De tarwe en het onkruid zijn twee positionele groepen mensen, niet de twee naturen binnen één gelovige. In deze profetische context is de akker de volkenwereld: de tarwe zijn gelovigen uit de volken en het onkruid zijn ongelovigen. De concrete oogst betreft de natuurlijke heidenen die na de opname op aarde leven en aan het einde van Daniëls zeventigste week nog in leven zijn. De Gemeente is dan reeds bij Christus en Israël wordt afzonderlijk gelouterd. De rechtvaardigen gaan het Koninkrijk binnen; de bozen gaan het eeuwige oordeel tegemoet.
Het onkruid tussen de tarwe uitgelegd
Wie zijn de tarwe en het onkruid, en wanneer vindt de oogst plaats?
De gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe wordt dikwijls algemeen uitgelegd als een beschrijving van gelovigen en ongelovigen die tot het einde naast elkaar op aarde leven. Dat raakt een werkelijke waarheid, maar Christus geeft veel meer bijzonderheden. Hij zegt wie zaait, wat de akker is, wie de twee soorten zaad zijn, wie de vijand is, wanneer de oogst komt en wie de scheiding uitvoert.
Wanneer die verklaringen naast de volledige context worden gelegd, ontstaat een nauwkeuriger beeld. De akker is in deze profetische samenhang de wereld van de volken tegenover Israël. De tarwe zijn gelovigen uit die volken; het onkruid zijn ongelovigen. Zij bestaan uiterlijk naast elkaar totdat de Zoon des mensen bij de voleinding komt. Dan vergaderen Zijn engelen de bozen uit de aardse Koninkrijkssfeer, terwijl de rechtvaardigen het Koninkrijk ontvangen.
De gelijkenis gaat daarom niet over twee naturen binnen één gelovige. Zij leert ook niet dat een gelovige door een slechte wandel in onkruid kan veranderen. Tarwe of onkruid betreft oorsprong en eeuwige positie; vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid betreffen wandel en zichtbare uitwerking.
De kern luidt:
De tarwe en het onkruid zijn gelovigen en ongelovigen binnen de volkenwereld. De ontwikkeling loopt tot de voleinding, maar de concrete oogst betreft de natuurlijke heidenen die na de opname op aarde leven en bij Christus’ zichtbare wederkomst nog in leven zijn. De Gemeente is dan reeds bij Christus en Israël wordt afzonderlijk gelouterd. De rechtvaardigen gaan het duizendjarig Koninkrijk binnen; de bozen gaan het eeuwige oordeel tegemoet.
Dit artikel maakt deel uit van Mattheüs 13 en de zeven gelijkenissen uitgelegd.
1. Begin met Christus’ eigen verklaring
Christus vertelt de gelijkenis in Mattheüs 13:24–30 en verklaart haar in vers 36–43. Daardoor hoeven de belangrijkste beelden niet door menselijke verbeelding te worden ingevuld.
| Beeld | Christus’ verklaring |
|---|---|
| De zaaier van het goede zaad | De Zoon des mensen |
| De akker | De wereld |
| Het goede zaad | De kinderen des Koninkrijks |
| Het onkruid | De kinderen des bozen |
| De vijand | De duivel |
| De oogst | De voleinding der wereld |
| De maaiers | De engelen |
Deze verklaringen zetten de grenzen voor iedere verdere uitleg. Tarwe en onkruid zijn „kinderen”: zij stellen mensen voor. De akker is de wereld, niet het lichaam van één gelovige. De twee zaden komen van twee verschillende zaaiers en worden aan het einde als twee groepen door engelen gescheiden.
2. De context begint bij Israëls verwerping van de Koning
Mattheüs 13 begint niet zonder voorgeschiedenis. Christus had Zich met Zijn Koninkrijksboodschap eerst tot Israël gericht. In Mattheüs 10 zond Hij de twaalf uit met de opdracht:
“Wijkt niet af op den weg der heidenen, en gaat niet in enige stad der Samaritanen; maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.”
— Mattheüs 10:5–6
In Mattheüs 11 bestraft Hij de steden waarin de meeste van Zijn krachten waren geschied, omdat zij zich niet bekeerden. In Mattheüs 12 schrijven de farizeeën Zijn bevrijdingswerk door de Heilige Geest aan Beëlzebul toe. Zij verwerpen geen onduidelijk getuigenis, maar verharden zich tegen overweldigend ontvangen licht.
Direct daarna gaat Christus uit het huis en zit bij de zee. Grote scharen verzamelen zich en Hij begint over de verborgenheden van het Koninkrijk te spreken. Aan Zijn discipelen zegt Hij:
“Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.”
— Mattheüs 13:11
Na Israëls nationale verwerping openbaart Christus hoe het Koninkrijksplan zich op het bredere wereldtoneel zal ontwikkelen. Het Woord des Koninkrijks wordt gezaaid; kinderen des Koninkrijks verschijnen onder de volken; de vijand brengt zijn namaak ertussen; en pas bij de voleinding vindt de definitieve scheiding plaats.
3. Waarom de akker hier de volkenwereld is
Christus zegt rechtstreeks:
“En de akker is de wereld.”
— Mattheüs 13:38
Het Griekse woord is kosmos: wereld. De vraag is niet of dat woord werkelijk „wereld” betekent, maar welke mensenwereld binnen deze profetische context in beeld is.
Romeinen 11 plaatst Israël tegenover de wereld
Paulus schrijft over Israëls tijdelijke val:
“En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!”
— Romeinen 11:12
„De wereld” staat hier parallel aan „de heidenen”. Daarna zegt Paulus:
“Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen anders dan het leven uit de doden?”
— Romeinen 11:15
Israël wordt in deze context tegenover „de wereld” geplaatst. Daarmee staat het Schriftuurlijke beginsel vast dat kosmos binnen een Israël–volkenverband de wereld buiten Israël kan aanwijzen.
Mattheüs verbindt wereld, volken en voleinding
Christus zegt later:
“En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.”
— Mattheüs 24:14
Hier komen dezelfde onderdelen samen als in Mattheüs 13:
- het Evangelie of Woord des Koninkrijks;
- de gehele wereld;
- alle volken;
- en daarna de voleinding.
Israël verschijnt afzonderlijk als schat in de akker
Binnen dezelfde reeks spreekt Christus later over een verborgen schat „in den akker”. Israël wordt in het Oude Testament Gods bijzondere eigendom uit alle volken genoemd:
“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijne.”
— Exodus 19:5
Israël bevindt zich onder de volken, maar wordt profetisch niet met hen vereenzelvigd:
“Ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.”
— Numeri 23:9
Daarom ontstaat in Mattheüs 13 een nauwkeurig onderscheid:
- de akker is de volkenwereld;
- tarwe en onkruid groeien in die wereld der volken;
- Israël ligt als een afzonderlijke schat in de akker;
- de Gemeente verschijnt vervolgens als één kostbare parel.
De universele geestelijke waarheid blijft uiteraard voor iedere Israëliet gelden: ook hij is persoonlijk gelovig of ongelovig. Maar de specifieke profetische groep die deze gelijkenis afbeeldt, zijn de gelovigen en ongelovigen onder de volken.
4. De Zoon des mensen zaait goed zaad
“Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.”
— Mattheüs 13:24
Christus verklaart:
“Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen.”
— Mattheüs 13:37
Het goede zaad is goed vanaf het ogenblik waarop het wordt gezaaid. De Zoon des mensen brengt geen onbepaalde mensen voort die later door hun werken moeten bewijzen welk soort zaad zij uiteindelijk zullen worden. Hij zaait kinderen des Koninkrijks.
Dat gelovigen uit de volken werkelijk kinderen van God en erfgenamen van het Koninkrijk worden, gebeurt door geloof:
“Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.”
— Galaten 3:26
Ook Christus had reeds gezegd:
“Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham en Izak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen.”
— Mattheüs 8:11
De tarwe wordt daarom niet door afkomst, werken of gemeten vrucht tot tarwe. Zij stelt mensen voor die door geloof aan Christus toebehoren.
5. De vijand zaait heimelijk onkruid
“En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.”
— Mattheüs 13:25
De schuld wordt volledig bij de vijand gelegd. Hij komt ongezien, zaait tussen het goede gewas en vertrekt voordat zijn werk zichtbaar wordt. Christus verklaart later:
“De vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel.”
— Mattheüs 13:39
De duivel kan Gods goede zaad niet in kwaad zaad veranderen. Hij brengt zijn eigen zaad tussen het goede gewas.
Betekent het slapen geestelijke ontrouw?
De heer bestraft de slapende mensen nergens. Er staat niet dat zij door geestelijke nalatigheid de oorzaak van het onkruid zijn. Het slapen geeft de vijand gelegenheid om ongezien te handelen en benadrukt daarmee de heimelijkheid van zijn werk.
In Markus 4 slaapt en waakt de zaaier terwijl het gewas normaal opgroeit. In Mattheüs 25 slapen zowel de wijze als de dwaze maagden. „Slapen” bewijst daarom niet automatisch geestelijke afval.
Gelovigen moeten beslist waakzaam zijn. Dat is een duidelijke Bijbelse opdracht. Maar die algemene waarheid mag niet als een niet-gegeven verklaring in Mattheüs 13:25 worden ingevoerd. Christus legt de oorsprong van het onkruid bij de vijand.
6. Het onkruid openbaart zich pas later
“Toen het nu tot kruid opgeschoten was en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.”
— Mattheüs 13:26
Het onkruid wordt niet pas onkruid wanneer het zichtbaar wordt. Het was vanaf het zaaien van een andere soort en oorsprong. Alleen de uiterlijke herkenbaarheid kwam later.
Dit detail verklaart waarom menselijke beoordeling zo beperkt is. Een ongelovige kan lang godsdienstig, vriendelijk en moreel lijken. Een werkelijk gelovige kan juist vleselijk, onvruchtbaar en beschamend leven. Mensen zien de zichtbare wandel; God kent de oorsprong en positie.
Daarom zegt Paulus:
“Het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die de Zijnen zijn.”
— 2 Timotheüs 2:19
God hoefde nooit af te wachten welk gewas zichtbaar werd. Hij wist vanaf het begin welk zaad van Hem was.
7. Twee zaaiers betekenen twee oorsprongen
De dienstknechten vragen:
“Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid? En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan.”
— Mattheüs 13:27–28
De heer ontkent de goedheid van zijn zaad niet. Hij zegt evenmin dat een deel van het goede zaad later onkruid is geworden. Het kwaad heeft een andere zaaier en oorsprong.
Christus verklaart de twee groepen als:
- kinderen des Koninkrijks;
- kinderen des bozen.
Dit betreft hun positie, niet iedere afzonderlijke daad die zij doen. Een kind des Koninkrijks kan praktisch naar het vlees wandelen en ernstige zonden bedrijven. Een kind des bozen kan uiterlijk godsdienstige en maatschappelijk goede daden doen. De zichtbare handelingen kunnen op elkaar lijken; de oorsprong blijft verschillend.
8. Een mens heeft één positie, maar een gelovige heeft nog vlees
Hier moet positie zorgvuldig van wandel worden onderscheiden. Een mens bevindt zich óf in Adam óf in Christus. Hij is óf buiten Christus óf door geloof met Hem verbonden. Hij is niet tegelijk voor de helft tarwe en voor de helft onkruid.
Een gelovige heeft zolang hij in zijn sterfelijke lichaam leeft wel de strijd tussen vlees en Geest:
“Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.”
— Galaten 5:17
Die twee werkingen geven hem echter geen twee eeuwige posities. Paulus kon de Korinthiërs tegelijk „broeders”, „in Christus” en „vleselijken” noemen:
“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.”
— 1 Korinthe 3:1
Hun slechte werken konden zelfs volledig verbranden, terwijl zijzelf behouden bleven:
“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15
Daarom moet deze sleutel worden vastgehouden:
Tarwe of onkruid betreft positie en oorsprong. Vruchtbaar of onvruchtbaar betreft wandel en uitwerking.
Een gelovige die naar het vlees wandelt, wordt geen kind des bozen. Zijn zonde komt uit het vlees en kan zijn getuigenis, gemeenschap, loon en dienst ernstig beschadigen, maar zij maakt Christus’ zaad niet tot zaad van de duivel.
9. Waarom tarwe en onkruid niet de twee naturen zijn
De twee-naturenleer is Schriftuurlijk, maar zij verklaart deze twee gewassen niet. De uitleg dat de tarwe de nieuwe natuur en het onkruid de oude natuur binnen dezelfde gelovige voorstellen, loopt op Christus’ woorden vast:
- Christus noemt beide zaden „kinderen”: groepen mensen.
- De akker is de wereld, niet het lichaam van één gelovige.
- De twee zaden worden door twee verschillende zaaiers gezaaid.
- Het onkruid staat tussen de tarwe, niet binnen de tarwe.
- Het onkruid was reeds onkruid voordat het zichtbaar werd.
- Bij de oogst worden personen door engelen gescheiden.
- De ene groep ontvangt het Koninkrijk; de andere gaat het vuuroordeel in.
De oude en nieuwe natuur helpen wel begrijpen waarom tarwe zich praktisch zeer zondig kan gedragen. Het vlees van een gelovige wordt niet verbeterd. Wanneer hij naar het vlees wandelt, kan zijn zichtbare leven sterk op dat van een ongelovige lijken. Dat maakt hem niet tot onkruid; het maakt zijn wandel vleselijk.
10. Waarom mensen de definitieve scheiding niet mogen uitvoeren
Wanneer de dienstknechten vragen of zij het onkruid moeten verzamelen, antwoordt de heer:
“Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.”
— Mattheüs 13:29
De heer zegt niet dat er geen werkelijk verschil bestaat. Hij zegt dat menselijke dienstknechten de definitieve scheiding vóór de oogst niet zonder schade kunnen uitvoeren.
Dit vers verbiedt geen gemeentelijke tucht. Paulus beveelt een plaatselijke gemeente openlijke boosheid uit haar midden weg te doen. Gemeentelijke tucht beoordeelt openbaar gedrag, beschermt de vergadering en probeert de zondigende broeder tot herstel te brengen. Zij spreekt geen onfeilbaar oordeel over iemands eeuwige positie uit.
In Mattheüs 13 is de akker bovendien de wereld, niet de plaatselijke gemeente. De definitieve scheiding van alle rechtvaardigen en bozen binnen de levende volken behoort aan Christus en Zijn engelen.
11. Bij de oogst wordt eerst het onkruid verwijderd
“Laat ze beide tezamen opwassen tot den oogst; en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid en bindt het in busselen om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.”
— Mattheüs 13:30
De volgorde is duidelijk:
- beide groepen bestaan uiterlijk naast elkaar;
- de oogsttijd breekt aan;
- de maaiers ontvangen hun bevel;
- het onkruid wordt voor verbranding verzameld;
- de tarwe wordt veilig binnengebracht.
Dit is niet de opname van de Gemeente. Bij de opname worden de gelovigen vóór de toorn tot Christus vergaderd. In deze gelijkenis worden bij de grens van het Koninkrijk juist de bozen uit de aardse sfeer verwijderd, terwijl de rechtvaardigen voor de Koninkrijkszegen overblijven.
Dezelfde richting staat in Psalm 37: de kwaaddoeners worden uitgeroeid, terwijl de zachtmoedigen de aarde erfelijk bezitten. De gelijkenis behandelt niet de wegname van de Gemeente naar de hemel, maar de zuivering van de aardse Koninkrijkssfeer bij Christus’ wederkomst.
12. De oogst is de voleinding bij Christus’ zichtbare komst
Christus verklaart:
“En de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.”
— Mattheüs 13:39
De discipelen gebruiken later dezelfde uitdrukking:
“Welk zal het teken zijn van Uw toekomst en van de voleinding der wereld?”
— Mattheüs 24:3
Mattheüs 24 verbindt de voleinding met de zichtbare komst van de Zoon des mensen. Mattheüs 13 zegt eveneens:
“De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen en degenen die de ongerechtigheid doen.”
— Mattheüs 13:41
Mattheüs 25 gebruikt dezelfde onderdelen:
“En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden.”
— Mattheüs 25:31–32
In beide passages verschijnen:
- de Zoon des mensen in Zijn Koninkrijksmacht;
- Zijn engelen;
- de voleinding;
- een verzameling van mensen;
- een scheiding tussen rechtvaardigen en bozen;
- het Koninkrijk voor de ene groep;
- het vuuroordeel voor de andere.
De oogst van Mattheüs 13 en het oordeel over de volken van Mattheüs 25 beschrijven daarom dezelfde Koninkrijksgrens.
13. Tarwe en onkruid komen overeen met schapen en bokken
Mattheüs 13 noemt:
- kinderen des Koninkrijks en kinderen des bozen;
- rechtvaardigen en bozen;
- het Koninkrijk en de vurige oven.
Mattheüs 25 noemt:
- schapen en bokken;
- rechtvaardigen en vervloekten;
- het Koninkrijk en het eeuwige vuur.
De overeenkomsten zijn exact:
| Mattheüs 13 | Mattheüs 25 |
|---|---|
| Zoon des mensen komt in Koninkrijksmacht | Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid |
| Engelen voeren de verzameling uit | Alle heilige engelen komen met Hem |
| Kinderen des Koninkrijks | Schapen en gezegenden des Vaders |
| Rechtvaardigen blinken in het Koninkrijk | Rechtvaardigen beërven het Koninkrijk |
| Kinderen des bozen worden verwijderd | Bokken en vervloekten gaan weg |
| Vurige oven | Eeuwig vuur en eeuwige straf |
Christus zegt tegen de schapen:
“Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.”
— Mattheüs 25:34
Over de bokken zegt Hij:
“Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.”
— Mattheüs 25:41
En de slotsom luidt:
“En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”
— Mattheüs 25:46
Daarom is de cumulatieve identificatie:
Tarwe = gelovige, gerechtvaardigde mensen uit de levende volken = schapen.
Onkruid = ongelovige mensen uit de levende volken = bokken.
De gelijkenis van het visnet laat zien dat de goede en kwade vissen dezelfde twee groepen vanuit een tweede beeld beschrijven.
14. Hun werken veroorzaken hun redding niet
De schapen worden in Mattheüs 25 reeds „rechtvaardigen” genoemd. Zij ontvangen een Koninkrijk dat al van de grondlegging der wereld bereid is. Hun behandeling van Christus’ broeders maakt hun verhouding tot de Koning zichtbaar; zij kopen daarmee geen rechtvaardiging of eeuwig leven.
Hun verbazing bevestigt dit. Zij hebben hun daden niet als verdienstelijke reddingswerken bijgehouden. De vrucht openbaart hun positie, maar veroorzaakt haar niet.
De Schrift leert overal dat rechtvaardiging door geloof ontvangen wordt:
“Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5
Goede werken hebben na de redding een belangrijke plaats. Zij behoren het geloof zichtbaar te maken en zullen door Christus beoordeeld en beloond worden. Maar zij maken een bok niet tot schaap en onkruid niet tot tarwe. Alleen geloof in Christus verandert de eeuwige positie.
15. De vurige oven is hier het eeuwige oordeel
Christus zegt over de kinderen des bozen:
“En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.”
— Mattheüs 13:42
De ernst van deze woorden mag niet worden afgezwakt. In deze context gaat het niet om tijdelijke tucht over een ontrouwe gelovige. Christus heeft de veroordeelde groep reeds „kinderen des bozen” genoemd. Mattheüs 25 verklaart hun bestemming als „het eeuwige vuur” en „de eeuwige pijn”.
De betekenis van een uitdrukking wordt door haar context bepaald. „Wening en knersing der tanden” of een zwaar oordeelssymbool mag daarom niet automatisch overal exact dezelfde groep of duur krijgen. Hier bepaalt Christus de identiteit echter rechtstreeks: de bozen worden uit het midden der rechtvaardigen afgescheiden en gaan het eeuwige oordeel tegemoet.
Daartegenover staat:
“Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders.”
— Mattheüs 13:43
De nu vaak verborgen rechtvaardigen worden dan openbaar aan Gods kant gesteld. De bozen worden verwijderd; de rechtvaardigen ontvangen de Koninkrijkszegen.
Deze samenvattende heerlijkheidstaal vereist niet dat iedere levende schaap-volkeling bij de ingang van het Koninkrijk onmiddellijk een verheerlijkt lichaam ontvangt. De levende schapen gaan in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen, terwijl opstandingsheiligen verheerlijkt verschijnen. Mattheüs 13 legt hier de nadruk op de openbare rechtvaardiging en overwinning van allen die aan Gods kant staan, zonder ieder lichaamstype afzonderlijk uit te werken.
16. Het oordeel betreft de levende generatie bij de wederkomst
De gelijkenis bestrijkt de ontwikkeling waarin tarwe en onkruid uiterlijk naast elkaar bestaan. De concrete oogst omvat echter niet alle mensen uit alle eeuwen. Zij betreft de natuurlijke mensen uit de heidenvolken die bij Christus’ zichtbare wederkomst nog in leven zijn.
De Gemeente behoort niet tot deze natuurlijke oordeelgroep. Zij is vóór Daniëls zeventigste week opgenomen en is bij Christus wanneer Hij in heerlijkheid verschijnt. Ook Israël wordt niet met de volken samengeperst, maar aan dezelfde Koninkrijksgrens afzonderlijk onder de band van het verbond gelouterd.
De tarwe en het onkruid die bij de oogst worden gescheiden, zijn daarom specifiek de gelovige en ongelovige heidenen die na de opname op aarde leven en het einde van Daniëls zeventigste week levend bereiken. De schapen gaan als natuurlijke mensen het zojuist opgerichte Koninkrijk binnen; de bokken gaan rechtstreeks in het eeuwige vuur.
Dat betekent niet dat ieder mens die nu ongelovig is automatisch tot het toekomstige onkruid behoort. Hij kan vóór de opname nog in Christus geloven en daardoor tot de Gemeente gaan behoren. Hij kan ook vóór die tijd sterven. De concrete oogstgroep wordt gevormd door degenen die bij Christus’ wederkomst werkelijk levend onder de heidenvolken aanwezig zijn.
Overleden ongelovigen wachten op een later oordeel. Openbaring 20 plaatst de opstanding en het oordeel van de overige doden na de duizend jaren. Daarom mogen de oogst bij de wederkomst en de grote witte troon niet tot één gebeurtenis worden samengevoegd.
17. Waarom dit niet de grote witte troon is
De verschillen zijn beslissend:
| Oogst en oordeel over de volken | Grote witte troon |
|---|---|
| Bij Christus’ zichtbare wederkomst | Na het duizendjarig Koninkrijk |
| Vóór de aanvang van het Koninkrijk | Nadat de duizend jaren geëindigd zijn |
| Levende rechtvaardigen en bozen samen | De overige doden worden opgewekt |
| Rechtvaardigen beërven het Koninkrijk | Niemand uit deze groep gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen |
| Bozen worden uit de aardse sfeer verwijderd | Dood en dodenrijk worden in de poel des vuurs geworpen |
Openbaring zegt:
“Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren.”
— Openbaring 20:5
En pas na die duizend jaren verschijnt de grote witte troon. Mattheüs 13 behandelt een eerdere scheiding aan de ingang van het duizendjarig Koninkrijk.
18. Israël wordt afzonderlijk gelouterd
Wanneer tarwe en onkruid de levende volken voorstellen, blijft de vraag wat er met Israël gebeurt. De Schrift geeft voor Israël een afzonderlijk oordeel onder de band van het verbond:
Israël behoort uiteraard tot de menselijke wereld, maar wordt in de profetische groepsindeling van de omringende volken onderscheiden. Daarom mag „al de volken” uit Mattheüs 25 niet zonder meer met Israël worden samengeperst. Gods Woord beschrijft voor Israël een eigen loutering aan dezelfde Koninkrijksgrens.
“En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds. En Ik zal de wederstrevers van ulieden en degenen die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren.”
— Ezechiël 20:37–38
De opstandigen worden uit Israël uitgezuiverd; het gelovige overblijfsel wordt nationaal hersteld. Zacharia beschrijft eveneens een gelouterd overblijfsel dat zegt: „De HEERE is mijn God.”
Daarmee blijft Gods profetische ordening zuiver:
| Groep | Plaats in het profetische geheel |
|---|---|
| De Gemeente | Met Christus verbonden vóór de toorn; door Zijn bloed verworven |
| Israël | Afzonderlijk onder de band des verbonds gelouterd en nationaal hersteld |
| Levende volken | Als tarwe en onkruid, en als schapen en bokken, bij de wederkomst gescheiden |
| De dan nog op te wekken doden | Na de duizend jaren voor de grote witte troon geoordeeld; alleen wie niet in het boek des levens staat, ondergaat de tweede dood |
Iedere individuele Israëliet wordt evenals ieder ander mens uitsluitend door geloof behouden. Het onderscheid betreft niet verschillende manieren van redding, maar Gods verschillende profetische handelingen met Israël, de Gemeente en de volken.
19. De gelijkenis in één overzicht
| Onderdeel | Betekenis |
|---|---|
| De goede Zaaier | Jezus Christus, de Zoon des mensen |
| Zijn akker | De volkenwereld waarin het Koninkrijkswoord uitgaat |
| Het goede zaad | Gelovigen uit de volken, kinderen des Koninkrijks |
| De vijand | De duivel |
| Het onkruid | Ongelovigen uit de volken, kinderen des bozen |
| Het slapen | Het heimelijke ogenblik waarop de vijand zaait, niet een verklaarde geestelijke afval |
| Het latere openbaar worden | Het verschil wordt voor mensen pas in de zichtbare ontwikkeling herkenbaar |
| Het samen opwassen | Beide groepen bestaan uiterlijk naast elkaar tot de voleinding |
| De maaiers | De engelen |
| De oogst | Christus’ zichtbare wederkomst en de voleinding van de eeuw |
| De vurige oven | Het eeuwige oordeel over de bozen |
| De schuur en het Koninkrijk | De veiligheid en Koninkrijkszegen van de rechtvaardigen |
20. Wat deze gelijkenis niet leert
De gelijkenis leert niet:
- dat tarwe door een slechte wandel in onkruid kan veranderen;
- dat een ongelovige door goede werken geleidelijk tarwe wordt;
- dat tarwe en onkruid de oude en nieuwe natuur binnen één persoon zijn;
- dat mensen vóór de oogst onfeilbaar iedere eeuwige positie kunnen vaststellen;
- dat gemeentelijke tucht verboden is;
- dat de opname van de Gemeente wordt beschreven;
- dat de grote witte troon en het oordeel over de levende volken dezelfde gebeurtenis zijn;
- dat werken bepalen wie eeuwig leven ontvangt;
- dat God Israël door de Gemeente heeft vervangen.
Zij leert wel:
- dat Christus werkelijk kinderen des Koninkrijks heeft onder de volken;
- dat de duivel zijn eigen kinderen en vervalsing ertussen brengt;
- dat uiterlijke verschijning menselijke beoordeling kan misleiden;
- dat positie en wandel onderscheiden moeten worden;
- dat Christus de Zijnen volmaakt kent;
- dat Zijn engelen bij de voleinding zonder vergissing scheiden;
- dat de rechtvaardigen het Koninkrijk ontvangen;
- en dat de bozen het eeuwige oordeel tegemoetgaan.
Niet de oordeelgroep, wel tot haar lering
De Gemeente is dus niet de groep die bij deze oogst als tarwe en onkruid wordt gescheiden. Toch is de gelijkenis werkelijk tot onze lering geschreven. Niet ieder Schriftgedeelte gaat rechtstreeks over de Gemeente, maar „al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven” (Romeinen 15:4).
Wij leren hieruit dat uiterlijke verschijning de eeuwige positie niet onfeilbaar zichtbaar maakt, dat Christus de Zijnen volmaakt kent, dat mensen niet bevoegd zijn om vóór Gods tijd de definitieve scheiding uit te voeren en dat het komende oordeel het verkondigen van het Evangelie dringend maakt.
21. Hoe wordt een mens tarwe?
Niemand wordt als kind des Koninkrijks geboren door nationaliteit, opvoeding, kerklidmaatschap, doop, volharding of goede werken. Ieder mens is van nature een zondaar en kan zichzelf niet rechtvaardigen.
Jezus Christus, Gods Zoon, stierf voor onze zonden, werd begraven en stond lichamelijk op uit de doden. Hij volbracht alles wat voor onze redding noodzakelijk was. Eeuwig leven wordt ontvangen door persoonlijk in Hem te geloven:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
“Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
Wie in Christus gelooft, ontvangt onmiddellijk eeuwig leven en wordt een kind van God. Daarna begint de ernstige verantwoordelijkheid om door de Geest te wandelen en vrucht te dragen. Die vrucht kan loon, gemeenschap en bruikbaarheid beïnvloeden, maar zij vormt niet alsnog een tweede voorwaarde voor eeuwig leven.
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9
De beslissende vraag is daarom niet hoeveel vrucht u al kunt aanwijzen. De beslissende vraag is of u voor uw eeuwige leven uitsluitend vertrouwt op Jezus Christus en Zijn volbrachte werk.
Conclusie
Christus heeft de gelijkenis Zelf zo nauwkeurig verklaard dat de hoofdzaak vaststaat. De twee gewassen zijn twee groepen mensen met twee verschillende oorsprongen. Zij worden niet door hun uiterlijke gedrag tarwe of onkruid, maar hun zichtbare ontwikkeling kan wel openbaar maken wat mensen eerder niet konden onderscheiden.
De volledige context bepaalt welke mensenwereld profetisch wordt afgebeeld. Na Israëls nationale verwerping gaat het Koninkrijkswoord naar de wereld der volken. Daar bestaan gelovigen en ongelovigen uiterlijk naast elkaar. Israël blijft als afzonderlijke schat binnen de wereldakker aanwezig en wordt aan de Koninkrijksgrens afzonderlijk gelouterd.
Bij Christus’ zichtbare wederkomst komt de oogst. De engelen verwijderen de bozen uit de aardse Koninkrijkssfeer. De levende rechtvaardigen uit de volken beërven het Koninkrijk; de ongelovigen gaan het eeuwige oordeel tegemoet. Dit is niet de opname en niet de grote witte troon, maar het oordeel over de levende volken vóór het duizendjarig Koninkrijk.
Daarom luidt de slotsom:
De tarwe zijn gelovigen uit de volken en het onkruid zijn ongelovigen uit de volken. Een gelovige kan vleselijk en onvruchtbaar wandelen zonder onkruid te worden; een ongelovige kan godsdienstig lijken zonder tarwe te zijn. God kent de Zijnen. Bij de voleinding zal Christus door Zijn engelen de twee groepen zonder vergissing scheiden: de rechtvaardigen ontvangen het Koninkrijk en de bozen gaan het eeuwige oordeel tegemoet.
Lees verder
Volledig overzicht:
Mattheüs 13 en de zeven gelijkenissen uitgelegd
Vorige studie:
De gelijkenis van de zaaier uitgelegd
Volgende studie:
Het mosterdzaad in Mattheüs 13 uitgelegd
Verwante studie: