • ontmoeten zij de Heer in de lucht;
  • en zullen zij altijd met Hem zijn (1 Thessalonicensen 4:13–18; 1 Korinthe 15:51–53).


Mattheüs 24:40–41 noemt geen opstanding, verheerlijking, wolken of ontmoeting in de lucht. De rede heeft in vers 29–31 bovendien reeds de zichtbare wederkomst ná de grote verdrukking geplaatst.


De opname van de Gemeente vindt vóór Daniëls volledige zeventigste week plaats en wordt vanuit haar eigen Schriftplaatsen vastgesteld. Lees daarvoor Wordt de Gemeente vóór Daniëls zeventigste week opgenomen?.



21. De waarschuwing gaat rechtstreeks door naar de dienstknecht


Na „één aangenomen en één verlaten” zegt Christus:

“Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.”
— Mattheüs 24:42

En daarna:

“Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht?”
— Mattheüs 24:45

De rede beweegt van herkenning naar verantwoordelijkheid:


  • zie de voorzegde gebeurtenissen;
  • weet dat de komst nabij is;
  • waak en wees bereid;
  • verzorg het huisgezin;
  • verwacht de afrekening.


Het volgende gedeelte gaat daarom niet plotseling over een willekeurige ongelovige. Het waarschuwt een werkelijk aangestelde dienstknecht binnen dezelfde gelovige eindtijdkring. Dat wordt volledig uitgewerkt in De getrouwe en kwade dienstknecht in Mattheüs 24.



22. Wat betekent dit voor een lezer vandaag?


De directe profetische situatie betreft Israël tijdens Daniëls zeventigste week. Toch heeft de waarschuwing ook nu kracht.


Een mens kan door Gods Woord worden gewaarschuwd en toch doorgaan alsof het oordeel nooit komt. De mensen in Noachs dagen hadden niet te weinig bewijs; zij wilden Gods waarschuwing niet erkennen. De zichtbaarheid van geestelijke gebeurtenissen redt niemand. Alleen geloof in Jezus Christus geeft eeuwig leven.


Voor een gelovige geldt bovendien dat kennis van profetie geen vervanging is voor gehoorzaamheid. Iemand kan de juiste tijdlijn kennen en toch geestelijk slapen. Waken betekent dat Gods waarheid de wandel werkelijk beheerst.



23. Het Evangelie vóór de profetische toepassing


De eerste vraag is niet of u alle eindtijdteksten kunt ordenen. De eerste vraag is of u eeuwig leven bezit.


Jezus Christus, de Zoon van God, stierf voor onze zonden, werd begraven en stond lichamelijk op uit de doden. Hij heeft het volledige verlossingswerk volbracht. Daarom zegt Hij:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

Eeuwig leven wordt niet verdiend door waken, tekenen herkennen, volharden, goede werken of een juiste profetische kalender. Het wordt als gave ontvangen op het ogenblik dat een mens in Jezus Christus gelooft.


Wie gelooft, mag daarna leren waken, Gods Woord verstaan en trouw wandelen. Maar die wandel is het gevolg van redding, niet de voorwaarde ervoor.



Conclusie


De vijgenboom in Mattheüs 24 is geen verborgen datumcode voor 1948. Lukas noemt de vijgenboom en alle bomen. Zoals uitlopende bomen de zomer aankondigen, zo maken de door Christus voorzegde gebeurtenissen het naderende Koninkrijk herkenbaar.


„Dit geslacht” is het doorgaande ongelovige, verharde en Messiasverwerpende Israël dat Jezus reeds in Mattheüs 23 aansprak. Ondanks het oordeel over Jeruzalem, de verstrooiing onder de volken en eeuwen van vervolging verdwijnt dit geslacht niet voordat alle voorzegde gebeurtenissen hun climax bereiken. Dit is geen generatieberekening vanaf 1948, maar de verzekering dat het ongelovige Israël blijft bestaan tot de terugkeer van de Koning Die het heeft verworpen.


Bij die terugkeer worden de dan nog levende wederstrevers uitgezuiverd en gedood. Het Joodse volk zelf houdt niet op te bestaan: het gelovige overblijfsel wordt gelouterd, aanschouwt de doorstoken Messias en gaat als het verloste Israël het Koninkrijk binnen. Niet Israël als volk gaat voorbij, maar Israël als ongelovig en Messiasverwerpend geslacht.


Toen Jezus over de onbekende dag en ure sprak, was de gruwel in de heilige plaats nog niet zichtbaar en was Openbaring nog niet gegeven. Wanneer de gruwel in het midden van Daniëls week verschijnt, vlucht de vrouw naar Gods bereide plaats. Vanaf dat ogenblik lopen de laatste 1.260 dagen en de 42 maanden van de Beestmacht. Christus verschijnt terstond na de verdrukking en beëindigt die macht. De verschijningsdag is daarom na het zichtbare ijkpunt af te tellen; een afzonderlijk modern klokuur wordt hier niet gegeven.


De dagen van Noach tonen een wereld vol demonische inmenging, algemene boosheid, verdorvenheid en geweld. Toch bleven de mensen hun gewone leven voortzetten en verwierpen zij Gods waarschuwing totdat de vloed hen allen wegnam. Noach bleef in de ark door Gods bewaring over. Dit vormt een nauwkeurig patroon van de vrouw die gedurende de laatste 1.260 dagen op Gods bereide plaats lichamelijk wordt onderhouden. Die bijzondere bescherming geldt niet zonder onderscheid voor iedere gelovige: de overigen van haar zaad worden door de draak vervolgd en heiligen kunnen door het Beest worden gedood. Zij verliezen daardoor hun eeuwige leven niet, maar behoren tot de martelaren die bij de eerste opstanding leven en met Christus regeren. Lot werd eveneens bewaard terwijl Sodom werd vernietigd.


Zo vindt bij Christus’ zichtbare komst een persoonlijke scheiding plaats. De aangenomene wordt onder het oordeel weggenomen; de andere blijft bewaard om het duizendjarig Koninkrijk binnen te gaan. Akker, bed en molen zijn geen verborgen bevolkingscodes, en deze scheiding is niet de opname van de Gemeente.


De slotsom luidt:


Let niet op menselijke datumcodes, maar op hetgeen Christus Zelf heeft voorzegd. Het ongelovige en Messiasverwerpende Israël zal ondanks oordeel en verstrooiing blijven bestaan tot de profetische climax. Het gelovige overblijfsel zal de tekenen herkennen, het zichtbare midden meemaken en de laatste 1.260 dagen kunnen volgen. De wereld zal ondanks waarschuwing doorgaan, maar Gods dag komt zeker. De vrouw wordt lichamelijk op Gods bereide plaats bewaard; andere gelovigen kunnen als martelaar sterven, maar blijven eeuwig veilig in Christus. Bij Zijn komst worden de levende wederstrevers uit Israël uitgezuiverd en gedood, worden de overige goddelozen onder het oordeel weggenomen en blijven de levende gelovigen over om het Koninkrijk binnen te gaan.