De weg gelooft op het beschreven moment niet en wordt niet behouden. De steen gelooft werkelijk, maar wijkt onder verzoeking af. Bij de doornen wordt de eeuwige positie niet genoemd: dezelfde zichtbare onvruchtbaarheid kan vóór geloof of in de vleselijke wandel van een gelovige voorkomen. De goede aarde bewaart het Woord en draagt vrucht. De gronden zijn geen onveranderlijke levensetiketten: een ongelovige kan later geloven en een gelovige kan in zijn wandel vallen of hersteld worden. Zijn eeuwige positie blijft na geloof echter veilig in Christus.
De gelijkenis van de zaaier uitgelegd
Wat betekenen de weg, steenachtige plaatsen, doornen en goede aarde?
De gelijkenis van de zaaier wordt vaak zo samengevat: drie bodems stellen ongelovigen voor en alleen de goede aarde stelt een behouden mens voor. Dat klinkt overzichtelijk, maar het is niet wat Christus Zelf bij alle vier de bodems zegt.
Bij de weg zegt Lukas uitdrukkelijk dat deze mensen niet geloven en niet zalig worden. Bij de steen zegt hij juist uitdrukkelijk dat zij wél geloven. Bij de doornen wordt hun eeuwige positie niet benoemd; daar gaat het over het Woord dat door zorgen, rijkdom, begeerten en levensgenot wordt verstikt. Bij de goede aarde wordt het Woord bewaard en komt het met volharding tot vrucht.
Christus behandelt dus niet vier keer precies dezelfde vraag. De gelijkenis beweegt van geloof en behoudenis naar standvastigheid, geestelijke wandel en vrucht.
Dat onderscheid is beslissend. Wanneer geloof, volharding en vrucht worden samengeperst tot één enkele test van eeuwig leven, wordt vrucht ongemerkt een tweede voorwaarde voor de behoudenis. Maar de Schrift zegt dat wie in Christus gelooft eeuwig leven hééft. Daarna begint de ernstige verantwoordelijkheid om geworteld te raken, door de Geest te wandelen en vrucht te dragen.
Dit artikel onderzoekt de gelijkenis vanuit Mattheüs 13, Markus 4 en Lukas 8, en test iedere conclusie met de Som van Gods Woord.
Dit artikel maakt deel uit van Mattheüs 13 en de zeven gelijkenissen uitgelegd.
Lees de drie verslagen samen
De gelijkenis staat in:
- Mattheüs 13:1–23;
- Markus 4:1–20;
- Lukas 8:4–15.
Geen van deze verslagen hoeft tegen de andere te worden uitgespeeld. De Heilige Geest geeft in ieder verslag aanvullende bijzonderheden. Mattheüs noemt „het Woord des Koninkrijks”. Markus noemt „het Woord”. Lukas noemt „het Woord Gods”. Het gaat steeds om hetzelfde zaad: Gods Woord dat tot mensen komt.
Ook de bodems worden door Christus Zelf verklaard. Zij stellen hoorders voor en laten zien wat er met het gezaaide Woord gebeurt.
De vier uitkomsten zijn:
- bij de weg wordt het Woord weggenomen voordat geloof en behoudenis ontstaan;
- op de steen wordt het Woord werkelijk geloofd, maar houdt de gelovige onder verzoeking niet stand;
- tussen de doornen wordt het Woord verstikt en komt het niet tot rijpe vrucht;
- in de goede aarde wordt het Woord verstaan, ontvangen, bewaard en draagt het met volharding vrucht.
De kern van de gelijkenis is daarom niet: drie keer verloren en één keer behouden. De kern is:
geen geloof → werkelijk geloof zonder standhouden → verstikking zonder rijpe vrucht → volharding met vrucht.
De context: waarom spreekt Christus in gelijkenissen?
Mattheüs 13 begint met de woorden „te dien dage”. Het hoofdstuk sluit rechtstreeks aan op Mattheüs 12. De Farizeeën hadden een openbaar werk van de Heilige Geest gezien, maar schreven het aan Beëlzebul toe. Zij verwierpen niet een duister of onduidelijk getuigenis; zij verhardden zich tegen ontvangen licht.
Op diezelfde dag gaat Christus uit het huis en zit Hij bij de zee. Grote scharen verzamelen zich en Hij spreekt tot hen door gelijkenissen. Wanneer de discipelen vragen waarom, antwoordt Hij:
„Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven”
— Mattheüs 13:11
Vervolgens haalt Hij Jesaja aan:
„Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan”
— Mattheüs 13:15
De gelijkenissen hebben in deze context twee werkingen. Voor de ontvankelijke discipelen openbaren zij de verborgenheden van het Koninkrijk. Voor verharde hoorders verbergen zij wat dezen na veel ontvangen licht niet wilden aannemen.
Dat maakt de gelijkenis van de zaaier onmiddellijk persoonlijk. Hetzelfde Woord komt tot verschillende mensen, maar het krijgt niet bij iedere hoorder dezelfde plaats en uitwerking.
De eerste grote sleutel: geloven, standhouden en vrucht dragen zijn niet hetzelfde
Voordat de vier bodems afzonderlijk worden onderzocht, moet één onderscheid scherp staan.
Een mens ontvangt eeuwig leven door geloof in Christus:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
“Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
Dat is de vraag naar zijn eeuwige positie: is hij nog in Adam, of is hij door het geloof in Christus uit de dood in het leven overgegaan?
Na die overgang volgen andere vragen. Raakt de gelovige geworteld? Blijft hij onder verzoeking staan? Wandelt hij door de Geest of naar het vlees? Geeft hij het Woord werkelijk ruimte? Draagt hij vrucht? En hoeveel vrucht draagt hij?
Deze vragen zijn zeer belangrijk, maar zij zijn niet opnieuw de vraag hoe een mens eeuwig leven ontvangt. De Schrift onderscheidt positie en wandel:
“Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.”
— Galaten 5:25
Door de Geest leven is reeds waar van de gelovige. Door de Geest wandelen is de oproep voor zijn dagelijkse leven. Als het tweede automatisch uit het eerste volgde, had deze oproep geen inhoud.
De gelijkenis van de zaaier bewaart hetzelfde onderscheid. Eerst is er de vraag of het Woord tot geloof en behoudenis komt. Daarna volgen de vragen naar standvastigheid en vrucht.
Het „maar” na de weg
Mattheüs 13:20 begint met „maar”: „Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is...” Daarmee ontstaat een duidelijke tegenstelling met vers 19.
Bij de weg wordt het zaad weggenomen voordat geloof ontstaat. Bij de steen komt er wél een verdere ontwikkeling: het Woord wordt ontvangen en volgens Lukas werkelijk geloofd. Ook de doornen en de goede aarde laten een verdere ontwikkeling van het gezaaide Woord zien.
Het Griekse verbindingswoord de wordt bij de volgende bodems opnieuw gebruikt en kan afhankelijk van het verband met „maar”, „en” of „nu” worden vertaald. Het ene Nederlandse woord „maar” bewijst daarom niet op zichzelf dat alle drie de volgende bodems behouden zijn. De totale opbouw is wel zeer betekenisvol:
- alleen bij de weg zegt Lukas dat de mensen niet geloven en niet zalig worden;
- bij de steen zegt hij uitdrukkelijk dat zij geloven;
- bij de doornen wordt geloof of ongeloof niet benoemd;
- ook bij de goede aarde wordt het werkwoord „geloven” niet opnieuw gebruikt, terwijl zij onmiskenbaar behouden en vruchtbaar is.
Daarom kan het ontbreken van het woord „geloven” bij de doornen nooit bewijzen dat deze hoorder ongelovig is. Christus verschuift na de weg van de vraag naar verhinderd geloof naar de verdere vragen van standvastigheid en vrucht.
1. Het zaad bij de weg: geen geloof en geen behoudenis
Over de eerste bodem zegt Christus:
“Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was.”
— Mattheüs 13:19
Markus voegt toe dat satan „terstond” komt. Lukas geeft het doel van zijn werk:
“Daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en zalig worden.”
— Lukas 8:12
Hier is de eeuwige positie niet onzeker. Christus zegt wat er gebeurt:
- de mens hoort het Woord;
- het Woord wordt in zijn hart gezaaid;
- hij verstaat het niet;
- de duivel neemt het Woord weg;
- hij gelooft niet;
- hij wordt niet zalig.
Dit is binnen de gelijkenis de duidelijke vóór-geloofcategorie. Het Woord komt wel tot de hoorder, maar niet tot reddend geloof.
Satan is actief, maar de mens blijft verantwoordelijk
De duivel is bij deze bodem de actieve rover. Hij wil voorkomen dat de mens gelooft en behouden wordt. Dat maakt de hoorder echter niet tot een onschuldig slachtoffer.
Mattheüs zegt dat hij het Woord niet verstaat. De context heeft reeds gezegd dat de hoorders hun eigen ogen hebben toegedaan. Elders noemt de Schrift dezelfde menselijke verantwoordelijkheid:
- mensen hebben de duisternis liever dan het licht (Johannes 3:19–20);
- zij willen niet tot Christus komen om het leven te hebben (Johannes 5:40);
- zij zoeken menselijke eer en geloven daardoor niet (Johannes 5:44);
- zij proberen hun eigen gerechtigheid op te richten (Romeinen 10:3);
- het hart kan boos en ongelovig zijn (Hebreeën 3:12).
Tegelijk verblindt „de god dezer eeuw” de zinnen der ongelovigen (2 Korinthe 4:4). Beide zaken zijn waar. De mens verwerpt het ontvangen licht, en satan werkt om het Woord weg te nemen voordat het tot geloof komt.
Er staat nergens dat God deze mens het geloof onthoudt terwijl hij wel wilde geloven. Er staat dat het Woord wordt gehoord, niet wordt verstaan en door de boze wordt weggenomen. Lukas noemt het niet-geloven het doel van de duivel, niet een door God geschapen onmogelijkheid waarvoor de hoorder geen verantwoordelijkheid draagt.
Beschrijft de weg iedere ongelovige op precies dezelfde manier?
De weg stelt rechtstreeks de hoorders voor bij wie het Woord niet tot geloof en behoudenis komt. Toch hoeft niet iedere ongelovige exact dezelfde zichtbare geschiedenis te hebben.
Felix werd bevreesd toen Paulus sprak, maar stelde zijn beslissing uit (Handelingen 24:25). Herodes hoorde Johannes graag en deed vele dingen, maar hield aan zijn zonde vast (Markus 6:20). Agrippa werd door Paulus krachtig aangesproken, maar wordt niet als gelovige beschreven (Handelingen 26:27–28).
Een ongelovige kan dus langere tijd onder de invloed van het Woord staan. De beslissende overeenkomst blijft: het Woord bereikt geen reddend geloof.
Conclusie over de weg
Bij de weg spreekt Christus ondubbelzinnig over mensen die niet geloven en niet behouden worden. Dat is belangrijk, omdat de volgende bodem juist met een uitdrukkelijke geloofsverklaring wordt beschreven.
2. De steenachtige plaatsen: werkelijk geloof, maar geen standhouden
Mattheüs en Markus zeggen dat deze mens het Woord hoort en het onmiddellijk met vreugde ontvangt. Hij heeft geen wortel in zichzelf en is slechts tijdelijk. Wanneer verdrukking of vervolging ontstaat om des Woords wil, wordt hij geërgerd.
Lukas schrijft:
“Dezen hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af.”
— Lukas 8:13
Christus zegt niet dat zij slechts deden alsof zij geloofden. Hij zegt evenmin dat zij een onecht soort geloof hadden dat eigenlijk ongeloof was. Er staat dat zij geloven en later, in de tijd der verzoeking, afwijken.
Lukas verbindt geloof rechtstreeks met behoudenis
In vers 12 heeft Lukas verklaard dat de mensen bij de weg het Woord niet geloven en daarom niet zalig worden. Meteen daarna zegt hij over de steenachtige hoorders dat zij wél geloven.
De tegenstelling is helder:
- de weg: zij geloven niet en worden niet behouden;
- de steen: zij geloven voor een tijd, maar wijken onder verzoeking af.
Wie in Christus gelooft, heeft volgens Christus eeuwig leven. Johannes 5:24 zegt niet dat hij misschien later uit de dood in het leven zal overgaan als zijn geloofswandel lang genoeg standhoudt. Hij hééft eeuwig leven en ís overgegaan uit de dood in het leven.
Daarom kan een latere mislukking zijn ontvangen eeuwige leven niet met terugwerkende kracht tot onecht geloof verklaren.
De vervolging komt „om des Woords wil”
De steenachtige mens wordt niet vervolgd omdat hij het Woord verwierp. De verdrukking of vervolging ontstaat juist „om des Woords wil”. Hij heeft zich zichtbaar met het Woord verbonden en ondervindt daardoor vijandschap.
Filippenzen 1:29 verbindt geloof en lijden:
“U is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.”
— Filippenzen 1:29
De steenachtige mens heeft het Woord geloofd, maar wanneer zijn verbondenheid met het Woord iets gaat kosten, houdt hij niet stand.
Verzoeking is een werkelijke waarschuwing voor gelovigen
Lukas gebruikt het woord peirasmos: verzoeking of beproeving. Hetzelfde woord staat in 1 Korinthe 10:13:
“Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.”
— 1 Korinthe 10:13
Direct daarvoor staat:
“Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.”
— 1 Korinthe 10:12
God verschaft een uitkomst waardoor de gelovige kan standhouden. Dat betekent niet dat Hij hem dwingt die uitkomst te gebruiken. De waarschuwing „zie toe, dat hij niet valle” zou anders haar praktische betekenis verliezen.
De steenachtige gelovige komt in verzoeking, gebruikt de gegeven uitkomst niet en wijkt af. Dat is geen denkbeeldig gevaar, maar precies waarvoor gelovigen worden gewaarschuwd.
De Thessalonicenzen laten de andere uitkomst zien
1 Thessalonicenzen 1:6 vormt een opvallend nauwkeurig tegenbeeld:
“En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes.”
— 1 Thessalonicenzen 1:6
Zowel de steenachtige hoorder als de Thessalonicenzen ontvangen het Woord met vreugde en komen in verdrukking. Het verschil verschijnt niet vóór het geloof, maar onder de druk.
De Thessalonicenzen houden stand en worden voorbeelden. De steenachtige gelovige raakt niet geworteld en wijkt af.
De Schrift maakt de eerste ontvangst van de steen dus niet onecht. Zij toont wat er gebeurt wanneer een werkelijk begonnen geloofswandel geen diepte krijgt.
„Geen wortel” betekent niet „geen eeuwig leven”
Christus zegt dat deze mens geen wortel in zichzelf heeft. Dat detail verklaart waarom hij onder verdrukking niet standhoudt. De tekst definieert „geen wortel” nergens als „nooit wedergeboren”.
Kolossenzen 2 maakt duidelijk dat het aannemen van Christus en het verdere geworteld worden onderscheiden zijn:
“Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem; Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof.”
— Kolossenzen 2:6–7
Deze mensen hadden Christus reeds aangenomen. Daarna moesten zij in Hem wandelen, geworteld worden, opgebouwd worden en bevestigd worden in het geloof.
Worteling hoort dus bij de groei en bevestiging van iemand die reeds ontvangen heeft. De steenachtige gelovige komt niet tot die diepte.
Zijn zichtbare geloofswandel stopt werkelijk
Lukas zegt dat hij „voor een tijd” gelooft. Daarna wijkt hij af. Vanuit zijn zichtbare levenswandel stopt zijn voortgaande geloof werkelijk.
Dat is ernstig. Hij verliest standvastigheid, gemeenschap, getuigenis en vrucht. Maar nergens staat dat God het reeds geschonken eeuwige leven terugneemt.
2 Timotheüs 2 bewaart beide zijden:
“Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.”
— 2 Timotheüs 2:13
“Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.”
— 2 Timotheüs 2:19
De mens kan ontrouw worden. God wordt niet ontrouw aan Zijn eigen belofte. Een gelovige kan zelfs vergeten wat God heeft gedaan: 2 Petrus 1:9 spreekt over iemand die „vergeten heeft de reiniging zijner vorige zonden”. De mens kan in zijn bewustzijn en wandel verliezen wat God in zijn positie niet vergeet.
Conclusie over de steen
De cumulatieve Schriftlijn is helder:
- hij ontvangt het Woord;
- hij ontvangt het met vreugde;
- Lukas zegt rechtstreeks dat hij gelooft;
- de vervolging ontstaat om des Woords wil;
- hij komt in het soort verzoeking waarvoor gelovigen worden gewaarschuwd;
- hij raakt niet geworteld;
- hij wijkt in zijn voortgaande geloofswandel af;
- nergens staat dat eeuwig leven wordt teruggenomen.
De steenachtige bodem stelt daarom een behouden mens voor die werkelijk gelooft en werkelijk begint te staan, maar niet geworteld raakt en onder vervolging of verzoeking zijn standvastige geloofswandel opgeeft. Hij verliest zijn standvastigheid en vrucht, niet het eeuwige leven dat God hem op het geloof heeft geschonken.
3. Tussen de doornen: het Woord wordt verstikt
Christus verklaart de doornen Zelf. Zij zijn:
- de zorgvuldigheid van deze wereld of eeuw;
- de verleiding van de rijkdom;
- begeerlijkheden omtrent andere dingen;
- genietingen of wellusten van dit leven.
Het Woord wordt niet door openlijke vervolging verdreven. Het wordt langzaam omringd, verdrongen en verstikt door het gewone aardse leven dat de eerste plaats inneemt.
Dat kan er van buiten stabieler uitzien dan de steenachtige bodem. Deze hoorder hoeft het geloof niet openlijk te verloochenen. Toch kan het Woord in zijn leven praktisch krachteloos en onvruchtbaar worden.
„Het wordt onvruchtbaar” betekent niet dat er eerst rijpe vrucht was
Mattheüs en Markus gebruiken akarpos ginetai: het wordt of blijkt onvruchtbaar. Lukas zegt dat zij geen vrucht tot rijpheid brengen.
De ontwikkeling is:
- het Woord wordt gehoord;
- er ontstaat ontwikkeling;
- de doornen groeien mee;
- zorgen, rijkdom en begeerten nemen steeds meer ruimte in;
- het Woord wordt verstikt;
- er komt geen rijpe oogstvrucht.
„Onvruchtbaar worden” vereist daarom niet dat deze hoorder eerder al dertigvoudige vrucht droeg en die later verloor. Groei en uiterlijke ontwikkeling zijn nog geen rijpe vrucht. Markus zegt eenvoudig dat het zaad „geen vrucht” gaf. Lukas zegt dat de vrucht niet tot voltooiing komt.
Christus noemt bij de doornen de eeuwige positie niet
Dit is een van de belangrijkste waarnemingen van de hele gelijkenis. Bij de doornige hoorder staat niet:
- dat hij gelooft;
- dat hij niet gelooft;
- dat hij behouden wordt;
- dat hij verloren gaat;
- dat hij van het geloof afwijkt.
Christus benoemt hier de praktische uitkomst: het Woord wordt verstikt en de hoorder wordt onvruchtbaar.
De tekst deelt deze bodem dus niet in naar eeuwige positie, maar naar zichtbare toestand. Het onderwerp is de verstikkende werking van de wereld en het vlees op het gehoorde Woord.
Het ontbreken van het werkwoord „geloven” bewijst hier geen ongeloof. Bij de goede aarde gebruikt Lukas dat werkwoord evenmin opnieuw, terwijl haar behouden positie en vruchtbare wandel vaststaan. Wat Christus bij iedere bodem wél zegt, moet daarom het onderwerp bepalen.
Daarom mag men de doornen niet zonder Schriftbewijs uitsluitend tot de ongelovigen of uitsluitend tot de gelovigen rekenen.
De doornen kunnen het Woord vóór reddend geloof verstikken
Een natuurlijk mens bezit geen nieuw leven en geen inwonende Heilige Geest. Hij leeft vanzelf naar het vlees. Zorgen, rijkdom, eer, begeerten en levensgenot kunnen het gehoorde Woord in hem verstikken voordat het tot reddend geloof komt.
Herodes hoorde Johannes graag en deed vele dingen, maar wilde zijn zondige verhouding niet loslaten. Felix werd bevreesd, maar wachtte op een geschikter ogenblik en hoopte tegelijk geld van Paulus te ontvangen. Hun belangstelling en gewetenswerking brachten hen niet tot een duidelijk beschreven geloof in Christus.
Bij zo iemand beschrijft de doornige toestand de uitwendige en inwendige invloed van het Woord die uiteindelijk door het vlees en de wereld wordt verstikt vóór reddend geloof.
De doornen kunnen ook de wandel van een gelovige beheersen
De Schrift zegt even duidelijk dat een werkelijk behouden mens vleselijk en onvruchtbaar kan wandelen.
Paulus noemt de Korinthiërs „broeders” en „jonge kinderen in Christus”, maar zegt tegelijk:
“Want gij zijt nog vleselijk.”
— 1 Korinthe 3:3
Zij waren in Christus, maar hun praktische wandel werd gekenmerkt door nijd, twist en andere werken van het vlees. Eeuwige positie en dagelijkse toestand waren niet hetzelfde.
Galaten 5:25 verklaart hoe dat mogelijk is:
“Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.”
— Galaten 5:25
De gelovige leeft door de Geest, maar moet er bewust voor kiezen door de Geest te wandelen. Wanneer hij praktisch naar het vlees wandelt, krijgen dezelfde zorgen, rijkdom, begeerten en genietingen die de natuurlijke mens beheersen ook in zijn leven ruimte. Het Woord kan dan praktisch worden verstikt en zonder rijpe vrucht blijven.
Een gereinigde gelovige kan werkelijk onvruchtbaar zijn
2 Petrus 1 levert hiervoor beslissend Schriftbewijs. Petrus schrijft aan mensen die „even dierbaar geloof” verkregen hebben. Hij zegt dat zij deelachtig zijn geworden aan de Goddelijke natuur (verzen 1 en 4). Vervolgens spoort hij hen aan om bij hun geloof deugd, kennis, matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde te voegen.
Dan schrijft hij:
“Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus. Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.”
— 2 Petrus 1:8–9
Petrus gebruikt voor „onvruchtbaar” hetzelfde Griekse woord akarpos dat in de verklaring van de zaaier staat.
Deze persoon is niet nooit gereinigd. Hij heeft de reiniging van zijn vorige zonden vergeten. Hij is niet zonder geloof; Petrus spreekt tot mensen die geloof verkregen hebben. Toch kan hij blind, kortzichtig en onvruchtbaar worden.
Ook Titus 3:14 waarschuwt gelovigen om goede werken voor te staan, „opdat zij niet onvruchtbaar zijn”. De mogelijkheid van een onvruchtbare gelovige wordt dus rechtstreeks door de Schrift bevestigd.
Dezelfde zichtbare toestand kan twee verschillende eeuwige posities bedekken
Hier ligt de bijzondere scherpte van de doornige bodem.
Een natuurlijke ongelovige kan werelds, bezorgd, geldzuchtig en onvruchtbaar leven. Een werkelijk behouden maar vleselijke gelovige kan uiterlijk precies hetzelfde doen.
De één heeft alleen de oude natuur uit Adam. De ander heeft door het geloof nieuw leven ontvangen, maar wandelt praktisch naar het vlees. Wij zien bij beiden alleen de zichtbare wandel.
Daarom kan uit de doornige toestand op zichzelf niet onfeilbaar worden vastgesteld of de mens behouden is. Christus heeft bij deze bodem de eeuwige positie ook niet genoemd. Hij heeft de zichtbare heerschappij van de wereld en het vlees beschreven.
De vaste Bijbelse regel luidt:
Wij zien hoe iemand wandelt. God weet of iemand leeft.
De steen en de doornen zijn niet hetzelfde
Als zowel de steenachtige als de doornige hoorder een gelovige kan zijn, voegen beide bodems dan werkelijk iets verschillends toe? Ja.
De steenachtige gelovige begint zichtbaar geestelijk. Hij ontvangt het Woord met vreugde, verbindt zich eraan en ondervindt daardoor verdrukking. De strijd wordt zichtbaar, maar hij raakt niet geworteld en wijkt onder de druk af.
De doornige gelovige hoeft niet eerst zichtbaar stand te houden. Hij kan vanaf het begin ruimte blijven geven aan zijn vlees en de wereld. Het Woord groeit niet vrij uit, maar wordt door zorgen, rijkdom en begeerten verdrongen. Niet openlijke vervolging, maar praktische wereldgezindheid maakt hem onvruchtbaar.
De steen laat daarom vooral zien wat druk en verzoeking met een ongegronde geloofswandel kunnen doen. De doornen laten zien wat zorgen, bezit, begeerten en genot doen wanneer het vlees de praktische ruimte behoudt.
Conclusie over de doornen
De doornen vormen geen afzonderlijke, door Christus benoemde eeuwige categorie. Zij beschrijven een zichtbare toestand waarin de wereld en het vlees het Woord verstikken.
Dat kan vóór reddend geloof gebeuren bij een natuurlijke mens. Het kan na geloof gebeuren bij een gelovige die door de Geest leeft, maar niet door de Geest wandelt. De zichtbare onvruchtbaarheid is bij beiden mogelijk; de eeuwige positie is radicaal verschillend.
4. De goede aarde: het Woord wordt bewaard en draagt vrucht
Bij de goede aarde komen de drie verslagen opnieuw samen.
Mattheüs zegt dat deze mens het Woord hoort en verstaat. Markus zegt dat hij het Woord hoort en aanneemt. Lukas zegt:
“En dat in de goede aarde valt, zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.”
— Lukas 8:15
De goede aarde:
- hoort het Woord;
- verstaat het;
- neemt het aan;
- bewaart het;
- houdt het vast onder strijd en druk;
- brengt met volharding vrucht voort.
Dit is de gelovige die niet alleen door de Geest leeft, maar ook door de Geest wandelt. Het Woord krijgt blijvend ruimte en werkt zichtbaar uit in zijn leven.
Goede aarde betekent niet zondeloze aarde
De goede aarde stelt geen gelovige zonder vlees of innerlijke strijd voor. Galaten 5:17 zegt:
“Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.”
— Galaten 5:17
Ook de vruchtbare gelovige draagt de oude natuur nog met zich mee. Het verschil is dat hij het Woord bewaart, zich door de Geest laat leiden en de strijd werkelijk aangaat. De aanwezigheid van strijd bewijst niet dat hij geen goede aarde is. Juist in die strijd bewaart hij het Woord en draagt hij met volharding vrucht.
Vrucht is niet de koopprijs van eeuwig leven
De goede aarde wordt niet behouden omdat zij genoeg vrucht produceert. De mens ontvangt eeuwig leven door geloof in Christus. Vrucht is de uitwerking van het bewaarde Woord in het leven van de gelovige.
De volgorde mag niet worden omgekeerd:
- niet: eerst voldoende vrucht, daarna zekerheid van eeuwig leven;
- maar: eerst eeuwig leven door geloof, daarna de roeping om vanuit dat leven vrucht te dragen.
Efeze 2 bewaart deze volgorde nauwkeurig. De gelovige wordt uit genade behouden door het geloof, „niet uit de werken” (verzen 8–9). Daarna zegt vers 10 dat wij in Christus Jezus geschapen zijn „tot goede werken”. Goede werken zijn het doel van de nieuwe wandel, niet de oorzaak van de nieuwe geboorte.
Niet iedere vruchtbare gelovige draagt evenveel vrucht
Christus spreekt over dertig-, zestig- en honderdvoud.
Allen zijn goede aarde. Allen dragen vrucht. Toch is de opbrengst niet gelijk.
Dit alleen al laat zien dat vrucht geen binaire test van eeuwig leven is. De Schrift zegt niet hoeveel zichtbare vrucht iemand moet voortbrengen om zijn wedergeboorte te bewijzen. Zij laat juist verschillen in groei, trouw, gelegenheid en opbrengst zien.
Eeuwig leven is voor iedere gelovige volledig in Christus. Praktische vrucht, goedkeuring en loon kunnen sterk verschillen.
Conclusie over de goede aarde
De goede aarde stelt de gelovige voor die het Woord niet alleen hoort, maar het bewaart. Hij wandelt door de Geest, houdt onder strijd stand en brengt met volharding vrucht voort. Die vrucht kan dertig-, zestig- of honderdvoud zijn.
De gronden zijn geen onveranderlijke levensetiketten
De vier gronden beschrijven wat er met het gehoorde Woord gebeurt. Zij mogen niet worden veranderd in vier onveranderlijke groepen waarin ieder mens vanaf zijn geboorte tot zijn dood opgesloten blijft.
De weg beschrijft iemand die het Woord op het betreffende moment niet gelooft en daarom niet behouden wordt. De tekst zegt niet dat zo iemand nooit opnieuw het Woord kan horen en later alsnog kan geloven. Paulus was eerst een ongelovige vervolger, maar ontving daarna barmhartigheid:
“Die te voren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in mijn ongelovigheid.”
— 1 Timotheüs 1:13
Ook iemand bij wie zorgen, begeerten of rijkdom het Woord vóór reddend geloof verstikken, kan later tot geloof komen. Zolang een mens leeft en het Evangelie hoort, blijft de Bijbelse oproep staan: geloof in den Heere Jezus Christus.
Na geloof verandert de eeuwige positie niet meer. De gelovige is uit de dood overgegaan in het leven:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
Zijn praktische wandel kan echter wel veranderen. Een gelovige kan vruchtbaar wandelen, later onder druk vallen, door wereldse begeerten verstikt raken en daarna opnieuw hersteld worden. Daarom worden gelovigen gewaarschuwd:
“Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.”
— 1 Korinthe 10:12
Paulus zei tegen de Galaten:
“Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te zijn?”
— Galaten 5:7
En Christus riep een gevallen gemeente terug:
“Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken.”
— Openbaring 2:5
Een gelovige kan nooit terugkeren tot de eeuwige positie van iemand die nooit geloofd heeft. Hij kan in zijn wandel wel kenmerken gaan vertonen die bij de steenachtige plaats of de doornen zichtbaar zijn. Evenzo kan een gevallen of verstikte gelovige opnieuw het Woord bewaren en vrucht dragen.
Daarom zijn de gronden geen onveranderlijke levensetiketten. Wat na geloof vaststaat, is de eeuwige positie in Christus. Wat tijdens het leven kan veranderen, is de praktische verhouding tot het Woord: standhouden of afwijken, wandelen door de Geest of naar het vlees, onvruchtbaar blijven of opnieuw vrucht dragen.
Duivel, wereld en vlees in de vier bodems
De gelijkenis wordt nog helderder wanneer de drie grote geestelijke tegenstanders worden onderscheiden.
De duivel
Bij de weg komt de duivel rechtstreeks en neemt hij het Woord weg voordat geloof ontstaat. Zijn doel is dat de hoorder niet gelooft en niet behouden wordt.
De wereld
De wereld werkt op meer dan één manier.
Bij de steen oefent zij druk uit door verdrukking en vervolging om des Woords wil. Bij de doornen trekt zij door zorgen, rijkdom, begeerten en genoegens.
De wereld bestrijdt het Woord dus zowel door vijandschap als door verleiding. De ene gelovige bezwijkt omdat trouw te veel kost. De andere wordt onvruchtbaar omdat comfort, bezit en aardse belangen te belangrijk worden.
Het vlees
Het vlees reageert op beide vormen van wereldse invloed.
Bij de steen kiest het voor zelfbehoud wanneer gehoorzaamheid lijden meebrengt. Bij de doornen kiest het voor controle, bezit, genot en de bevrediging van begeerten.
Een ongelovige heeft alleen de natuur uit Adam en leeft daarom vanzelf naar het vlees. Een gelovige heeft daarnaast nieuw leven en de inwonende Heilige Geest, maar zijn oude vlees is niet verbeterd. Daarom wordt hij bevolen het vlees geen plaats te geven en door de Geest te wandelen.
De goede aarde
De goede aarde heeft niet minder behoefte aan Gods genade. Zij bewaart het Woord, wandelt door de Geest en blijft daardoor staan tegenover de druk en aantrekkingskracht van de wereld.
De mens ziet de wandel; God kent de eeuwige positie
De gelijkenis waarschuwt tegen twee tegenovergestelde vergissingen.
De eerste vergissing is dat een ernstig verkeerde of onvruchtbare wandel automatisch zou bewijzen dat iemand nooit behouden is geweest. De tweede is dat een indrukwekkende godsdienstige buitenkant automatisch wedergeboorte zou bewijzen.
De Schrift ontkent beide conclusies.
Behouden mensen kunnen zeer vleselijk wandelen
De Korinthiërs werden „geheiligden in Christus Jezus” en „geroepen heiligen” genoemd (1 Korinthe 1:2). Toch waren onder hen nijd, twist, hoererij, rechtszaken en misbruik rond het avondmaal. Paulus ontkende hun positie in Christus niet; hij bestrafte hun vleselijke wandel.
Over het toekomstige onderzoek van hun werk schrijft hij:
“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15
Zijn werk kan verloren gaan terwijl hijzelf behouden blijft. Dat is onmogelijk wanneer vrucht en behoudenis hetzelfde zouden zijn.
Ook Lot is een ernstige waarschuwing. Wie alleen zijn zichtbare keuzes in Genesis beoordeelt, zou gemakkelijk kunnen denken dat hij volledig bij Sodom hoorde. Toch noemt de Heilige Geest hem in 2 Petrus 2:7–8 rechtvaardig. De mens zag een diep gebrekkige wandel; God kende zijn positie.
Onbehouden mensen kunnen overtuigend godsdienstig lijken
Judas bevond zich zichtbaar onder de twaalf en nam deel aan hun dienst. De andere discipelen doorzagen hem niet als de verrader. Zijn plaats en werkzaamheden bewezen zijn geloof niet.
In Mattheüs 7 beroepen mensen zich op profeteren, duivelen uitwerpen en vele krachten doen. Christus antwoordt:
“Ik heb u nooit gekend.”
— Mattheüs 7:23
Hij zegt niet dat Hij hen vroeger kende en later verloor. Hun indrukwekkende werken bewezen nooit dat zij eeuwig leven bezaten.
Een goede godsdienstige buitenkant kan dus ongeloof bedekken. Een slechte of onvruchtbare wandel kan het nieuwe leven van een vleselijke gelovige bedekken.
„Aan hun vruchten zult gij hen kennen”
Mattheüs 7:15–20 gaat rechtstreeks over valse profeten. Hun vruchten maken hun leer, richting en werking herkenbaar. Gelovigen moeten leer en wandel toetsen.
Maar dat is niet hetzelfde als beweren dat de mens door observatie onfeilbaar iemands wedergeboorte kan vaststellen. Dezelfde context noemt mensen met indrukwekkende geestelijke aanspraken en werken die Christus nooit gekend heeft.
De vruchttoets helpt valse profeten herkennen; zij maakt de menselijke waarnemer niet tot kenner van het hart. „De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan” (1 Samuël 16:7). „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn” (2 Timotheüs 2:19).
Veelgehoorde tegenwerpingen
„Alleen de goede aarde is werkelijk behouden”
Dat botst met Lukas’ rechtstreekse woorden over de steenachtige hoorders: „die maar voor een tijd geloven”. In het onmiddellijk voorafgaande vers is niet-geloven juist de reden dat de mensen bij de weg niet zalig worden.
De gedachte dat de steen eigenlijk nooit geloofde, komt niet uit de tekst. Zij wordt vanuit een vooraf aangenomen leer over noodzakelijke levenslange volharding in de tekst teruggelezen.
„Tijdelijk geloof is per definitie onecht geloof”
Christus zegt niet: zij lijken voor een tijd te geloven. Hij zegt: zij geloven voor een tijd. De tijdelijkheid betreft hun voortgaande geloofswandel. De rechtstreekse Evangelieteksten verbinden eeuwig leven aan geloof in Christus, niet aan een later bewezen levenslange standvastigheid.
„Geen wortel betekent geen wedergeboorte”
Die definitie geeft Christus niet. In de gelijkenis verklaart de ontbrekende wortel waarom de mens onder verzoeking niet standhoudt. Kolossenzen 2:6–7 laat zien dat geworteld en opgebouwd worden deel zijn van de verdere wandel van mensen die Christus reeds hebben aangenomen.
„Een werkelijk behouden mens kan niet onvruchtbaar zijn”
2 Petrus 1:8–9 spreekt over gelovigen die deel hebben aan de Goddelijke natuur en die toch blind, kortzichtig en onvruchtbaar kunnen zijn. De onvruchtbare heeft zelfs de reiniging van zijn vorige zonden vergeten.
1 Korinthe 3:15 zegt bovendien dat iemands werk kan verbranden terwijl hijzelf behouden wordt. De Schrift maakt daarom geen ruimte voor de stelling dat zichtbare onvruchtbaarheid automatisch ongeloof bewijst.
„De doornen moeten óf alleen ongelovigen óf alleen gelovigen voorstellen”
Christus legt die keuze niet op. Hij omschrijft de doornige bodem door zorgen, rijkdom, begeerten, levensgenot en uiteindelijke onvruchtbaarheid. Hij zegt bij deze bodem niet of de hoorder gelooft of niet gelooft.
De overige Schrift toont beide mogelijkheden. Deze machten kunnen het Woord vóór geloof verstikken. Zij kunnen ook de wandel van een werkelijk behouden, maar vleselijke gelovige beheersen.
De doornige toestand beschrijft daarom de zichtbare werking van vlees en wereld, niet één vastgestelde eeuwige positie.
„Aan iemands zichtbare leven kan men uiteindelijk toch zien of hij behouden is”
De Korinthiërs en Lot tonen dat behouden mensen ernstig verkeerd kunnen wandelen. Judas en de werkers uit Mattheüs 7 tonen dat onbehouden mensen overtuigend godsdienstig kunnen lijken.
Wij mogen iemands leer en wandel aan Gods Woord toetsen. Wij mogen niet doen alsof wij daardoor onfeilbaar het hart en de eeuwige positie kennen.
„Wie door de Geest leeft, zal vanzelf door de Geest wandelen”
Galaten 5:25 maakt van de wandel door de Geest een oproep aan mensen die reeds door de Geest leven. Als die wandel automatisch was, zou de oproep overbodig zijn. De vleselijke Korinthiërs waren daadwerkelijk „in Christus”.
De Schrift leert daarom niet dat iedere werkelijk gelovige onvermijdelijk tot een zichtbaar volhardend en vruchtbaar leven komt. Zij leert dat iedere gelovige verantwoordelijk is om overeenkomstig zijn ontvangen nieuwe leven te wandelen.
Wat deze gelijkenis over de calvinistische volhardingsleer laat zien
De gelijkenis van de zaaier is geen volledige uiteenzetting van ieder onderdeel van het calvinisme. Toch treft zij rechtstreeks het hart van de leer dat alleen een levenslang volhardend geloof achteraf bewijst dat het eerdere geloof werkelijk reddend was.
Christus zegt dat de steenachtige hoorder gelooft. Daarna wijkt hij onder verzoeking af. De gebruikelijke uitweg — „dan was zijn geloof nooit echt” — spreekt de tekst tegen.
De Som van Gods Woord geeft de oplossing. Wie in Christus gelooft, heeft eeuwig leven. Een gelovige kan daarna ongeworteld, ontrouw, vleselijk of onvruchtbaar wandelen. Dat tast Gods belofte niet aan, maar brengt wel verlies van gemeenschap, getuigenis, vrucht, goedkeuring en loon mee.
De doornen versterken dit. Een gereinigde gelovige kan onvruchtbaar zijn. Daardoor kan zichtbare vrucht nooit de onfeilbare grond van eeuwige zekerheid zijn.
Wie de gevolgen hiervan voor de vijf punten van het calvinisme verder wil onderzoeken, kan verder lezen in Calvinisme vernietigd door één gelijkenis.
Wat de gelijkenis gelovigen leert
Ontvangen is niet hetzelfde als geworteld zijn
De steenachtige bodem waarschuwt dat een werkelijke geloofsreactie moet worden gevolgd door onderwijs, opbouw, gehoorzaamheid en geestelijke diepte. Een gelovige die niet geworteld raakt, kan onder druk vallen.
Voorspoed kan even gevaarlijk zijn als vervolging
De steen bezwijkt onder vijandschap. De doornen verstikken door aantrekkingskracht. De ene mens wil het lijden vermijden; de andere wil de wereld niet loslaten. Satan en de wereld bestrijden het Woord zowel door pijn als door plezier.
Geestelijk leven moet praktisch worden uitgeleefd
De gelovige hoeft door zijn wandel geen nieuw leven te verdienen. Hij wordt opgeroepen te wandelen overeenkomstig het leven dat hij reeds door de Geest bezit.
Daarom is de strijd tussen vlees en Geest geen strijd om opnieuw geboren te worden, maar de dagelijkse strijd om het ontvangen leven werkelijk ruimte te geven.
Vrucht vraagt bewaring en volharding
De goede aarde hoort niet alleen. Zij verstaat, neemt aan, bewaart en draagt met volharding vrucht. Geestelijke vrucht groeit waar het Woord wordt vastgehouden en de gelovige door de Geest wandelt.
Verschil in vrucht is geen verschil in eeuwig leven
Dertig-, zestig- en honderdvoud zijn allemaal goede aarde. Eeuwig leven is voor iedere gelovige volledig in Christus. Vrucht en toekomstig loon verschillen.
Beoordeel de wandel, maar matig u Gods alwetendheid niet aan
Zonde moet zonde worden genoemd. Valse leer moet worden weerlegd. Onvruchtbaarheid moet ernstig worden gewaarschuwd. Maar alleen de Heere kent onfeilbaar degenen die de Zijnen zijn.
Waarop rust eeuwige zekerheid?
Wanneer zekerheid op gemeten levensvrucht rust, kan zij nooit vast zijn. Hoeveel vrucht is dan genoeg? Hoelang moet die zichtbaar blijven? Hoeveel vleselijkheid bewijst achteraf dat het geloof nooit echt was? De Schrift geeft daarvoor geen maatstaf.
Zij geeft iets veel beters: de belofte van Christus.
- Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven (Johannes 6:47).
- De gelovige is uit de dood overgegaan in het leven (Johannes 5:24).
- Christus’ schapen zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid (Johannes 10:28).
- De Heere kent degenen die de Zijnen zijn (2 Timotheüs 2:19).
Vrucht is zeer belangrijk voor gemeenschap met God, geestelijke groei, getuigenis, Gods tucht, toekomstige goedkeuring en loon. Vrucht is niet de grond waarop God een mens rechtvaardigt. Zij is ook niet de onfeilbare grond waarop een mens zijn eeuwige positie moet proberen af te lezen.
Meer hierover staat in Eeuwige zekerheid: kan een gelovige verloren gaan? en Moet een gelovige volharden om behouden te blijven?.
Eindconclusie
De gelijkenis van de zaaier leert niet dat drie groepen nooit behouden waren en alleen de goede aarde werkelijk geloofde. Die uitleg maakt geloof, standvastigheid, geestelijke wandel en vrucht tot één en dezelfde zaak, terwijl Christus ze zorgvuldig onderscheidt.
Bij de weg wordt het Woord door de duivel weggenomen voordat geloof en behoudenis ontstaan. Dit is de bodem waarbij Christus uitdrukkelijk zegt dat geloof en behoudenis uitblijven.
Bij de steen wordt het Woord werkelijk geloofd en met vreugde ontvangen. De mens begint werkelijk te staan, maar raakt niet geworteld. Wanneer verdrukking of verzoeking komt, wijkt hij af. De Som van Gods Woord legt zijn behoudenis vast: wie gelooft, heeft eeuwig leven. Zijn ontrouw vernietigt Gods belofte niet.
Bij de doornen gaat het niet over een vastgestelde eeuwige positie, maar over de verstikkende macht van de wereld en het vlees. Zorgen, rijkdom, begeerten en levensgenot verhinderen dat het Woord tot rijpe vrucht komt. Dat kan vóór reddend geloof gebeuren bij een natuurlijke mens. Het kan ook gebeuren bij een gelovige die door de Geest leeft, maar praktisch naar het vlees wandelt.
Daarom kunnen een natuurlijke ongelovige en een vleselijke gelovige uiterlijk dezelfde wereldse en onvruchtbare wandel vertonen. Wij zien de wandel. God kent de eeuwige positie.
Bij de goede aarde wordt het Woord verstaan, aangenomen en bewaard. Deze gelovige heeft nog steeds het vlees en kent de strijd tussen vlees en Geest, maar hij wandelt door de Geest, houdt het Woord vast en draagt met volharding vrucht. De opbrengst verschilt: dertig-, zestig- of honderdvoud.
De gelijkenis kan daarom in vier regels worden samengevat:
De weg toont verhinderd geloof.
De steen toont werkelijk geloof dat onder druk niet standhoudt.
De doornen tonen de zichtbare heerschappij van vlees en wereld, vóór geloof of in de wandel van een gelovige.
De goede aarde toont geloof dat het Woord bewaart, door de Geest wandelt en tot rijpe vrucht komt.
Eeuwig leven wordt ontvangen door geloof alleen. Worteling, standvastigheid en vrucht bepalen niet of Christus Zijn belofte nakomt, maar hoe het ontvangen Woord in het leven uitwerkt.
Wie nog niet in Christus heeft geloofd, wordt niet opgeroepen eerst goede aarde te bewijzen door voldoende vrucht. Hij wordt opgeroepen de Heere Jezus te geloven. Christus heeft de zondeschuld volledig gedragen en is opgestaan. Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven.