Zeven werkelijke gemeenten tonen samen het volledige gemeentegetuigenis. Christus beoordeelt hun liefde, leer, wandel, tucht en loon, maar maakt het eeuwige leven van de wedergeboren gelovige niet onzeker. De overwinnaar is degene die in Jezus Christus gelooft; zijn positie staat vast, terwijl zijn praktische wandel beoordeeld wordt.
Wat betekenen de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3?
Openbaring begint niet onmiddellijk met zegelen, bazuinen en oordelen. Voordat Christus laat zien wat na de huidige gemeenteperiode zal gebeuren, verschijnt Hij eerst in het midden van zeven gouden kandelaars. Hij onderzoekt zeven gemeenten, prijst hun trouw, bestraft hun zonden, waarschuwt voor tuchtiging en spreekt prachtige beloften uit aan degene die overwint.
Deze brieven worden vaak gelezen alsof iedere waarschuwing opnieuw de eeuwige bestemming van de aangesproken mensen onzeker maakt. Kan een kandelaar worden weggenomen? Kan iemand die de naam heeft dat hij leeft toch dood zijn? Kan Christus een gelovige uit Zijn mond spuwen? En waarom belooft Hij dat de naam van de overwinnaar niet uit het boek des levens zal worden gedaan?
De antwoorden worden helder wanneer wij de eigen uitleg van Openbaring volgen en Schrift met Schrift vergelijken. Er moeten drie zaken onderscheiden blijven:
- de eeuwige positie van iedere gelovige in het ene lichaam van Christus;
- de toestand van een plaatselijke gemeente als kandelaar en gezamenlijk getuigenis;
- de persoonlijke wandel, gemeenschap, tuchtiging en beloning van afzonderlijke gelovigen.
Wanneer deze zaken worden vermengd, lijken de brieven de redding afhankelijk te maken van werken. Wanneer zij Schriftuurlijk worden onderscheiden, blijven zowel de onverliesbare genade van God als de volle ernst van Christus’ waarschuwingen staan.
Zeven werkelijke gemeenten
Johannes richt het boek aan concrete gemeenten:
“Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn.”
— Openbaring 1:4
Christus noemt hen vervolgens afzonderlijk:
“Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea.”
— Openbaring 1:11
Het waren dus geen denkbeeldige gemeenten. Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia en Laodicea waren werkelijk bestaande plaatselijke gemeenten. Hun omstandigheden, goede werken, tekortkomingen en gevaren waren werkelijk.
Maar zij waren niet de enige gemeenten en gelovigen in dat gebied. Paulus noemt ook Kolosse en Hiërapolis. Hij spreekt over de broeders in Laodicea, over de gemeente in het huis van Nymfas en over het uitwisselen van brieven tussen Kolosse en Laodicea (Kolossenzen 4:13–16). Handelingen 19:10 zegt bovendien dat allen die in Azië woonden het Woord van de Heere Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.
Christus koos dus bewust zeven gemeenten uit een groter aantal. Dat maakt de vraag belangrijk: waarom precies zeven?
Zeven als een volledig geheel
Het getal zeven loopt door het hele boek Openbaring. Wij lezen onder meer over:
- zeven Geesten;
- zeven sterren;
- zeven gouden kandelaars;
- zeven zegelen;
- zeven engelen met zeven bazuinen;
- zeven donderslagen;
- zeven hoofden;
- zeven engelen met zeven laatste plagen;
- zeven gouden fiolen waarin Gods toorn wordt voleindigd.
Het duidelijkste voorbeeld staat in de beschrijving van het Lam:
“Een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.”
— Openbaring 5:6
Een hoorn is in de profetische Schrift een beeld van macht. De zeven hoornen spreken daarom niet over zeven losstaande machten van Christus, maar over Zijn volkomen macht. De zeven ogen wijzen niet op een lichamelijke eigenaardigheid, maar op volkomen Goddelijk doorzicht. Openbaring verklaart die ogen als de zeven Geesten Gods die in alle landen zijn uitgezonden.
Dat betekent niet dat er zeven Heilige Geesten bestaan. Paulus zegt rechtstreeks:
“Eén lichaam is het, en één Geest.”
— Efeze 4:4
De ene Heilige Geest wordt in Openbaring in Zijn volkomen, allesomvattende werking voorgesteld. Zacharia zag eveneens een gouden kandelaar met zeven lampen. De verklaring luidde:
“Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.”
— Zacharia 4:6
En over de zeven werd gezegd:
“Dat zijn de ogen des HEEREN, die het ganse land doortrekken.”
— Zacharia 4:10
Dezelfde samenhang keert in Openbaring terug: zeven, ogen, kandelaars en de Geest van God. Zeven duidt hier een door God bepaalde volheid of volledigheid aan.
Daarom tonen de zeven gemeenten samen het volledige gemeentegetuigenis op aarde. Dat betekent niet dat iedere plaatselijke gemeente in haar wandel volmaakt of zonder zonde is. De brieven bewijzen juist het tegendeel. De volledigheid ligt in de voorstelling: Christus laat door deze zeven kandelaars volledig zien wat Hij in Zijn Gemeente aantreft en beoordeelt.
Iedere brief bevestigt die bredere reikwijdte. Christus zegt niet alleen: hoor wat de Geest tot deze ene gemeente zegt. Iedere brief eindigt met:
“Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.”
Wat rechtstreeks tot Efeze wordt gezegd, moeten ook Smyrna, Pergamus en alle andere gemeenten horen. Wat Laodicea hoort, is eveneens bestemd voor iedere gelovige die oren heeft. Aan het einde van het hele boek zegt Christus:
“Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten.”
— Openbaring 22:16
De zeven kandelaars waren plaatselijk en historisch werkelijk. Gezamenlijk vertegenwoordigen zij het volledige aardse getuigenis van het ene lichaam van Christus.
Eén lichaam en zeven plaatselijke kandelaars
Het woord “Gemeente” wordt in het Nieuwe Testament zowel voor het ene lichaam van Christus als voor een plaatselijke samenkomst gebruikt. Die twee horen bij elkaar, maar mogen niet worden vereenzelvigd.
De Gemeente als het ene lichaam van Christus
Paulus schrijft:
“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.”
— 1 Korinthe 12:12
Hoe wordt iemand lid van dat lichaam?
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.”
— 1 Korinthe 12:13
Het is de Heilige Geest Die de gelovige in het lichaam plaatst. Dat gebeurt niet doordat iemand een kerkgebouw binnengaat, op een menselijke ledenlijst wordt gezet of bij een kerkgenootschap wordt ingeschreven. Efeze 1 geeft de volgorde:
“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing.”
— Efeze 1:13–14
De mens hoort het Evangelie, gelooft in Christus en wordt met de Heilige Geest verzegeld. Die Geest is het onderpand tot de verkregen verlossing. De Gemeente is daarom geen menselijke organisatie die eeuwig leven uitdeelt. Zij is:
“Zijn lichaam, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.”
— Efeze 1:23
Iemand die werkelijk in Christus gelooft, behoort volledig tot dat lichaam, ook wanneer hij nooit een kerkgebouw heeft bezocht. De Heere Zelf voegt de zaliggewordenen toe:
“En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.”
— Handelingen 2:47
Zij werden niet zalig doordat mensen hen aan de Gemeente toevoegden. De Heere voegde hen toe omdat zij zalig werden.
De gemeente als plaatselijke kandelaar
De leden van Christus’ lichaam behoren plaatselijk samen te komen om het Woord te horen, elkaar op te bouwen, te dienen, het avondmaal te gebruiken en gezamenlijk van Christus te getuigen. Zo’n plaatselijke gemeente wordt in Openbaring als een kandelaar voorgesteld.
Christus verklaart:
“De zeven sterren zijn de engelen der zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten.”
— Openbaring 1:20
De Schrift noemt de sterren de engelen van de gemeenten zonder hier verder vast te leggen of wij bij iedere ster aan een hemelse engel of een menselijke boodschapper moeten denken. Voor de hoofdzaak maakt dat geen verschil: Christus houdt de zeven sterren in Zijn rechterhand en wandelt Zelf in het midden van de kandelaars. De plaatselijke gemeenten staan onder Zijn gezag en beoordeling.
Een plaatselijke gemeente verleent geen eeuwig leven. Zij behoort het licht dat zij van Christus heeft ontvangen zichtbaar te dragen. Daarom kan Christus haar gezamenlijke liefde, leer, wandel en getuigenis onderzoeken.
Kan een ongelovige zich in een plaatselijke gemeente bevinden?
De Gemeente als lichaam bestaat uit mensen die door de Geest in Christus zijn geplaatst. Toch kunnen ongelovigen een plaatselijke samenkomst binnengaan. Paulus maakt dat onderscheid expliciet:
“Indien dan de gehele Gemeente bijeenvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden of ongelovigen inkwamen…”
— 1 Korinthe 14:23
Eerst is “de gehele Gemeente” bijeen. Vervolgens komen ongelovigen binnen. Zij bevinden zich in dezelfde ruimte, maar worden door Paulus niet tot de Gemeente gerekend.
Daarnaast kunnen valse belijders en verleiders de christelijke kring binnendringen. Paulus spreekt over “ingekropen valse broederen” (Galaten 2:4). Judas waarschuwt dat sommige goddeloze mensen waren “ingeslopen” (Judas 4). Paulus zei tegen de opzieners van Efeze:
“Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.”
— Handelingen 20:29–30
Johannes beschrijft mensen die uiterlijk een tijdlang met de gelovigen verbonden waren, maar nooit werkelijk uit hen waren:
“Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet.”
— 1 Johannes 2:19
Dat onderscheid zien wij ook in de zeven brieven:
- Efeze beproefde mensen die zich apostelen noemden maar het niet waren;
- Smyrna werd gelasterd door mensen die zeiden Joden te zijn maar logen;
- Pergamus had mensen in haar kring die de leer van Bileam en de Nikolaïeten vasthielden;
- Thyatire liet Jezabel haar verleiding verspreiden;
- Christus onderscheidde Jezabel, haar kinderen, Zijn verleide dienstknechten en “de anderen” die haar leer niet hadden.
De concrete aardse kring kan dus gemengd raken. Maar een ongelovige bezoeker of ingeslopen verleider wordt door zijn aanwezigheid geen lid van het lichaam van Christus. Dit is de dubbele laag die in Openbaring 2 en 3 steeds zichtbaar blijft: Christus spreekt tot de kandelaar als een gezamenlijke eenheid en onderscheidt daarbinnen afzonderlijke personen en groepen.
Christus spreekt Zijn door bloed gereinigde Gemeente aan
Voordat Christus één gebrek van de zeven gemeenten noemt, legt Openbaring hun positie vast. Johannes schrijft aan de zeven gemeenten en verheerlijkt Christus:
“Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader.”
— Openbaring 1:5–6
De aangesproken Gemeente is door Christus geliefd, in Zijn bloed gewassen en tot een koninklijk-priesterlijke orde gemaakt. Dat blijkt vervolgens uit de taal van de afzonderlijke brieven:
- Efeze heeft om Christus’ Naam gearbeid;
- Smyrna is ondanks aardse armoede geestelijk rijk;
- Pergamus houdt Christus’ Naam vast en heeft “Mijn geloof” niet verloochend;
- Thyatire wordt geprezen om werken, liefde, dienst, geloof en lijdzaamheid;
- Sardis moet vasthouden wat het ontvangen en gehoord heeft;
- Filadelfia heeft Christus’ Woord bewaard en Zijn Naam niet verloochend;
- Laodicea wordt door Christus geliefd, bestraft en gekastijd.
Over Laodicea zegt Christus:
“Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.”
— Openbaring 3:19
Dat sluit rechtstreeks aan bij de behandeling van Gods kinderen:
“Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.”
— Hebreeën 12:6
Gods kastijding is geen poging om een ongelovige door werken tot Zijn kind te maken. Zij is de opvoedende en zo nodig zeer ernstige behandeling van iemand die als zoon is aangenomen.
De zeven brieven vragen daarom niet of Christus’ lichaam door voldoende werken gered kan blijven. Zij laten zien hoe Christus het liefdeleven, de leer, de wandel, de gemeenschap, de bruikbaarheid en de werken van Zijn reeds geredde Gemeente beoordeelt.
Wie is degene die overwint?
Iedere brief eindigt met een belofte aan “die overwint”. Wanneer wij die uitdrukking tot een nieuwe voorwaarde voor eeuwig leven maken, wordt iedere belofte onzeker. Heeft iemand wel genoeg overwonnen om van de boom des levens te eten? Kan een falende gelovige toch door de tweede dood beschadigd worden? Krijgt alleen een bijzonder trouwe gelovige witte klederen? Kan een naam bij onvoldoende overwinning alsnog uit het boek des levens worden gedaan?
Johannes laat de betekenis niet aan onze verbeelding over. Hij verklaart rechtstreeks:
“Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?”
— 1 Johannes 5:4–5
De overwinnaar is degene die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Zijn overwinning komt voort uit zijn nieuwe geboorte en wordt verkregen door geloof, niet door een vlekkeloze prestatie van zijn vlees.
Wat uit het vlees geboren is en wat uit de Geest geboren is
Christus zegt:
“Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.”
— Johannes 3:6
Bij de wedergeboorte wordt het vlees niet omgevormd tot een betrouwbare, zondeloze natuur. De gelovige ontvangt een nieuwe geboorte. Paulus spreekt daarom over de oude en de nieuwe mens:
“Dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding; en dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds, en den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.”
— Efeze 4:22–24
Johannes schrijft over die geboorte:
“Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.”
— 1 Johannes 3:9
Dezelfde Johannes zegt tegelijkertijd tegen gelovigen:
“Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet.”
— 1 Johannes 1:8
En:
“Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige.”
— 1 Johannes 2:1
De gelovige kan dus nog zondigen, terwijl wat uit God geboren is niet zondigt. Paulus verklaart dezelfde strijd vanuit de inwendige mens:
“Zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.”
“Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens.”
— Romeinen 7:17,22
De nieuwe mens is Gods onomkeerbare werk van wedergeboorte in de gelovige; de uiteindelijke grond van zijn vaste positie blijft Christus en Zijn volbrachte werk. Zijn vlees blijft echter aanwezig en kan in de dagelijkse wandel de overhand krijgen. Daarom waarschuwt Paulus:
“Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet. Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.”
— Galaten 5:16–17
De juiste conclusie is daarom:
De overwinnaar is de gelovige beschouwd naar zijn uit God geboren nieuwe mens. De gehele gelovige wordt overwinnaar genoemd, maar de grond van zijn overwinning ligt niet in de prestatie van zijn vlees. Zij ligt in Gods nieuwe geboorte en in het geloof in Jezus Christus.
De bredere Schriftlijn achter dit onderscheid wordt uitgewerkt in Vlees en Geest: de strijd van de gelovige.
De Geest spreekt tot de gemeenten
Iedere brief zegt:
“Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.”
“De Geest” is hier de Heilige Geest. Hij spreekt tot de gemeenten. De natuurlijke mens kan de dingen van Gods Geest niet ontvangen:
“Doch de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.”
— 1 Korinthe 2:14
De gelovige heeft daarentegen de Geest ontvangen, en:
“Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.”
— Romeinen 8:16
De nieuwe geboorte maakt de gelovige geestelijk in staat Gods woorden te ontvangen. Maar dat betekent niet dat iedere gelovige automatisch gehoorzaamt. De Korinthiërs waren “jonge kinderen in Christus” en toch vleselijk (1 Korinthe 3:1–3). Een gelovige kan de Heilige Geest bedroeven (Efeze 4:30) en Zijn werking tegenstaan. Daarom blijft de oproep noodzakelijk: wie oren heeft, moet werkelijk horen.
Hier ontstaat het beslissende onderscheid:
- iedere gelovige is positioneel een overwinnaar door zijn nieuwe geboorte;
- niet iedere gelovige overwint iedere verzoeking praktisch in zijn wandel.
Praktische nederlagen kunnen gemeenschap, getuigenis, gezondheid, aardse dienst en toekomstig loon beschadigen. Zij kunnen Gods nieuwe geboorte niet ongedaan maken.
Efeze: goede werken zonder de eerste liefde
Christus stelt Zich aan Efeze voor als Degene Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt en in het midden van de zeven gouden kandelaars wandelt. Hij kent haar werken, arbeid en lijdzaamheid. Zij kan de kwaden niet dragen, heeft valse apostelen beproefd en heeft om Zijn Naam gearbeid zonder moe te worden.
Dit was geen gemeente zonder ernst, leerkennis of volharding. Toch zegt Christus:
“Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten.”
— Openbaring 2:4
Zuivere leer en veel arbeid kunnen de eerste liefde niet vervangen. Christus wil niet alleen correcte activiteiten; Hij wil Zelf de eerste plaats in de liefde van Zijn Gemeente innemen.
Daarom volgt de waarschuwing:
“Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.”
— Openbaring 2:5
Openbaring 1:20 heeft reeds verklaard dat de kandelaar de plaatselijke gemeente is. Christus zegt niet dat Hij individuele gelovigen uit Zijn lichaam zal verwijderen. Hij bedreigt Efeze in haar plaats en functie als kandelaar.
Een groep mensen kan blijven samenkomen, een naam behouden en activiteiten organiseren, terwijl Christus haar niet langer als Zijn lichtdragende getuigenis gebruikt. Het wegnemen van de kandelaar is het einde van het plaatselijke gemeentegetuigenis. Het is niet het ongedaan maken van de wedergeboorte van ieder afzonderlijk lid.
Daarna spreekt Christus de overwinnaar aan:
“Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.”
— Openbaring 2:7
De boom des levens behoort tot de eeuwige erfenis van de verlosten. Openbaring 22 toont hem in het Nieuwe Jeruzalem. De belofte rust niet op de vraag of het vlees van een gelovige altijd de eerste liefde heeft behouden. De overwinnaar is degene die door geloof uit God geboren is.
Smyrna: tijdelijke verdrukking, een kroon en geen tweede dood
Smyrna ontvangt geen bestraffing. Christus kent haar werken, verdrukking en armoede, maar voegt onmiddellijk toe:
“Doch gij zijt rijk.”
— Openbaring 2:9
De wereld kon deze gelovigen arm maken, gevangen zetten en doden, maar hun werkelijke rijkdom in Christus niet aanraken. Christus waarschuwt dat sommigen in de gevangenis zullen worden geworpen en tien dagen verdrukking zullen hebben. Vervolgens zegt Hij:
“Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.”
— Openbaring 2:10
Hier gaat het om trouw en beloning. De kroon wordt verbonden met getrouwheid tot in de dood. Daarna volgt echter een andere belofte:
“Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden.”
— Openbaring 2:11
De kroon en de vrijwaring van de tweede dood zijn niet hetzelfde. Openbaring 20:14 verklaart dat de poel des vuurs de tweede dood is. Geen gelovige kan daardoor beschadigd worden, want hij bezit eeuwig leven. Een kroon heeft met goedgekeurde trouw te maken; vrijwaring van de tweede dood behoort tot de vaste positie van ieder die gelooft.
Smyrna laat daardoor binnen één korte brief het onderscheid zien tussen loon en redding.
Pergamus: Christus’ Naam vasthouden en verkeerde leer verdragen
Pergamus woonde waar de troon van satan was. Toch zegt Christus:
“Gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend.”
— Openbaring 2:13
Zelfs toen Antipas, Christus’ getrouwe getuige, werd gedood, bleef de gemeente Zijn Naam vasthouden. Maar zij verdroeg mensen die de leer van Bileam en de leer van de Nikolaïeten vasthielden.
De formulering is belangrijk. Christus zegt:
“Gij hebt aldaar, die de lering van Balaäm houden.”
En:
“Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaïeten houden.”
Hij onderscheidt de gemeente als aangesproken kandelaar van degenen die de valse leer droegen. Zij bevonden zich “aldaar”, in haar kring. De gemeente was verantwoordelijk omdat zij dit liet bestaan.
Daarom beveelt Christus:
“Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds.”
— Openbaring 2:16
Christus zegt niet dat Hij alle gelovigen in Pergamus eeuwig zal veroordelen. Hij zal tegen “hen” strijden die Zijn gehate leer vasthouden. Zijn Woord onderzoekt en oordeelt.
Aan de overwinnaar belooft Hij het verborgen manna, een witte keursteen en daarop een nieuwe naam die niemand kent dan degene die hem ontvangt. De Schrift verklaart niet ieder detail van de keursteen, zodat wij geen menselijke theorie als zekerheid moeten presenteren. Wel staat vast dat Christus Zelf geeft, voedt, goedkeurt en een persoonlijke, door Hem gekende identiteit verleent. De belofte is niet: verdien door werken alsnog eeuwig leven. Zij behoort tot de toekomstige gave aan degene die door geloof overwint.
Thyatire: groeiende werken naast toegelaten verleiding
Christus prijst Thyatire uitvoerig:
“Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste.”
— Openbaring 2:19
Anders dan Efeze waren haar laatste werken zelfs meer dan de eerste. Toch liet de gemeente een vrouw die Christus “Jezabel” noemt leren en Zijn dienstknechten verleiden tot hoererij en het eten van afgodenoffers.
Opnieuw onderscheidt de tekst verschillende groepen:
- Jezabel als verleidster;
- degenen die met haar overspel bedrijven;
- haar kinderen;
- Christus’ dienstknechten die zij verleidt;
- “de anderen” in Thyatire die haar leer niet hebben.
Niet iedereen in de plaatselijke kring stond geestelijk op dezelfde plaats. De kandelaar werd aangesproken op het toelaten van het kwaad, terwijl Christus ieder hart afzonderlijk onderzocht:
“En al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken.”
— Openbaring 2:23
Hier staat beoordeling naar werken rechtstreeks vermeld. Die beoordeling bepaalt niet of Christus’ volbrachte betaling voldoende was. Zij bepaalt Zijn goedkeuring, tuchtiging en beloning van ieder afzonderlijk.
De dreiging van ziekte, grote verdrukking en dood moet daarbij niet worden afgezwakt. God kan gelovigen zeer zwaar en zelfs lichamelijk tuchtigen. In Korinthe waren vanwege zonde rond het avondmaal velen zwak en ziek en velen ontslapen. Paulus legt uit:
“Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.”
— 1 Korinthe 11:32
In 1 Korinthe 5:5 kon een zondigende man zelfs aan satan worden overgegeven “tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus”. Lichamelijk verderf en eeuwige verdoemenis zijn niet hetzelfde.
Aan Thyatire wordt vervolgens gezegd:
“En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen.”
— Openbaring 2:26
Hier wordt aan de identiteit van de overwinnaar nadrukkelijk praktische trouw toegevoegd: “en die Mijn werken tot het einde toe bewaart”. De gehele Gemeente heeft een koninklijk-priesterlijke positie en zal met Christus regeren, maar de concrete regeringsverantwoordelijkheid en beloning worden naar trouw toegekend. Christus zegt immers in dezelfde brief dat Hij een ieder naar zijn werken zal geven.
De vaste positie en de persoonlijke beloning staan naast elkaar zonder te worden vermengd.
Sardis: een levende naam, maar vrijwel dode werken
De woorden aan Sardis klinken bijzonder ernstig:
“Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.”
— Openbaring 3:1
Sardis had bij mensen de reputatie een levende gemeente te zijn. Christus keek echter niet naar haar naam of uiterlijk aanzien. Hij zag haar werkelijke toestand. Het volgende vers verklaart waarin die dood zichtbaar was:
“Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.”
— Openbaring 3:2
Christus spreekt over onvolkomen werken en over een overblijfsel dat nog versterkt kon worden maar dreigde te sterven. Dat kan niet eenvoudig betekenen dat ieder aangesproken mens het eeuwige leven miste. Eeuwige geestelijke dood kent geen “overige” levende zaken die door waakzaamheid versterkt kunnen worden.
De Schrift kan “dood” gebruiken voor een vruchteloze toestand terwijl iemand lichamelijk leeft. Over de weduwe die in wellust leeft, zegt Paulus dat zij “levende gestorven” is (1 Timotheüs 5:6). Jakobus noemt geloof zonder werken dood, omdat het praktisch niets voortbrengt (Jakobus 2:17,26). De zoon uit Lukas 15 werd door zijn vader “dood” en daarna “weder levend” genoemd, hoewel hij gedurende zijn afdwaling zoon bleef.
Sardis was als gezamenlijk getuigenis vrijwel gestorven. Haar werken waren voor God niet vol. Zij moest ontwaken, vasthouden wat zij ontvangen en gehoord had, en zich bekeren.
Onbevlekte klederen en witte klederen
Christus zegt vervolgens:
“Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.”
— Openbaring 3:4
Deze “weinige namen” waren persoonlijk trouw gebleven. Zij bezaten reeds klederen en hadden die niet bevlekt. De beeldspraak gaat daarom over hun praktische wandel, niet over de vraag hoe zij gerechtvaardigd moesten worden. De Schrift roept gelovigen ook elders op te wandelen “waardiglijk der roeping” en “waardiglijk den Heere” (Efeze 4:1; Kolossenzen 1:10). Die waardigheid is geen aangeboren zondeloosheid en evenmin een verdienste waarmee eeuwig leven wordt gekocht. Het is een wandel die overeenkomt met de roeping en genade die zij reeds ontvangen hebben.
Christus Zelf beoordeelt die wandel en zegt van deze weinigen werkelijk: “zij zijn het waardig.” Zij zullen met Hem wandelen in witte klederen. Hier erkent Hij hun onbevlekte wandel en belooft Hij hun Zijn bijzondere goedkeuring en gemeenschap. Hun trouw is dus niet onbelangrijk en wordt niet uitgewist doordat redding uit genade is.
Daarna wordt de belofte breder:
“Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.”
— Openbaring 3:5
Hier wordt de belofte breder dan de “weinige namen” die hun klederen praktisch onbevlekt hadden gehouden. Christus zegt niet: alleen degene wiens wandel waardig genoeg is, zal worden bekleed. Hij zegt: “Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen.” Johannes heeft de overwinnaar gedefinieerd als degene die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Dit gaat daarom over de vaste hemelse positie van iedere uit God geboren gelovige.
Christus zegt evenmin: indien uw werken uiteindelijk voldoende blijken, zal Ik overwegen uw naam te laten staan. Hij belooft:
“Ik zal zijn naam geenszins uitdoen.”
“Geenszins” is zekerheidstaal. Christus gebruikt dezelfde volstrekte zekerheid wanneer Hij zegt:
“Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.”
— Johannes 6:37
En:
“Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”
— Johannes 10:28
Openbaring keert de belofte nergens om. Van de aanbidders van het beest staat niet dat hun namen eerst geschreven en daarna uitgewist waren. Hun namen zijn “niet geschreven in het boek des levens, des Lams” (Openbaring 13:8; 17:8). Wie uiteindelijk niet geschreven wordt gevonden, ondergaat de tweede dood (Openbaring 20:15). Wie in het boek des levens des Lams staat, mag de eeuwige stad binnengaan (Openbaring 21:27).
Openbaring 3:5 bedreigt de gelovige daarom niet met verlies van redding. Het verzekert hem van blijvende erkenning. De witte hemelse bekleding wordt uit genade ontvangen. Openbaring 7:14 laat het diepste fundament van alle reinheid zien: de klederen worden wit gemaakt “in het bloed des Lams”. Niet de waardigheid van het vlees, maar Christus’ bloed maakt een zondaar geschikt om rein voor God te staan.
Zelfs wanneer het werk van een gelovige bij Christus’ rechterstoel verbrandt, blijft over hem geschreven: “zelf zal hij behouden worden” (1 Korinthe 3:15). Ook zo iemand staat in de eeuwige heerlijkheid niet naakt omdat zijn praktische wandel de witte klederen niet waardig was. Hij ontvangt zijn volmaakte hemelse bekleding uit genade, omdat Christus voor hem gestorven is en hij uit God geboren werd.
Dat alle gelovigen witte bekleding ontvangen, wordt direct in het volgende hoofdstuk zichtbaar. Alle vierentwintig ouderlingen rondom de troon zijn “bekleed met witte klederen” (Openbaring 4:4). Geen deel van deze volledige koninklijk-priesterlijke vertegenwoordiging van de Gemeente staat na de opname naakt voor God.
Dat is niet onrechtvaardig tegenover de weinigen die hun klederen onbevlekt hielden. Geen enkele gelovige heeft op grond van zichzelf recht op een wit kleed. Genade geeft aan de onwaardige wat Christus voor hem heeft verworven. Tegelijk erkent Christus volkomen rechtvaardig iedere trouwe wandel. Daarom kunnen beide uitspraken naast elkaar staan:
- iedere uit God geboren overwinnaar wordt uit genade met witte klederen bekleed;
- de gelovige die zijn klederen niet bevlekt, mag daarin met Christus wandelen omdat Hij diens wandel waardig oordeelt.
De witte klederen van vers 5 zijn dus geen loon dat een falende gelovige kan mislopen. De woorden “zij zijn het waardig” in vers 4 blijven echter een werkelijke goedkeuring van trouw. Gods oneindige genade maakt de positie van iedere gelovige volkomen; Zijn rechtvaardige beoordeling maakt het verschil in wandel niet betekenisloos.
Filadelfia: kleine kracht, een geopende deur en bewaring uit de ure
Filadelfia had kleine kracht, maar Christus prijst haar:
“Gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.”
— Openbaring 3:8
Christus heeft de sleutel Davids. Hij opent en niemand sluit; Hij sluit en niemand opent. Daarom zegt Hij:
“Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten.”
— Openbaring 3:8
De Schrift gebruikt een geopende deur voor een door God gegeven mogelijkheid tot dienst en verkondiging. Paulus schrijft:
“Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.”
— 1 Korinthe 16:9
En hij vraagt gebed:
“Dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus.”
— Kolossenzen 4:3
De geopende deur van Filadelfia is daarom allereerst door Christus verzekerde toegang en gelegenheid voor haar getuigenis. Zij is niet rechtstreeks de deur van de opname.
Vervolgens belooft Christus:
“Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.”
— Openbaring 3:10
Christus belooft niet alleen bewaring voor een bepaald kwaad binnen die ure. Hij spreekt over bewaring “uit de ure” zelf: uit de wereldwijde tijdsperiode die gericht is op degenen die op de aarde wonen. Die uitdrukking keert later in Openbaring terug voor de voorwerpen van de eindtijdoordelen (onder andere Openbaring 6:10; 8:13; 11:10; 13:8).
Deze belofte past daarom nauwkeurig in de cumulatieve Schriftlijn dat Christus Zijn Gemeente vóór de wereldwijde verzoekings- en toornperiode tot Zich neemt. Zij betekent niet dat alleen bijzonder trouwe gelovigen worden opgenomen. De opname betreft allen die in Christus zijn: “wij zullen allen veranderd worden” (1 Korinthe 15:51). Het lichaam is één en wordt niet op grond van verdienstelijke werken in een opgenomen en een achtergelaten deel gesplitst.
Filadelfia wordt wel gewaarschuwd:
“Houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.”
— Openbaring 3:11
Een kroon kan worden gemist of verloren. Dat is loon. Daarna volgt de vaste belofte aan de overwinnaar:
“Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en de naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems.”
— Openbaring 3:12
“Hij zal niet meer daaruit gaan” spreekt over blijvende positie. Gods Naam, de naam van Zijn stad en Christus’ nieuwe Naam spreken over onveranderlijke toebehoren en burgerschap. De kroon betreft beloning; de overwinnaarsbelofte bevestigt de permanente toekomst van degene die gelooft.
Laodicea: lauwheid, ware rijkdom en herstelde gemeenschap
Laodicea ontvangt geen lof. Christus zegt:
“Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.”
— Openbaring 3:15–16
Koud kan hier niet eenvoudig “ongered” betekenen en heet “gered”. Christus zegt immers dat Hij wilde dat Laodicea koud óf heet was. Christus verlangt niet dat mensen ongelovig worden. Zowel koud als heet is in Zijn vergelijking te verkiezen boven de lauwe toestand die Hij afwijst.
Laodicea was zelfgenoegzaam:
“Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek.”
— Openbaring 3:17
Maar Christus zag haar als ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt. Zij meende zonder Hem voldoende te bezitten. Haar lauwe werken waren voor Hem weerzinwekkend.
“Ik zal u uit Mijn mond spuwen”
Deze woorden zijn ernstig, maar Christus zegt niet dat Hij Laodicea in de poel des vuurs zal werpen. Evenmin zegt Hij dat Hij wedergeboren mensen uit Zijn lichaam zal verwijderen. Hij brengt Zijn afkeer van haar lauwe toestand tot uitdrukking en kondigt verwerping van haar onbruikbare getuigenis en tuchtiging aan.
De volgende woorden bepalen de verhouding:
“Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.”
— Openbaring 3:19
Dit is vaderlijke tucht. Hebreeën 12 verklaart dat God degene die Hij liefheeft kastijdt en iedere zoon die Hij aanneemt geselt. Een gelovige kan daarom ernstig door Christus worden bestraft zonder zijn zoonschap te verliezen.
De tekst zegt niet precies in welke tijdelijke vorm het uitspuwen zich in Laodicea zou voltrekken. Wij moeten niet invullen wat God niet heeft geopenbaard. Wel staat vast wat de woorden binnen deze context niet betekenen: geen verlies van wedergeboorte, geen verwijdering uit het ene lichaam en geen herroeping van het eeuwige leven.
“Koop van Mij goud”
Christus vervolgt:
“Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.”
— Openbaring 3:18
Dit kan niet betekenen dat Laodicea haar rechtvaardiging of eeuwige leven door werken moest kopen. Gods gave wordt om niet ontvangen:
“En die wil, neme het water des levens om niet.”
— Openbaring 22:17
De Schrift kan “kopen” gebruiken zonder een geldelijke of verdienstelijke prijs:
“O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!”
— Jesaja 55:1
Laodicea bezat in eigen ogen rijkdom maar miste ware geestelijke rijkdom. De beproeving van geloof wordt met goud vergeleken:
“Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus.”
— 1 Petrus 1:7
Ook de werken van gelovigen worden bij Christus’ rechterstoel door vuur beproefd. Goud, zilver en kostelijke stenen blijven; hout, hooi en stoppelen verbranden. Wanneer iemands gehele werk verbrandt, “die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden” (1 Korinthe 3:12–15).
Het goud van Laodicea ziet daarom op ware, door Christus voortgebrachte en beproefde geestelijke rijkdom: geloof en werken die bij Zijn beoordeling kunnen bestaan. De witte klederen plaatsen een goedgekeurde wandel tegenover beschamende naaktheid. De ogenzalf plaatst geestelijk inzicht tegenover blindheid. Niets daarvan koopt het eeuwige leven. Het gaat om geestelijke gezondheid, vrucht en gereedheid om zonder beschaming voor Christus te verschijnen.
“Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop”
Christus zegt vervolgens:
“Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.”
— Openbaring 3:20
Dit vers wordt vaak gebruikt alsof Christus buiten het hart van een ongelovige staat en wacht totdat deze Hem door een gebed “in zijn hart uitnodigt”. Dat is niet de context. Christus spreekt niet tot een heidense stad, maar tot Zijn gemeente in Laodicea. De Heere van de Gemeente stond feitelijk buiten de gemeenschap van Zijn eigen plaatselijke kandelaar.
Daarom verschuift Hij van het gezamenlijke “gij” naar het persoonlijke:
“Indien iemand…”
Zelfs wanneer de gemeente als geheel lauw bleef, kon iedere afzonderlijke gelovige Zijn stem horen en persoonlijke gemeenschap met Hem herstellen. Christus zegt ook niet: Ik zal in zijn hart komen. Hij zegt dat Hij tot hem zal inkomen en met hem avondmaal zal houden. Een gezamenlijke maaltijd is hier een beeld van gemeenschap.
Dat sluit aan bij Christus’ woorden tot Zijn discipelen:
“Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.”
— Johannes 14:23
Johannes schrijft aan mensen die reeds eeuwig leven hebben:
“Opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.”
— 1 Johannes 1:3
Openbaring 3:20 is daarom primair een oproep tot herstelde gemeenschap. Het is niet de Bijbelse verklaring van de wijze waarop een ongelovige eeuwig leven ontvangt. De ongelovige wordt gered door in Christus te geloven. De gelovige in Laodicea wordt opgeroepen de buitengesloten Christus opnieuw de centrale plaats in zijn persoonlijke wandel te geven.
Aan de overwinnaar wordt beloofd:
“Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.”
— Openbaring 3:21
Het lichaam van Christus heeft een koninklijke bestemming. De vierentwintig ouderlingen zitten op tronen; zij zijn door het bloed gekocht en tot koningen en priesters gemaakt; zij zullen als koningen heersen op de aarde (Openbaring 4:4; 5:9–10). De Gemeente deelt door haar vereniging met Christus in Zijn overwinning en heerschappij. Binnen die gezamenlijke koninklijke positie beoordeelt Hij de concrete verantwoordelijkheid van ieder naar diens werken.
Wat kan een gelovige verliezen — en wat niet?
De zeven brieven bevatten werkelijke bedreigingen. Het zou verkeerd zijn ze zo te verzachten dat ongehoorzaamheid geen ernstige gevolgen meer heeft. Maar het is even verkeerd om gevolgen voor wandel en loon te veranderen in verlies van eeuwig leven.
| Wat beschadigd of verloren kan worden | Wat niet verloren kan worden |
|---|---|
| eerste liefde en eerste werken | eeuwig leven |
| persoonlijke gemeenschap met Christus | de nieuwe geboorte |
| de functie van een plaatselijke gemeente als kandelaar | lidmaatschap van het ene lichaam |
| een zuiver gezamenlijk getuigenis | verzegeling door de Heilige Geest |
| geestelijke gezondheid en bruikbaarheid | Gods kindschap |
| lichamelijke gezondheid of zelfs het aardse leven door tuchtiging | de eeuwige behoudenis van de uit God geboren gelovige |
| kroon, loon en concrete regeringsverantwoordelijkheid | vrijwaring van de tweede dood |
| vrijmoedigheid en goedkeuring bij Christus’ verschijning | de naam van de gelovige in het boek des levens |
Paulus vat het onderscheid bij de beoordeling van werken bijzonder helder samen:
“Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen. Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:14–15
Het werk kan blijven of verbranden. De gelovige kan loon ontvangen of schade lijden. Maar zelfs bij verbrand werk blijft staan: “zelf zal hij behouden worden.”
Lees voor een uitvoerige behandeling van dit onderscheid ook: Kan een gelovige zijn eeuwige zaligheid verliezen?
De zeven beloften tonen de volledige erfenis van de gelovige
De zeven slotbeloften vormen samen een indrukwekkend panorama. De lijn loopt van het paradijs Gods tot de troon van Christus:
| Gemeente / Lichaam van Christus | Belofte aan degene die overwint | Wat zij openbaart |
|---|---|---|
| Efeze | eten van de boom des levens | eeuwig leven in Gods paradijs |
| Smyrna | geen schade van de tweede dood | volkomen eeuwige veiligheid |
| Pergamus | verborgen manna, witte keursteen en nieuwe naam | voeding, goedkeuring en persoonlijke identiteit bij Christus |
| Thyatire | macht over de volken en de Morgenster | delen in Christus en Zijn komende heerschappij; concrete macht verbonden met trouw |
| Sardis | witte klederen, naam geenszins uitgedaan en door Christus beleden | hemelse bekleding, blijvende inschrijving en erkenning |
| Filadelfia | pilaar, nooit meer uitgaan en Gods Naam dragen | permanente plaats, toebehoren en burgerschap van het Nieuwe Jeruzalem |
| Laodicea | met Christus zitten in Zijn troon | koninklijke vereniging en heerschappij met Christus |
Dit zijn geen zeven aanvullende voorwaarden waaraan het vlees moet voldoen om gered te mogen blijven. Johannes zegt wie overwint: degene die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. De beloften ontvouwen daarom de positie en erfenis van de uit God geboren gelovige.
Daarnaast spreken de brieven duidelijk over persoonlijke trouw en loon. Smyrna kan de kroon des levens ontvangen door trouw tot de dood. Filadelfia moet vasthouden opdat niemand haar kroon neemt. Thyatire ontvangt concrete macht in verbinding met het bewaren van Christus’ werken. Christus geeft ieder naar zijn werken.
Positie en loon worden dus beide onderwezen, maar niet vermengd:
- de positie wordt door geloof ontvangen;
- de wandel behoort uit die positie voort te komen;
- de werken worden door Christus beoordeeld;
- loon kan worden ontvangen of gemist;
- eeuwig leven blijft Gods onherroepelijke gave.
Van de kandelaars op aarde naar de troonzaal in de hemel
Openbaring 1:19 geeft een belangrijke indeling:
“Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen.”
Na de volledige voorstelling van de Gemeente in Openbaring 2 en 3 begint hoofdstuk 4:
“Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.”
— Openbaring 4:1
De woorden “Kom hier op” zijn rechtstreeks tot Johannes gericht. Hij wordt “in den geest” in het hemelse visioen gebracht (Openbaring 4:2). Johannes ondergaat hier niet lichamelijk de toekomstige opname van alle gelovigen. Binnen het profetische gezicht beeldt zijn opgang echter wel degelijk de opname van de Gemeente uit.
Dat onderscheid is belangrijk. De volledige leerstellige beschrijving van de opname staat in 1 Thessalonicenzen 4:16–17 en 1 Korinthe 15:51–52: de doden in Christus staan op, de levende gelovigen worden veranderd en het gehele lichaam wordt tot de Heere opgenomen. Openbaring 4 herhaalt niet al die onderdelen, maar toont de overgang in profetisch beeld. Dat Johannes “in den geest” ziet, maakt de getoonde werkelijkheid niet denkbeeldig; heel Openbaring openbaart hem door gezichten werkelijke toekomstige gebeurtenissen.
Ook de plaats van de woorden is beslissend. Openbaring 4:1 begint met “Na dezen” en eindigt met “hetgeen na dezen geschieden moet”. Daarmee grijpt het vers terug op Openbaring 1:19. Eerst is de volledige voorstelling van de Gemeente op aarde gegeven; vervolgens klinkt de hemelse oproep en begint het profetische deel dat daarna moet geschieden.
De grotere overgang is echter opvallend sterk. Eerst staan zeven kandelaars als de volledige Gemeentevoorstelling op aarde. Daarna ziet Johannes in de hemel vierentwintig ouderlingen:
- gezeten op tronen;
- bekleed met witte klederen;
- met gouden kronen op hun hoofden;
- rondom de troon vóórdat de zegelen worden geopend.
In Openbaring 5 zingen zij tot het Lam:
“Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; en Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.”
— Openbaring 5:9–10
De vierentwintig sluiten aan bij de vierentwintig priesterorden van 1 Kronieken 24: een volledige, geordende priesterlijke vertegenwoordiging. Zij zijn tegelijk ouderlingen, gekroonde koningen, priesters en door het bloed gekochten uit alle volken en talen. Dat past niet bij twaalf patriarchen en twaalf apostelen als vierentwintig afzonderlijke Israëlitische personen. Het past bij de volledige opgenomen Gemeente in haar koninklijk-priesterlijke positie.
De volgorde is daardoor glashelder: de volledige Gemeentevoorstelling staat eerst als zeven kandelaars op aarde; daarna gaat de hemel open, klinkt Christus’ stem als een bazuin en hoort Johannes “Kom hier op”; vervolgens staat de volledige Gemeente in haar gekroonde, witgeklede en koninklijk-priesterlijke positie rondom Gods troon; pas daarna neemt het Lam het boek en opent Hij de zegels.
Johannes’ opgang en de vierentwintig ouderlingen verklaren elkaar. De opgang beeldt de opnameovergang uit; de ouderlingen tonen wie daarna in de hemel aanwezig is. Openbaring 4:1 plaatst de opname daarmee chronologisch ná de zeven gemeenten en vóór de opening van het oordeelspanorama.
Wat zegt Christus vandaag tot Zijn Gemeente?
De zeven brieven zijn geen theoretisch overzicht waarmee gelovigen vooral andere kerken moeten beoordelen. Iedere brief eindigt persoonlijk:
“Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.”
De vragen komen daarom naar iedere gelovige toe:
- Is Christus nog mijn eerste liefde, of zijn correcte activiteiten belangrijker geworden dan Hijzelf?
- Ben ik bereid Hem in verdrukking trouw te dienen?
- Houd ik Zijn Naam en geloof vast, maar laat ik tegelijk verkeerde leer ongemoeid?
- Laat ik wereldgelijkvormigheid of verleiding mijn wandel binnendringen?
- Heb ik de naam dat ik leef, terwijl mijn werken vrijwel zijn gestorven?
- Bewaar ik Zijn Woord en gebruik ik de deur die Hij opent?
- Ben ik tevreden met zichtbare rijkdom terwijl ik geestelijk arm, blind en lauw wandel?
Deze vragen bepalen niet of Christus’ betaling voldoende was. Zij bepalen hoe een geredde gelovige antwoordt op de liefde van Degene Die hem heeft gekocht.
Zekerheid van redding maakt de waarschuwingen niet minder belangrijk. Juist een kind kan door zijn Vader worden gekastijd. Juist een dienstknecht kan loon missen. Juist een plaatselijke gemeente kan haar kandelaar verliezen. Juist een gelovige kan bij Christus’ komst beschaamd staan, terwijl hijzelf behouden blijft.
Hoe wordt iemand lid van Christus’ lichaam?
Niemand wordt door kerkbezoek, een menselijke ledenlijst, waterdoop, volharding of goede werken in het lichaam van Christus geplaatst. De Schrift geeft één antwoord:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
Jezus Christus, de Zoon van God, stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag weer op (1 Korinthe 15:3–4). Hij heeft de volledige prijs betaald. Eeuwig leven is daarom geen loon voor goede mensen, maar een gave aan degene die gelooft:
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9
Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Hij wordt uit God geboren, door de Heilige Geest in het ene lichaam geplaatst en tot de dag der verlossing verzegeld. Daarom is hij een overwinnaar: niet omdat zijn vlees voortaan altijd overwint, maar omdat Gods nieuwe geboorte in hem blijft.
Daarna begint zijn verantwoordelijkheid als gelovige. Hij behoort door de Geest te wandelen, Christus lief te hebben, Zijn Woord te bewaren en de werken te doen die God voor hem heeft voorbereid. Die wandel kan gemeenschap, vrucht en loon voortbrengen. Maar hij voegt niets toe aan Christus’ volbrachte betaling.
Conclusie
De zeven gemeenten waren zeven werkelijke plaatselijke kandelaars. Christus koos er bewust zeven en toont door hen gezamenlijk het volledige gemeentegetuigenis op aarde. Daarachter staat één lichaam, gevormd door de Heilige Geest uit allen die in Jezus Christus geloven.
Ongelovigen kunnen een samenkomst binnengaan en valse leraren kunnen zich in de christelijke kring bewegen, zonder daardoor leden van Christus’ lichaam te worden. Daarom onderscheidt Christus binnen de plaatselijke gemeenten trouwe gelovigen, vleselijke gelovigen, verleide dienstknechten en valse belijders.
De aangesproken Gemeente is door Christus geliefd, in Zijn bloed gewassen en tot koningen en priesters gemaakt. De ernstige waarschuwingen veranderen die positie niet. Een kandelaar kan worden weggenomen. Werken kunnen vrijwel dood zijn. Een lauwe gemeente kan door Christus worden uitgespuwd. Een gelovige kan worden gekastijd, een kroon missen en schade lijden. Maar de uit God geboren overwinnaar wordt niet door de tweede dood beschadigd en zijn naam wordt geenszins uit het boek des levens gedaan.
De sleutel ligt in de nieuwe geboorte:
“Al wat uit God geboren is, overwint de wereld.”
De gelovige hoeft door zijn werken geen overwinnaar te worden. Hij is een overwinnaar omdat hij in Jezus Christus gelooft en uit God geboren is. Vervolgens roept de Heilige Geest hem op ook praktisch vanuit die nieuwe positie te wandelen.
Na de zeven brieven verplaatst de profetische voorstelling zich vervolgens van de kandelaars op aarde naar de troonzaal in de hemel. Johannes hoort “Kom hier op”, en direct daarna ziet hij de volledige, gekroonde Gemeente rondom Gods troon, nog voordat het Lam de zegels opent. Zo sluit de plaats van de zeven gemeenten naadloos aan op hun identiteit: zij stellen het volledige lichaam van Christus op aarde voor tot aan de opnameovergang.
Daarom klinken de zeven brieven tegelijk vol zekerheid en vol ernst. De redding rust volledig op Christus. De wandel wordt werkelijk door Christus beoordeeld. En iedere gelovige wordt persoonlijk geroepen:
“Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.”
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Wie is Jezus Christus in Openbaring?
Volgende artikel:
Wat is Daniëls zeventigste week?
Serieoverzicht: