Mattheüs 13 en de zeven gelijkenissen uitgelegd

Eén profetisch geheel over Israël, de Gemeente, de volken en de voleinding

Mattheüs 13 en de zeven gelijkenissen uitgelegd

Eén profetisch geheel over Israël, de Gemeente, de volken en de voleinding

Mattheüs 13 vormt één profetische openbaring na Israëls verwerping van de Koning. De zeven gelijkenissen tonen de reacties op het Woord, de zichtbare Koninkrijksgroei, de verborgen religieuze afval en Gods onderscheiden handelen met Israël, de Gemeente en de volken. Bij Christus’ wederkomst worden de natuurlijke heidenen gescheiden die na de opname op aarde leven en Daniëls zeventigste week levend bereiken. De Gemeente is dan reeds bij Christus en Israël wordt afzonderlijk gelouterd. Niet iedere scène gaat rechtstreeks over de Gemeente, maar de gehele Schrift is wel tot onze lering geschreven.

Mattheüs 13 en de zeven gelijkenissen uitgelegd

Eén samenhangende profetische openbaring over Israël, de Gemeente, de volken en de voleinding


Mattheüs 13 bevat geen willekeurige verzameling korte geloofslessen. De zeven gelijkenissen vormen samen één profetische openbaring. Zij verklaren wat er met het Koninkrijksplan gebeurt nadat Israëls leiders hun Koning hebben verworpen, hoe het Woord over het wereldtoneel uitgaat en hoe God Israël, de Gemeente en de volken daarbij van elkaar onderscheidt.

De zeven gelijkenissen van Mattheüs 13


De zeven gelijkenissen vormen samen één profetisch geheel. Open hieronder de afzonderlijke studies of lees verder om eerst de volledige samenhang van Mattheüs 13 te onderzoeken.

De gelijkenis van de zaaier


Vier gronden tonen wat er met het gehoorde Woord gebeurt.


Lees gelijkenis van de zaaier →

Het onkruid tussen de tarwe


Gelovigen en ongelovigen blijven samen tot de voleinding.


Lees over tarwe en onkruid →

Het mosterdzaad


Christus’ kleine begin groeit tot een grote, gemengde Koninkrijkssfeer.


Lees over het mosterdzaad →

Het zuurdesem


Afvallige religie doordringt Israël, de Gemeentesfeer en de volken.


Lees over het zuurdesem →

De schat en de parel


Israël is de verborgen schat; de Gemeente is de ene kostbare parel.


Schat en parel uitgelegd →

De gelijkenis van het visnet


De levende volken worden bij de wederkomst definitief gescheiden.


Lees over het visnet →

Aanvullende sleutelstudie

De schapen en de bokken


Mattheüs 25 toont hoe Christus de levende volken bij Zijn wederkomst werkelijk scheidt.


Lees de historische vervulling →

De hoofdconclusie luidt:


Mattheüs 13 openbaart hoe het Woord des Koninkrijks de wereld der volken ingaat, hoe ware en valse kinderen tot de voleinding naast elkaar bestaan, hoe de zichtbare Koninkrijkssfeer groeit en tegelijk door afval wordt aangetast, en hoe Israël, de Gemeente en de volken ieder hun eigen plaats binnen Gods onveranderlijke plan behouden.



1. De gelijkenissen volgen op Israëls verwerping van de Koning


De plaats van Mattheüs 13 is beslissend. In Mattheüs 10 was de zending nog uitdrukkelijk tot Israël beperkt:

“Wijkt niet af op den weg der heidenen, en gaat niet in enige stad der Samaritanen; maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.”
— Mattheüs 10:5–6

In Mattheüs 11 bestraft Christus de steden die Zijn machtigste werken hadden gezien maar zich niet bekeerden. De zonde tegen de Heilige Geest in Mattheüs 12 markeert de verschrikkelijke climax van het verzet van de farizeeën. Zij zien Christus door de Geest van God een bezetene bevrijden, maar schrijven Zijn werk bewust aan Beëlzebul toe:

“Maar de Farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, den overste der duivelen.”
— Mattheüs 12:24

Daarna spreekt Christus over „dit boos geslacht” en maakt Hij duidelijk dat natuurlijke verwantschap niet de beslissende geestelijke band is:

“Want zo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder en zuster en moeder.”
— Mattheüs 12:50

Mattheüs 13 begint vervolgens met een betekenisvolle beweging:

“En te dien dage Jezus uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee.”
— Mattheüs 13:1

Het huis en de zee bewijzen op zichzelf nog niet de volledige profetische betekenis. Maar binnen de voortgaande context wordt de beweging helder:


  • Israëls nationale leiders verwerpen hun Koning;
  • Christus gaat uit het huis en spreekt bij de zee;
  • het Woord des Koninkrijks wordt breed gezaaid;
  • de akker wordt als de wereld verklaard;
  • de wereldwijde ontwikkeling loopt door tot de voleinding.


Gods plan is niet mislukt. De verwerping wordt de historische achtergrond waartegen Christus de verborgen ontwikkeling van het Koninkrijk openbaart.



2. Waarom Christus nu in gelijkenissen spreekt


De discipelen vragen:

“Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?”
— Mattheüs 13:10

Christus antwoordt:

“Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.”
— Mattheüs 13:11

De gelijkenissen hebben daardoor twee werkingen:


  • zij openbaren Koninkrijksverborgenheden aan de gelovige discipelen die Christus’ verklaring ontvangen;
  • zij laten de verharde hoorders bij het uiterlijke beeld, overeenkomstig het oordeel over verworpen licht.


Christus past Jesaja’s profetie toe:

“Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan.”
— Mattheüs 13:15

Het probleem is niet dat God oprechte zoekers willekeurig waarheid onthoudt. „Dit volk” heeft veel licht ontvangen en zijn ogen toegedaan. De gelijkenissen openbaren én verbergen overeenkomstig de reactie op de Koning.



3. De twee gehoorsituaties geven structuur aan het hoofdstuk


De eerste vier gelijkenissen worden in het openbaar tot de scharen gesproken:


  1. de zaaier;
  2. het onkruid tussen de tarwe;
  3. het mosterdzaad;
  4. het zuurdesem.


Mattheüs schrijft:

“Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet.”
— Mattheüs 13:34

Daarna laat Christus de scharen gaan en gaat Hij met Zijn discipelen het huis binnen:

“Toen nu Jezus de scharen van Zich gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers.”
— Mattheüs 13:36

In het huis:


  • verklaart Christus het onkruid;
  • spreekt Hij over de verborgen schat;
  • spreekt Hij over de ene kostbare parel;
  • spreekt Hij over het visnet;
  • en vraagt Hij of de discipelen „dit alles” verstaan hebben.


De laatste drie gelijkenissen vormen dus besloten discipelonderwijs. Zij identificeren nader de groepen die binnen het openbare Koninkrijksverloop onderscheiden moeten worden.



4. De totaalstructuur van Mattheüs 13

Gelijkenis Hoofdbetekenis
De zaaier Verschillende reacties op het Woord des Koninkrijks
Tarwe en onkruid Gelovigen en ongelovigen bestaan binnen de volkenwereld naast elkaar
Het mosterdzaad Christus’ kleine begin groeit tot een grote zichtbare Koninkrijkssfeer met gemengde bewoners
Het zuurdesem Afvallige religie doordringt Israël, de Gemeentesfeer en de volken
De verborgen schat Israël als Gods bijzondere eigendom in de wereldakker
De kostbare parel De ene Gemeente die Christus rechtstreeks met Zijn bloed kocht
Het visnet De levende volken bij de wederkomst verzameld en gescheiden

Niet ieder beeld heeft in iedere gelijkenis dezelfde betekenis. Bij de zaaier is het zaad het Woord; bij tarwe en onkruid stellen de zaden mensen voor. De tekst en Christus’ eigen verklaringen bepalen telkens de betekenis.


Tegelijk staan de gelijkenissen niet los van elkaar. Het herhaalde „wederom”, het gemeenschappelijke onderwerp en Christus’ slotvraag over „dit alles” eisen dat zij als één samenhangende openbaring worden gelezen.



5. De zaaier — wat gebeurt er met het gehoorde Woord?


De eerste gelijkenis vormt het beginpunt. Het zaad is het Woord des Koninkrijks en valt op vier gronden.



De weg


De hoorder verstaat niet. De boze rooft het Woord weg voordat geloof en behoudenis ontstaan. Lukas zegt uitdrukkelijk dat de duivel het Woord wegneemt „opdat zij niet zouden geloven en zalig worden”.



De steenachtige plaats


Deze mens ontvangt het Woord met vreugde en „gelooft voor een tijd”. De verzoeking komt juist „om des Woords wil”. Zijn geloof wordt niet achteraf tot nooit-bestaand geloof verklaard. Hij wijkt praktisch af wanneer verdrukking en verzoeking komen.



De doornen


De zorgvuldigheden, rijkdom en wellusten verstikken het Woord. Christus gebruikt hier niet de verklarende woorden „gelooft” of „wordt zalig”. Daardoor kan deze grond zowel een ongelovige omvatten bij wie het Woord vóór geloof verstikt wordt als een reeds gelovig mens die naar het vlees blijft wandelen en onvruchtbaar wordt.


Dat verklaart waarom een vleselijke gelovige en een ongelovige uiterlijk dezelfde onvruchtbare wandel kunnen vertonen. Wij zien de wandel; God kent de positie.



De goede aarde


Deze mens hoort, verstaat, bewaart en draagt vrucht met volharding. De verschillende opbrengsten tonen dat ook onder vruchtbare gelovigen verschil in praktische vrucht bestaat.


De zaaier verklaart dus de reacties op het Woord. De overige gelijkenissen bouwen voort op de posities, ontwikkelingen en oordelen die daaruit zichtbaar worden.


De vier gronden zijn daarbij geen onveranderlijke levensetiketten. Iemand die het Woord nu verwerpt of door zorgen laat verstikken, kan het later opnieuw horen en alsnog geloven. Een gelovige kan zijn eeuwige positie niet verliezen, maar kan in zijn wandel wel van vruchtbaarheid tot struikelen of verstikking komen en daarna opnieuw hersteld worden. De reactie op het Woord en de zichtbare wandel kunnen veranderen; het eeuwige leven dat God na geloof geeft, blijft.



6. Tarwe en onkruid — twee geestelijke posities in de volkenwereld


Christus verklaart de hoofdonderdelen rechtstreeks:

“Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen; en de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks; en het onkruid zijn de kinderen des bozen; en de vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.”
— Mattheüs 13:37–39

De akker is werkelijk de wereld. De verdere context bepaalt dat hier de volkenwereld tegenover Israël in beeld is. Romeinen 11 gebruikt „wereld” op dezelfde wijze tegenover Israël en parallel aan „heidenen”. Israël verschijnt bovendien later als een afzonderlijke schat ín de akker, niet als één van de twee gewassen.


Tarwe en onkruid beschrijven twee geestelijke oorsprongen:


  • kinderen des Koninkrijks;
  • kinderen des bozen.


Dit onderscheid gaat over positie, niet over een altijd volmaakte wandel. Een vleselijke gelovige blijft door geloof een kind des Koninkrijks. Een godsdienstige ongelovige blijft zonder Christus een kind des bozen.


Beide groepen bestaan uiterlijk naast elkaar tot de oogst. Mensen mogen gemeentelijke tucht toepassen op openbaar gedrag, maar kunnen de wereld niet onfeilbaar op geestelijke positie zuiveren. Bij de voleinding voeren de engelen de volmaakte scheiding uit.


De ontwikkeling van tarwe en onkruid loopt tot de voleinding, maar de concrete oogst omvat niet alle gelovigen en ongelovigen uit alle eeuwen. Zij betreft de natuurlijke heidenen die na de opname op aarde leven en bij Christus’ zichtbare wederkomst nog in leven zijn. De Gemeente is dan reeds bij Christus; Israël wordt als de schat in de akker afzonderlijk behandeld.



7. Het mosterdzaad — goede oorsprong, grote groei en gemengde bewoning


De mens met het mosterdzaad zaait opnieuw in „zijn akker”. De directe herhaling van de mens, het zaaien en zijn akker maakt cumulatief zeer sterk dat ook deze Mens de Zoon des mensen is.


Het mosterdzaad is daarom niet het zaad van de vijand. De vijand zaait volgens Christus onkruid. Het mosterdzaad heeft een goed begin in Christus en bezit werkelijk leven.


Het uiterst kleine begin groeit tot een grote boom. Dat past bij Christus’ kleine kudde en de wereldwijde uitbreiding van het Koninkrijksgetuigenis. De profeten gebruiken grote bomen bovendien als beelden van uitgebreide koninkrijken en machten.


Maar de vogels nestelen in de takken. Eerder in hetzelfde hoofdstuk waren de vogels verbonden met het wegrovende werk van de boze. In profetische boombeelden kunnen vogels tevens mensen, volken en machten voorstellen die binnen een groot rijk verblijf vinden.


De volledige betekenis is daarom:


Christus’ Koninkrijkswerk begint klein en groeit werkelijk tot een grote zichtbare wereldwijde structuur, maar vijandige, valse en wereldse mensen, machten en invloeden vinden binnen die uiterlijke sfeer onderdak.


De boom is daarom niet eenvoudig de ware Gemeente. De Gemeente is het door Christus gekochte lichaam; de boom is de bredere zichtbare Koninkrijkssfeer waarbinnen ook valse bewoners voorkomen.



8. Het zuurdesem — verborgen afval van binnenuit


Christus zegt dat een vrouw zuurdesem neemt en het in drie maten meel verbergt totdat het geheel gezuurd is.


De Schrift verklaart zuurdesem figuurlijk als:


  • de leer der farizeeën en sadduceeën;
  • de geveinsdheid der farizeeën;
  • kwaadheid en boosheid;
  • en judaïstische, wettische verdraaiing.


Het zuurdesem is daarom niet het Evangelie dat langzaam de wereld bekeert. Het Evangelie wordt openlijk gepredikt; het zuurdesem wordt verborgen. Het Evangelie brengt nieuw leven voort; het zuurdesem tast een bestaande zichtbare sfeer van binnenuit aan.


De vrouw is cumulatief afvallig religieus Israël, in het bijzonder het ongelovige leiderschap vanuit Jeruzalem. Israël had Gods woorden ontvangen, maar zijn leiders maakten Gods gebod door menselijke overlevering krachteloos. Vanuit Judéa werd dezelfde wettische vermenging later heimelijk onder gelovigen gebracht.


De drie maten wijzen door de Som van Gods Woord op de drie groepen van 1 Korinthe 10:32:

“Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.”
— 1 Korinthe 10:32

Maat Groep Zuurdesemwerking
Eerste maat Israël Farizese leer, huichelarij en menselijke overlevering
Tweede maat De Gemeente Judaïstische vermenging van genade en wet en praktische beïnvloeding van gelovigen
Derde maat De volken Mondiale religieuze verleiding die haar eindgestalte in Babylon bereikt

„Het geheel” betekent niet dat iedere gelovige zijn positie verliest. Het betekent dat uiteindelijk geen van de drie zichtbare sferen buiten het bereik van de afvallige invloed blijft.



9. De verborgen schat — Israël blijft Gods bijzondere eigendom


God noemt Israël Zelf Zijn bijzondere eigendom uit alle volken:

“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken; want de ganse aarde is Mijn.”
— Exodus 19:5

Daarin ligt vrijwel de volledige verhouding van de gelijkenis:


  • de ganse aarde behoort God toe;
  • Israël is Zijn bijzondere eigendom uit alle volken;
  • de akker is de wereld;
  • de schat ligt in die akker.


Israël werd wegens ongehoorzaamheid onder de volken verstrooid, maar verloor zijn identiteit en plaats in Gods plan niet. De Mens Die de schat vindt, is Christus Die bij Zijn eerste komst tot de verloren schapen van Israël komt.


Na de nationale verwerping verbergt Hij de schat opnieuw. Dat betekent niet dat Israël wordt vernietigd of door de Gemeente vervangen. De openbare Koninkrijksvervulling wordt uitgesteld terwijl gedeeltelijke verharding over Israël komt „totdat” de volheid der heidenen is ingegaan.


De Mens verkoopt alles en koopt de gehele akker. Dat wijst op Christus’ vernedering, zelfovergave en de wereldwijde reikwijdte van Zijn verzoeningswerk. De schat heeft een bijzondere plaats binnen de wereld die door Zijn bloedprijs gekocht is.



10. De ene kostbare parel — de Gemeente als één nieuw lichaam


De parel lijkt op de schat, maar Christus verandert doelbewust de details:


  • de parel wordt niet in de akker geplaatst;
  • zij wordt niet opnieuw verborgen;
  • zij is één parel;
  • en de Koopman koopt haar rechtstreeks.


Dat past nauwkeurig bij de Gemeente. Gelovige Joden en heidenen worden niet tot twee lichamen gemaakt, maar tot „één nieuwen mens” en „één lichaam”.


Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken.”
— 1 Korinthe 12:13

De Gemeente was een verborgenheid die nu geopenbaard is. Zij is niet Israël onder een nieuwe naam, maar de derde groep naast Joden en heidenen.



De Koopman is Christus. De waarde van de parel ligt niet in natuurlijke zondeloosheid van haar leden, maar in Christus’ liefde en de prijs die Hij betaalde:

“Gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft en Zichzelven voor haar heeft overgegeven.”
— Efeze 5:25

En:

“Om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.”
— Handelingen 20:28

De schat en de parel leren geen twee offers. Hetzelfde kruiswerk wordt vanuit twee betrekkingen getoond: Christus koopt de wereldakker waarin Israëls schat ligt en verwerft de Gemeente rechtstreeks als Zijn ene lichaam.



11. Het visnet — de levende volken worden bij de wederkomst gescheiden


De zee stelt in deze profetische context de volkenwereld voor. Het net verzamelt allerlei soorten vissen. Wanneer het vol geworden is en de oever bereikt, leggen de vissers de goede vissen in vaten en werpen zij de kwade weg.


Christus verklaart:

“Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden.”
— Mattheüs 13:49

Mattheüs 25 geeft de historische vervulling. Wanneer de Zoon des mensen in heerlijkheid komt, worden „al de volken” voor Hem verzameld en als schapen en bokken gescheiden.


De groepen vallen daarom samen:


  • tarwe = goede vissen = schapen = gelovige rechtvaardigen uit de levende volken;
  • onkruid = kwade vissen = bokken = ongelovige bozen uit de levende volken.


De werken van de schapen verdienen hun redding niet. Christus noemt hen reeds „rechtvaardigen”. Hun behandeling van Zijn broeders openbaart hun verhouding tot de Koning, maar het eeuwige leven wordt uitsluitend door geloof ontvangen.


Dit oordeel vindt vóór het duizendjarig Koninkrijk plaats. Het betreft de natuurlijke heidenen die na de opname op aarde leven en het einde van Daniëls zeventigste week levend bereiken. De gelovige schapen gaan als natuurlijke mensen het Koninkrijk binnen; de ongelovige bokken gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur.


De Gemeente is dan reeds bij Christus en Israël wordt afzonderlijk gelouterd. Het visnet is daarom evenmin de opname van de Gemeente als de grote witte troon. Die laatste is de latere rechtszitting over de dan nog op te wekken doden en volgt pas na de duizend jaren; alleen wie niet in het boek des levens staat, ondergaat daar de tweede dood.



12. Israël, de Gemeente en de volken blijven onderscheiden


De besloten gelijkenissen geven precies de driedeling die Paulus noemt:

Groep Beeld in Mattheüs 13 Profetische plaats
Israël De verborgen schat Gods bijzondere nationale eigendom, tijdelijk verborgen en toekomstig hersteld
De Gemeente De ene kostbare parel Eén nieuw lichaam, rechtstreeks door Christus’ bloed gekocht
De volken De vissen uit de zee Bij de wederkomst verzameld en als rechtvaardigen en bozen gescheiden

Deze groepen delen dezelfde enige weg tot eeuwig leven: geloof in Jezus Christus. Maar dezelfde heilsweg maakt hun profetische roeping en bestemming niet identiek.


Israël wordt bij de Koninkrijksgrens afzonderlijk onder de band van het verbond gelouterd. De Gemeente is vóór de toorn met Christus verbonden en verschijnt met Hem in heerlijkheid. De levende heidenvolken worden bij Zijn komst als schapen en bokken gescheiden.


Wie deze groepen samenperst, verliest de betekenis van schat, parel en vissen. Wie ze Schriftuurlijk onderscheidt, ziet hoe nauwkeurig de gelijkenissen in elkaar grijpen.



13. De profetische tijdlijn van Mattheüs 13

Fase Ontwikkeling
Israëls eerste verwerping De leiders verwerpen de Koning ondanks ontvangen licht
Wereldwijde verkondiging Het Woord des Koninkrijks wordt breed gezaaid
Huidige vermenging Kinderen des Koninkrijks en kinderen des bozen bestaan uiterlijk naast elkaar
Zichtbare groei Het kleine mosterdzaad groeit tot een grote uiterlijke Koninkrijkssfeer
Verborgen afval Het zuurdesem werkt binnen Israël, de Gemeentesfeer en de volken door
Israëls tijdelijke verharding De schat blijft verborgen in de wereldakker
Vorming van de Gemeente Christus verwerft en vormt de ene parel, het ene lichaam
De wederkomst Christus verschijnt in heerlijkheid met Zijn engelen
De Koninkrijksgrens Israël wordt gelouterd en de levende volken worden gescheiden
Duizendjarig Koninkrijk De rechtvaardige schapen gaan het Koninkrijk binnen
Na de duizend jaren De overige doden verschijnen voor de grote witte troon

Deze ordening voorkomt dat het volkerenoordeel, Israëls loutering en de grote witte troon tot één oordeel worden samengevoegd.



14. Rechtstreeks verklaard en door de Som vastgesteld


Een zuivere uitleg maakt onderscheid tussen wat Christus in één zin rechtstreeks verklaart en wat door vergelijking van alle Schriftgegevens wordt vastgesteld.



Rechtstreeks verklaard


Christus zegt onder meer rechtstreeks:


  • de Zaaier van het goede zaad is de Zoon des mensen;
  • de akker is de wereld;
  • het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks;
  • het onkruid zijn de kinderen des bozen;
  • de vijand is de duivel;
  • de oogst is de voleinding;
  • de maaiers zijn de engelen;
  • de engelen scheiden de bozen uit het midden der rechtvaardigen;
  • het mosterdzaad groeit tot een boom waarin vogels nestelen;
  • de vrouw verbergt zuurdesem in drie maten meel;
  • en het proces gaat door totdat het geheel gezuurd is.



Door de Som van Gods Woord vastgesteld


De bredere Schrift stelt cumulatief vast:


  • de wereldakker is in deze profetische context de volkenwereld tegenover Israël;
  • het mosterdzaad is Christus’ goede kleine Koninkrijksbegin, niet het zaad van de vijand;
  • de vogels zijn vijandige, valse en wereldse bewoners binnen de zichtbare sfeer;
  • de vrouw is afvallig religieus Israël;
  • de drie maten zijn Israël, de Gemeente en de volken;
  • de schat is Israël;
  • de ene parel is de Gemeente;
  • de Man en de Koopman zijn Christus;
  • en het visnet wordt in Mattheüs 25 als het oordeel over de levende volken ontvouwd.


Een waarheid wordt niet onzeker omdat zij niet volledig in één verklarende zin staat. Wanneer iedere lijn van de Schrift naar dezelfde conclusie wijst en alle details daardoor gezamenlijk verklaard worden, is de Som van Gods Woord werkelijk waarheid.



15. De onderwezen Schriftgeleerde bewaart nieuwe én oude dingen


Na het visnet vraagt Christus:

“Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere.”
— Mattheüs 13:51

Daarna zegt Hij:

“Daarom, een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.”
— Mattheüs 13:52

„Dit alles” verbindt de volledige reeks. De onderwezen discipel moet zowel nieuwe als oude dingen voortbrengen.


De nieuwe dingen zijn de nu geopenbaarde Koninkrijksverborgenheden:


  • het Woord gaat breed de wereld in;
  • de gemengde zichtbare toestand blijft tot de voleinding;
  • de Koninkrijkssfeer groeit terwijl vijandschap en afval binnendringen;
  • de ene Gemeente wordt als verborgenheid gevormd;
  • de definitieve scheiding wordt tot Christus’ komst uitgesteld.


De oude dingen zijn Gods reeds gegeven profetische woorden over Israël, de Messias, het aardse Koninkrijk, de oordelen en de toekomstige vernieuwing.


Het nieuwe vervangt het oude niet. De Gemeente wist Israël niet uit. De tijdelijke verharding vernietigt Gods beloften niet. De onderwezen Schriftgeleerde brengt beide uit één Schriftvoorraad voort en laat ze elkaar verklaren.



16. Nazareth bevestigt waarom deze verborgenheden nodig waren


Na de gelijkenissen keert Christus naar Zijn vaderland terug. De mensen erkennen Zijn wijsheid en hebben van Zijn krachten gehoord, maar ergeren zich aan Hem.


Het hoofdstuk eindigt:

“En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan vanwege hun ongeloof.”
— Mattheüs 13:58

Mattheüs 13 wordt daardoor door Israëls ongeloof omlijst:


  • vóór de gelijkenissen schrijven de leiders Christus’ werk aan Beëlzebul toe;
  • na de gelijkenissen verwerpt Zijn eigen omgeving Hem ondanks Zijn wijsheid en krachten.


De slotscène is geen los biografisch detail. Zij bevestigt de historische breuk waaruit het gelijkenissenonderwijs voortkomt. De Koning is werkelijk gekomen, maar wordt door de Zijnen niet nationaal aangenomen. Daarom wordt zichtbaar hoe het Koninkrijksplan tijdens de tussenliggende tijd verdergaat zonder dat Gods beloften aan Israël vervallen.



17. Wat Mattheüs 13 vandaag van de lezer vraagt


De nauwkeurige profetische groepsindeling maakt Mattheüs 13 niet minder persoonlijk. Niet ieder Schriftgedeelte is rechtstreeks tot of over de Gemeente geschreven, maar de gehele Schrift is wel door God gegeven en tot onze lering geschreven.

“Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden.”

— Romeinen 15:4

Ook gebeurtenissen die een andere groep rechtstreeks betroffen, zijn voor gelovigen vastgelegd:

“En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.”

— 1 Korinthe 10:11

Daarom moeten twee vragen uit elkaar worden gehouden. Eerst: over welke groep en welk tijdstip spreekt God rechtstreeks? Daarna: welke waarheid, waarschuwing, vertroosting of praktische lering geeft Hij daardoor ook aan ons? Zo blijft de profetische uitleg zuiver zonder de geestelijke toepassing te verliezen.


Dit hoofdstuk waarschuwt tegen meerdere vormen van verwarring:


  • zichtbare godsdienstige groei is niet automatisch geestelijke zuiverheid;
  • religieuze ernst kan verborgen zuurdesem bevatten;
  • uiterlijke vruchteloosheid bewijst niet onfeilbaar dat iemand nooit geloofd heeft;
  • nationale verkiezing maakt geen ongelovige Israëliet eeuwig behouden;
  • lidmaatschap van een kerk maakt niemand onderdeel van het ware lichaam van Christus;
  • en goede werken kunnen het eeuwige leven niet kopen.


De beslissende vraag blijft daarom persoonlijk: bent u door geloof in Christus gerechtvaardigd?


Paulus schrijft:

“Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5

Jezus Christus, Gods Zoon, stierf voor onze zonden, werd begraven en stond lichamelijk op uit de doden. Hij belooft:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

Wie in Hem gelooft, ontvangt onmiddellijk eeuwig leven. Goede werken, vrucht en trouwe dienst behoren daarna tot de wandel van de gelovige, maar vormen nooit de prijs of voorwaarde van zijn eeuwige behoudenis.



Conclusie


Mattheüs 13 vormt één samenhangende profetische openbaring. Het hoofdstuk ontstaat tegen de achtergrond van Israëls verwerping van de Koning en verklaart hoe Gods Koninkrijksplan zich daarna over het wereldtoneel ontwikkelt.


Het Woord des Koninkrijks wordt in verschillende harten gezaaid. Binnen de volkenwereld bestaan kinderen des Koninkrijks en kinderen des bozen naast elkaar als tarwe en onkruid. Christus’ werk begint klein maar groeit als het mosterdzaad tot een wereldwijde zichtbare structuur waarin vijandige elementen verblijf vinden.


Afvallig religieus Israël brengt als de vrouw het zuurdesem van valse leer, huichelarij en wettische verdraaiing in drie maten meel. Israël, de zichtbare Gemeentesfeer en de volken blijven geen van alle buiten het bereik van die invloed, terwijl Gods waarheid en de eeuwige positie van iedere gelovige ongeschonden blijven.


Israël blijft Gods afzonderlijke schat in de wereldakker. De ene kostbare parel is de ene Gemeente die Christus met Zijn eigen bloed heeft gekocht. Het ene offer van Christus geldt de gehele wereld, verzekert Israëls toekomstige herstel en verwerft de Gemeente rechtstreeks, zonder deze groepen met elkaar te vereenzelvigen.


Bij de voleinding worden de natuurlijke heidenen verzameld die na de opname op aarde leven en Daniëls zeventigste week levend bereiken. Tarwe, goede vissen en schapen zijn de gelovige rechtvaardigen uit deze levende volken die het duizendjarig Koninkrijk binnengaan. Onkruid, kwade vissen en bokken zijn de ongelovigen die rechtstreeks in het eeuwige oordeel gaan. De Gemeente is dan reeds bij Christus, Israël wordt afzonderlijk gelouterd en de grote witte troon volgt pas na de duizend jaren.


De onderwezen discipel bewaart daarom nieuwe én oude dingen. De Koninkrijksverborgenheden maken de profeten niet krachteloos, maar plaatsen Israël, de Gemeente en de volken ieder op hun door God bepaalde plaats.


De slotsom luidt:


De zeven gelijkenissen van Mattheüs 13 vormen samen Gods profetische overzicht van de tijd tussen Israëls verwerping van de Koning en Christus’ zichtbare wederkomst. Het Woord wordt gezaaid, ware en valse kinderen blijven naast elkaar bestaan, het zichtbare werk groeit en wordt door afval aangetast, Israël blijft de verborgen schat, de Gemeente is de ene kostbare parel en de levende volken worden bij de voleinding rechtvaardig gescheiden. Geen van Gods beloften faalt; Christus kent de Zijnen en brengt Zijn volledige Koninkrijksplan zeker tot vervulling.