De Bijbel leert niet dat alle mensen uit alle tijden op één moment voor hetzelfde oordeel verschijnen. De Gemeente verschijnt voor de rechterstoel van Christus; Israël wordt afzonderlijk gelouterd; de levende heidenvolken worden als schapen en bokken gescheiden; en na het duizendjarig Koninkrijk staan de dan nog op te wekken doden voor de grote witte troon. De grote witte troon is niet hetzelfde als de tweede dood: alleen wie niet geschreven gevonden wordt in het boek des levens des Lams, wordt in de poel des vuurs geworpen. Daardoor staan daar niet uitsluitend ongelovigen, maar ook gelovigen die tijdens het duizendjarig Koninkrijk in een natuurlijk lichaam zijn gestorven.
Welke oordelen noemt de Bijbel?
Veel mensen hebben geleerd dat aan het einde van de wereld alle mensen tegelijk opstaan en voor één algemeen laatste oordeel verschijnen. Daar zou vervolgens worden beslist wie naar de hemel en wie naar de hel gaat.
Wanneer alle Schriftplaatsen naast elkaar worden gelegd, blijkt dat beeld niet te kloppen. De Bijbel spreekt over verschillende oordelen:
- op verschillende tijdstippen;
- over verschillende groepen;
- over levende mensen of over opgewekte doden;
- met verschillende beoordelingsgronden;
- en met verschillende gevolgen.
De rechterstoel van Christus is niet de grote witte troon. Israël is niet één van de heidenvolken. De schapen en bokken zijn levende mensen, terwijl voor de grote witte troon de doden staan. De beoordeling van gelovigen gaat over wandel, trouw, dienst, loon en Koninkrijksvoorrecht; zij beslist niet opnieuw of Christus hun eeuwig leven heeft gegeven.
Dit artikel volgt de grote groepen door de verschillende tijden heen en laat zien welk oordeel of welke beoordeling bij iedere groep hoort.
Eerst het verschil tussen redding, tucht, loon en veroordeling
Niet ieder oordeel bepaalt of iemand eeuwig leven ontvangt. De Bijbel onderscheidt minstens vier zaken.
Eeuwige redding
Een mens wordt gerechtvaardigd door geloof in Jezus Christus, zonder werken. Christus heeft de volledige prijs voor onze zonden betaald. Wie in Hem gelooft, bezit nu eeuwig leven:
„Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis.”
— Johannes 5:24
Een beoordeling van de wandel van een gelovige maakt zijn eeuwige redding niet opnieuw onzeker. Lees daarvoor ook is redding alleen door geloof in Jezus Christus?
Vaderlijke tucht
God kastijdt Zijn kinderen tijdens hun aardse leven. Dat kan pijn, ziekte en zelfs lichamelijke dood omvatten. In 1 Korinthe 11:30–32 waren sommige gelovigen zwak, ziek of gestorven, maar Paulus verklaart uitdrukkelijk dat zij door de Heere werden getuchtigd, opdat zij niet met de wereld veroordeeld zouden worden.
De onbarmhartige dienstknecht van Mattheüs 18 laat eveneens zien dat een werkelijk vergeven dienaar onder een ernstig oordeel kan komen zonder dat dit oordeel eenvoudig met eeuwige verdoemenis mag worden vereenzelvigd.
Lichamelijke dood is daarom niet automatisch de tweede dood.
Een bijzonder scherpe toepassing staat in 2 Petrus 2. In één hoofdstuk staan de eeuwige duisternis voor ongeredde valse leraars, de Vaderlijke bestraffing en lichamelijke dood van de behouden Bileam en de mogelijke schade en het loonverlies van opnieuw verstrikte gelovigen naast elkaar.
Beoordeling van dienst en loon
Gelovigen kunnen loon ontvangen of schade lijden. Hun werken worden openbaar, maar hun redding rust niet op die werken:
„Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15
De rijke jongeling en de arbeiders in de wijngaard behandelen deze twee vragen in één doorgaand gedeelte van Mattheüs 19–20: hoe ontvangt iemand eeuwig leven, en hoe beoordeelt de Heer de dienst van Zijn volgelingen?
Eeuwige veroordeling
Wie zonder Christus sterft, kan niet door zijn werken worden gerechtvaardigd. Zijn werken worden wel geoordeeld, maar zij kunnen zijn naam niet in het boek des levens schrijven. De uiteindelijke bestemming van de niet-verloste mens is de tweede dood, de poel des vuurs.
Deze vier categorieën mogen nergens met elkaar worden vermengd.
De acht grote mensengroepen
| Hoofdgroep | Oordeel, beoordeling of opstanding | Uitkomst |
|---|---|---|
| Gelovigen vóór de Gemeente | Opstanding ten leven aan de Koninkrijksgrens | Eeuwig leven en deel aan Gods Koninkrijksorde |
| Ongelovigen vóór de Gemeente | Na hun dood Hades; na het millennium de grote witte troon | Tweede dood |
| De Gemeente van Christus | Opname en rechterstoel van Christus | Verheerlijking; loon of schade, nooit de tweede dood |
| Ongelovigen uit de Gemeentetijd | Bij dood vóór de wederkomst: Hades en later de grote witte troon; levende Israëlieten en heidenen gaan na de opname ieder hun afzonderlijke oordeelroute binnen | Tweede dood via verschillende routes en op verschillende tijdstippen |
| Israël tijdens Daniëls week | Afzonderlijke verbondsloutering in het land en onder de verstrooiden | Gelovig overblijfsel hersteld; wederstrevers verwijderd |
| Heidenvolken tijdens Daniëls week | Gestorvenen volgen hun opstandingsroute; levenden worden als schapen en bokken gescheiden | Gelovigen leven; ongelovigen ontvangen het definitieve oordeel |
| Gelovigen uit het millennium | Tucht tijdens hun leven; gestorvenen voor de grote witte troon; levenden veranderd | In het boek des levens; geen tweede dood |
| Ongelovigen uit het millennium | Dood tijdens het Koninkrijk of bij Gog en Magog; daarna grote witte troon | Tweede dood |
Daarnaast noemt de Schrift bijzondere oordeelroutes voor het Beest, de valse profeet, Satan en de gevallen engelen. Die komen verderop afzonderlijk aan bod.
1. Gelovigen vóór de Gemeente
Deze hoofdgroep omvat de gelovigen die vóór het ontstaan van de Gemeente zijn gestorven: mensen uit de vroegste wereld, de aartsvaders, gelovigen uit Israël en gelovigen uit de volken. Zij werden niet door de wet, offers of goede werken gered. Ook zij werden gerechtvaardigd door geloof in Gods belofte.
Abraham geloofde God en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. David kende de zaligheid van de mens aan wie God de rechtvaardigheid zonder werken toerekent (Romeinen 4:1–8). De inhoud van Gods openbaring werd door de tijden heen verder ontvouwd, maar de grond van iedere redding is altijd Christus.
Deze gelovigen behoren tot de opstanding ten leven. Daniël kreeg te horen:
„Gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.”
— Daniël 12:13
De precieze volgorde van iedere oudtestamentische gelovige wordt niet in één vers samengevat. De som van de Schrift plaatst hun opstanding echter aan de overgang naar Christus’ Koninkrijk. Zij staan niet duizend jaar later als veroordeelden voor de grote witte troon.
De eerste opstanding vindt in verschillende fasen plaats. Christus is de Eersteling; daarna volgen de door God aangewezen groepen op hun vastgestelde moment.
Hun uitkomst: opstanding ten leven, een onverderfelijk lichaam en deel aan Gods toekomstige Koninkrijksorde.
2. Ongelovigen vóór de Gemeente
Deze groep omvat alle mensen die vóór de Gemeentetijd in ongeloof zijn gestorven: uit de oude wereld, uit Israël en uit de heidenvolken.
Sommigen ontvingen reeds tijdens hun aardse leven een zichtbaar oordeel. De oude wereld stierf in de zondvloed; Sodom en Gomorra werden verwoest; opstandige Israëlieten stierven in de woestijn; steden en koninkrijken werden door God geoordeeld. Toch was hun lichamelijke dood niet automatisch de uitvoering van de tweede dood.
De ongelovige doden bevinden zich in Hades, het dodenrijk, in afwachting van hun lichamelijke opstanding en definitieve oordeel. Hades is niet hetzelfde als de poel des vuurs. Openbaring 20 bewijst dat doordat Hades zijn doden moet teruggeven en vervolgens zelf in de poel des vuurs wordt geworpen.
De „overigen der doden” worden niet vóór het millennium levend. Na de duizend jaren verschijnen zij voor de grote witte troon. Daar worden zij naar hun werken geoordeeld. Omdat zij niet in het boek des levens geschreven gevonden worden, ondergaan zij de tweede dood.
Hun route: lichamelijke dood → Hades → lichamelijke opstanding → grote witte troon → tweede dood.
Lees ook: hel en poel des vuurs: wat is het verschil?
3. De Gemeente van Christus
De Gemeente bestaat uit allen die in deze bedeling werkelijk in Jezus Christus hebben geloofd. Een kerknaam, waterdoop, levensverbetering of religieuze belijdenis maakt iemand niet tot een lid van Christus’ lichaam. De gelovige wordt door de Heilige Geest in dat lichaam gedoopt.
De opname
Vóór Daniëls zeventigste week daalt de Heere neer. De doden in Christus staan eerst op; de dan levende gelovigen worden veranderd en samen met hen opgenomen om de Heere tegemoet te gaan (1 Thessalonicenzen 4:13–18; 1 Korinthe 15:51–53).
De Gemeente komt daardoor niet in Daniëls zeventigste week als een aardse oordeelgroep. Zij is niet gesteld tot toorn. Een uitgebreide Schrifttoets staat in wordt de Gemeente vóór Daniëls zeventigste week opgenomen?
De rechterstoel van Christus
Na de opname verschijnt de Gemeente voor de rechterstoel van Christus:
„Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus.”
— 2 Korinthe 5:10
Daar wordt niet alsnog beslist of een gelovige eeuwig leven krijgt. Dat bezit hij reeds. Christus beoordeelt zijn werk, wandel, motieven en dienst.
Mogelijke uitkomsten zijn:
- loon en kroon;
- lof en grotere regeringsverantwoordelijkheid;
- schade en verlies van loon;
- maar nooit de tweede dood.
Daarom is de rechterstoel geen lichtere versie van de grote witte troon. Het is een andere beoordeling, voor een andere groep, op een ander tijdstip en met een ander doel. Zie ook wat gebeurt er met de Gemeente na de opname?
Hun uitkomst: alle leden van de Gemeente zijn verheerlijkt en eeuwig bij Christus; hun werken bepalen loon of schade, niet hun eeuwige redding.
4. Ongelovigen uit de Gemeentetijd
Wie tijdens de huidige bedeling het Evangelie hoort maar zonder Christus sterft, behoort niet tot de opname en verschijnt niet voor de rechterstoel van de Gemeente. Na zijn lichamelijke dood wacht hij in Hades op de grote witte troon.
Maar niet iedere ongelovige uit onze Gemeentetijd sterft vóór de opname. Een ongelovige die op dat moment leeft, blijft op aarde achter en gaat Daniëls zeventigste week levend binnen. Vanaf dat moment wordt ook het onderscheid tussen Israël en de heidenvolken beslissend. Een levende ongelovige Israëliet valt onder Israëls afzonderlijke verbondsloutering; een levende ongelovige heiden kan uiteindelijk onder de bokken verschijnen.
Vier mogelijke routes voor een ongelovige heiden na de opname
| Wat gebeurt er daarna? | Oordeelroute en uitkomst |
|---|---|
| Hij gelooft in Christus en sterft tijdens de verdrukking | Hij behoort tot de gelovige doden uit Daniëls week en wordt vóór het millennium ten leven opgewekt. |
| Hij gelooft in Christus en bereikt de wederkomst levend | Hij behoort tot de rechtvaardige schapen en gaat in een natuurlijk lichaam het Koninkrijk binnen. |
| Hij blijft ongelovig en sterft tijdens de oordelen of bij de eindstrijd | Hij gaat naar Hades en verschijnt na het millennium voor de grote witte troon. |
| Hij blijft ongelovig en bereikt Christus’ wederkomst levend | Hij verschijnt onder de bokken en gaat rechtstreeks in het eeuwige vuur. Hij slaat Hades en de grote witte troon over. |
Dit laatste betekent dat een ongelovige heiden uit onze tijd duizend jaar eerder in de definitieve strafplaats kan komen dan de ongelovige doden die pas na het millennium voor de grote witte troon staan. Hij sterft niet eerst om in Hades te wachten, maar ontmoet de teruggekeerde Christus levend als Rechter.
Deze tabel betreft daarom uitdrukkelijk een ongelovige heiden uit onze tijd. Een Israëliet die de opname ongelovig meemaakt, wordt niet onder de heidenvolken geplaatst. Hij gaat Daniëls week als deel van Israël binnen en verschijnt onder Gods afzonderlijke verbondsroede. Als wederstrever wordt hij uit Israël verwijderd; als hij daarna als ongelovige dode eindigt, verschijnt hij later voor de grote witte troon.
Na de opname blijft God mensen tot geloof roepen. Wie dan in Christus gelooft, behoort tot de gelovigen uit Daniëls zeventigste week, niet met terugwerkende kracht tot de opgenomen Gemeente. Wie in ongeloof blijft, kan lichamelijk sterven tijdens Gods oordelen óf levend het oordeel over de schapen en bokken bereiken.
De beslissende grens is daarom niet alleen het tijdvak waarin iemand nu leeft, maar zijn persoonlijke verhouding tot Christus bij zijn dood of bij het levende oordeel waarvoor hij verschijnt.
Wie in ongeloof sterft:
- mist de opname;
- heeft geen deel aan de rechterstoel van de Gemeente;
- wacht als ongelovige dode op de grote witte troon;
- wordt daar naar zijn werken geoordeeld;
- en gaat, niet geschreven in het boek des levens, in de tweede dood.
Een actuele waarschuwing
Geen ongelovige heiden kan veilig redeneren: „Het oordeel over de bokken is niet op mij van toepassing, want ik leef in de Gemeentetijd.” Wie nu als ongelovige heiden de opname levend meemaakt, gaat de periode binnen die rechtstreeks op dat volkerenoordeel uitloopt. Als hij Christus blijft verwerpen en levend de wederkomst bereikt, staat hij zelf onder de bokken.
Paulus verbindt de zichtbare openbaring van Christus rechtstreeks aan het oordeel over degenen die God niet kennen en het Evangelie niet gehoorzaam zijn (2 Thessalonicenzen 1:7–9). Het feit dat verschillende oordeelroutes bestaan, maakt geen enkel oordeel minder persoonlijk of minder zeker.
De mogelijke routes voor een ongelovige heiden: ongeloof tot aan de dood → Hades → grote witte troon → tweede dood; óf ongeloof tot aan Christus’ wederkomst → oordeel als levende bok → rechtstreeks het eeuwige vuur. Voor een Israëliet geldt in Daniëls week de afzonderlijke Israëlische oordeelroute.
5. Israël tijdens Daniëls zeventigste week
Israël wordt bij Christus’ wederkomst niet onder de schapen en bokken ingedeeld. God behandelt Zijn verbondsvolk afzonderlijk. De Schrift toont daarbij drie gezichtspunten binnen één grote Israëlische hoofdgroep.
Het gelovige overblijfsel in het land
De vrouw van Openbaring 12 stelt nationaal Israël voor, maar tijdens haar concrete vlucht van 1.260 dagen zien wij het gelovige overblijfsel. Deze Israëlieten herkennen de gruwel waarvan Daniël sprak, gehoorzamen Christus’ vluchtbevel en worden door God in de woestijn bewaard.
Zacharia 13 noemt daarnaast het derde deel dat door het vuur wordt gebracht en gelouterd. Dit derde deel vormt geen nieuw mengsel van gelovig en afvallig Israël. Het roept Gods Naam aan en zegt: „De HEERE is mijn God.”
De gelovigen die levend bewaard blijven, gaan in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen. Gelovige Israëlieten die tijdens de vervolging worden gedood, hebben deel aan de opstanding ten leven.
Lees voor de vluchtgroep: wie is de vrouw in Openbaring 12?
Afvallig Israël in het land
Zacharia 13:8–9 plaatst de twee delen die worden uitgeroeid en sterven tegenover het derde deel dat wordt gelouterd, Gods Naam aanroept en door Hem als Zijn volk wordt erkend. Binnen deze profetische tegenstelling vormen de twee gestorven delen het ongelovige en afvallige Israël in het land. Als ongelovige doden gaan zij naar Hades en verschijnen zij later voor de grote witte troon; zij worden niet alsnog als bokken onder de heidenvolken geplaatst.
Het overblijvende derde deel is het geredde en gelouterde Israël dat belijdt: „De HEERE is mijn God.” Gelovige Israëlische martelaren worden in andere Schriftgedeelten afzonderlijk geïdentificeerd en behoren tot de eerste opstanding; zij mogen niet in de twee delen van Zacharia 13 worden ingevoegd.
Israël uit de verstrooiing
Ezechiël 20 beschrijft Israëlieten die uit de volken en landen worden verzameld. God brengt hen in de woestijn der volken en laat hen onder de roede doorgaan.
Binnen deze geografische groep vindt opnieuw een geestelijke scheiding plaats:
- gelovigen worden onder de band des verbonds gebracht;
- wederstrevers worden uit Israël uitgezuiverd;
- de wederstrevers komen niet in het land.
„Verstrooid Israël” is dus geen derde geestelijke categorie naast gelovig en afvallig Israël. Het beschrijft waar deze Israëlieten vandaan komen. Ook onder hen onderscheidt God gelovigen en wederstrevers.
Ezechiël noemt niet in één zin hoe iedere wederstrever lichamelijk wordt verwijderd. De som van de Schrift plaatst hen bij de menselijke „overigen” die rond Christus’ komst worden gedood. Als ongelovige doden verschijnen zij later voor de grote witte troon.
Gelovige verantwoordelijkheid
Binnen de gelovige Koninkrijksverwachting worden ook waakzaamheid en dienst beoordeeld. Daarom spreken Mattheüs 24–25 over de getrouwe en kwade huisdienstknecht, de wijze en dwaze maagden en de talentendienstknechten. Dat zijn geen verborgen beschrijvingen van schapen en bokken.
De kwade dienstknecht, de dwaze maagden en de onnutte dienstknecht verliezen niet alsnog het eeuwige leven. Zij missen door hun ontrouw tafel- of bruiloftsvreugde, loon en Koninkrijksvoorrecht en kunnen zwaar worden gekastijd. Lees hiervoor het serieoverzicht Mattheüs 24 en 25, de getrouwe en kwade dienstknecht, de wijze en dwaze maagden en de onnutte dienstknecht.
De uitkomst voor Israël: het gelovige overblijfsel wordt hersteld; de opstandigen worden verwijderd; de levende gelovigen gaan het Koninkrijk binnen; gestorven gelovigen worden ten leven opgewekt; gestorven ongelovigen verschijnen later voor de grote witte troon.
Lees voor Israëls uiteindelijke herstel de wederkomst en de uiteindelijke redding van Israël en voor de afzonderlijke verwijdering van de wederstrevers waar is afvallig Israël bij de wederkomst?
6. De heidenvolken tijdens Daniëls week
De heidenvolken uit deze periode mogen niet uitsluitend met de schapen en bokken worden vereenzelvigd. Mattheüs 25 beschrijft alleen de heidenen die Christus’ zichtbare wederkomst levend bereiken. Mensen die vóór dat moment sterven, volgen hun eigen opstandingsroute.
Gelovige heidenen die tijdens de verdrukking sterven
Na de opname komt een grote schare uit alle natiën, geslachten, volken en talen tot geloof. Velen worden om hun getuigenis gedood. Hun lichamelijke dood is geen veroordeling. De martelaren uit de periode van het Beest worden vóór het millennium levend en regeren met Christus (Openbaring 20:4).
Zij verschijnen niet als schapen bij een oordeel over levende volken, want zij zijn vóór dat moment gestorven. Zij behoren tot de vóór-millenniale opstanding ten leven.
Ongelovige heidenen die vóór de wederkomst sterven
Tijdens de zegels, bazuinen en fiolen sterven vele ongelovigen. Ook de vijandige legers die zich tegen Christus verzamelen, worden bij Zijn komst gedood.
Zij worden niet als levende bokken geoordeeld. Als ongelovige doden wachten zij op de grote witte troon.
De levende schapen
Wanneer de Zoon des mensen in heerlijkheid komt, worden de levende volken vóór Hem verzameld. De schapen zijn gelovige heidenen die de verdrukking levend hebben doorstaan.
Christus noemt hen reeds „gezegenden Mijns Vaders” en „rechtvaardigen”. Hun behandeling van Zijn minste broeders koopt hun redding niet, maar maakt hun geloof en verhouding tot Christus zichtbaar.
Zij gaan in natuurlijke, nog sterfelijke lichamen het duizendjarig Koninkrijk binnen.
De levende bokken
De bokken zijn de ongelovige heidenen die Christus’ wederkomst levend bereiken. Christus noemt hen „vervloekten”. Zij gaan weg in het eeuwige vuur en in de eeuwige pijn.
Dit is geen tijdelijk loonverlies of Vaderlijke kastijding. Hun levende oordeel wordt bij de Koninkrijksgrens uitgevoerd. Het eeuwige vuur is dezelfde definitieve strafplaats die Openbaring de poel des vuurs noemt. Zij hoeven daarom niet eerst als doden duizend jaar op de grote witte troon te wachten.
De volledige uitleg staat in schapen en bokken uitgelegd
Tarwe, onkruid, goede en kwade vissen
Mattheüs 13 beschrijft dezelfde Koninkrijksgrens vanuit andere beelden. Tarwe en goede vissen wijzen op de rechtvaardigen die in de zichtbare Koninkrijksorde worden verzameld. Onkruid en kwade vissen wijzen op de bozen die bij de voleinding worden verwijderd.
Israël mag daarbij niet stilzwijgend onder het onkruid of de kwade vissen worden geschoven. Israël ondergaat zijn eigen verbondsloutering; de Gemeente is reeds opgenomen.
De uitkomst voor de heidenvolken: gestorven gelovigen worden ten leven opgewekt; gestorven ongelovigen wachten op de grote witte troon; levende gelovigen gaan als schapen het Koninkrijk binnen; levende ongelovigen gaan als bokken in het eeuwige vuur.
7. Gelovigen uit het duizendjarig Koninkrijk
Aan het begin van Christus’ Koninkrijk bestaan twee lichamelijke orden naast elkaar.
Verheerlijkte gelovigen
De opgewekte en verheerlijkte heiligen kunnen niet meer sterven. Zij regeren met Christus. Tot deze orde behoren onder meer de verheerlijkte Gemeente en de heiligen van de eerste opstanding.
Natuurlijke gelovigen
Daarnaast gaan gelovige Israëlieten en schapen uit de volken in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen. Zij:
- trouwen en krijgen kinderen;
- leven onder Christus’ volmaakte regering;
- geven hun redding niet automatisch aan hun kinderen door; ook hun kinderen moeten persoonlijk in Christus geloven;
- bezitten nog het vlees en kunnen zondigen;
- kunnen door God worden gekastijd;
- blijven lichamelijk sterfelijk.
Een natuurlijk gelovig mens is niet een derde soort mens tussen sterfelijkheid en verheerlijking in. Eeuwig leven maakt hem niet automatisch lichamelijk onsterfelijk. Onsterfelijkheid komt door opstanding of verandering.
Jesaja 65 plaatst geboorte, buitengewone ouderdom en werkelijke dood binnen de Koninkrijksorde. Ezechiël 44 houdt bij de toekomstige priesterdienst rekening met sterfgevallen binnen priesterfamilies. De Schrift leert bovendien dat God ook een gelovige tot de lichamelijke dood kan kastijden. De som van Gods Woord stelt daarom vast dat ook natuurlijke gelovigen tijdens het millennium sterven.
Wie van hen sterft, moet lichamelijk worden opgewekt. Deze gelovigen leefden tijdens het millennium nog in natuurlijke, sterfelijke lichamen. Na het millennium openbaart de Schrift geen afzonderlijke verborgen opstanding naast de grote-witte-troonscène. Daarom staan ook de gestorven millenniale gelovigen daar onder de dan nog op te wekken doden.
Zij worden in het boek des levens des Lams gevonden en ondergaan de tweede dood niet.
Gelovigen die het einde van het millennium levend bereiken, moeten vóór de eeuwige toestand onsterfelijkheid ontvangen. De Schrift maakt die verandering noodzakelijk, maar noemt niet de exacte seconde waarop zij plaatsvindt.
Lees verder: wie gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen? en hoe is het leven in het duizendjarig Koninkrijk?
Hun uitkomst: gestorven millenniale gelovigen worden opgewekt en in het boek des levens gevonden; nog levende gelovigen worden veranderd; over geen van hen heeft de tweede dood macht.
8. Ongelovigen uit het duizendjarig Koninkrijk
Een volmaakte regering maakt een mens niet automatisch wedergeboren. Ook een kind van gelovige ouders moet persoonlijk in Christus geloven. Tijdens het millennium worden daarom mensen geboren die zich uiterlijk aan de Koning onderwerpen, maar Hem innerlijk niet liefhebben.
Sommige ongelovigen sterven tijdens het Koninkrijk. Zij behoren tot de doden die na de duizend jaren voor de grote witte troon verschijnen.
Aan het einde wordt Satan korte tijd losgelaten. Hij verleidt de volken van de vier hoeken der aarde, Gog en Magog. Hun aantal is als het zand der zee. Zij omsingelen de legerplaats der heiligen en de geliefde stad, maar vuur daalt van God uit de hemel neer en verslindt hen (Openbaring 20:7–9).
Dit vuur is hun lichamelijke dood. Direct daarna verschijnt de grote witte troon. De gedode opstandelingen behoren daarom tot de dan nog op te wekken doden. Zij worden niet in het boek des levens gevonden en ondergaan de tweede dood.
Hun route: ongeloof tijdens het millennium → lichamelijke dood of vernietiging bij de laatste opstand → grote witte troon → tweede dood.
Eerste opstanding, grote witte troon en tweede dood
Dit is het beslissende onderscheid van het hele overzicht:
Iedereen die deelheeft aan de eerste opstanding is zalig en heilig; de tweede dood heeft over hem geen macht. Iedereen die daadwerkelijk de tweede dood ondergaat, is definitief veroordeeld. De grote witte troon mag echter niet met de tweede dood worden vereenzelvigd. Voor die troon staan de dan nog op te wekken doden, terwijl pas het niet geschreven gevonden worden in het boek des levens des Lams tot de tweede dood leidt. Daardoor kunnen ook gestorven millenniale gelovigen daar worden opgewekt en beoordeeld zonder in de poel des vuurs te worden geworpen.
Drie begrippen die niet hetzelfde zijn
| Begrip | Wat is het? | Beslissende uitkomst |
|---|---|---|
| Eerste opstanding | De gezegende opstandingsorde vóór het millennium | Iedere deelnemer is zalig en heilig; geen tweede dood |
| Grote witte troon | De laatste rechtszitting over de dan nog op te wekken doden | Werken worden beoordeeld en het boek des levens wordt geopend |
| Tweede dood | Het definitieve veroordelende vonnis | Wie niet in het boek des levens staat, gaat in de poel des vuurs |
Openbaring 20:6 zegt:
„Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht.”
Dat is een absolute garantie voor de deelnemers. Het is echter geen omgekeerde uitspraak dat ieder mens die niet vóór het millennium aan deze opstanding deelnam, noodzakelijk de tweede dood moet ondergaan. Tijdens het millennium worden immers nieuwe mensen geboren die later tot geloof komen.
De Schrift gebruikt bovendien nergens de geïnspireerde uitdrukking „de tweede opstanding”. Zij spreekt over de eerste opstanding en de tweede dood. Deze begrippen mogen niet kunstmatig tot twee volledig samenvallende groepen worden gemaakt.
Voor de grote witte troon staan de doden
Na het millennium ziet Johannes de doden, klein en groot, voor God staan. De zee, de dood en Hades geven hun doden. Het gaat dus niet om een oordeel over levende volken, maar om de laatste opstandings- en oordeelsscène.
Er worden twee soorten registers geopend:
| Register | Functie |
|---|---|
| De boeken | De werken en Gods rechtvaardige beoordeling openbaar maken |
| Het boek des levens | De scheiding ten opzichte van de tweede dood openbaar maken |
De doden worden naar hun werken geoordeeld. Vervolgens staat er niet dat iedereen zonder uitzondering in de poel wordt geworpen. De Schrift zegt:
„En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.”
— Openbaring 20:15
Niet het enkele feit dat iemand voor de troon staat, maar het niet geschreven gevonden worden in het boek des levens leidt tot de tweede dood.
Is dit het boek des levens des Lams?
Ja. Openbaring gebruikt voor hetzelfde heilboek zowel de volledige als de verkorte benaming:
- Openbaring 13:8: „het boek des levens des Lams”;
- Openbaring 17:8: „het boek des levens”;
- Openbaring 20:12 en 20:15: „het boek des levens”;
- Openbaring 21:27: „het boek des levens des Lams”.
Openbaring 17 bewijst dat dit geen register van alleen lichamelijk levende mensen is. De ongelovige aanbidders van het Beest leven op dat moment nog, maar hun namen staan niet in het boek des levens.
Openbaring 21 bewijst de andere kant. Verlost en opgewekt leven de heiligen in de eeuwige toestand en staan zij nog steeds in het boek des levens des Lams. Lichamelijke dood wist de naam van een gelovige dus niet uit dit boek.
De grote witte troon bestaat daarom uit een gemengde groep wat geestelijke positie betreft:
- ongelovige doden die niet in het boek des levens staan;
- gestorven millenniale gelovigen die wel in het boek des levens staan.
De groep is niet gemengd wat de heilsgrond betreft. Niemand wordt daar door werken gered. Iedere naam in het boek staat er uitsluitend op grond van Gods reddende genade in Christus.
Lees ook: wie staat voor de grote witte troon?
Bijzondere personen en machten
Niet iedere veroordeelde volgt via lichamelijke dood en Hades dezelfde route naar de poel des vuurs.
Het Beest en de valse profeet
Bij Christus’ wederkomst worden het Beest en de valse profeet gegrepen en levend in de poel des vuurs geworpen (Openbaring 19:20). Zij verschijnen niet duizend jaar later opnieuw voor de grote witte troon. Openbaring 20:10 zegt dat zij na de duizend jaren nog steeds in de poel zijn.
De vijandige legers
De overige vijanden bij Christus’ komst worden door het zwaard uit Zijn mond gedood (Openbaring 19:21). Zij volgen niet de rechtstreekse route van het Beest en de valse profeet. Als ongelovige doden verschijnen zij later voor de grote witte troon.
Satan
Satan wordt bij Christus’ komst duizend jaar in de afgrond opgesloten. Na zijn laatste loslating en de vernietiging van Gog en Magog wordt hij in de poel des vuurs geworpen. Hij volgt dus evenmin de menselijke route via de grote witte troon.
De gevallen engelen
Gevallen engelen worden tot het toekomstige oordeel bewaard. Het eeuwige vuur is voor de duivel en zijn engelen bereid. De heiligen zullen engelen oordelen (1 Korinthe 6:3). De Schrift zegt echter niet dat zij als onderdeel van „de doden, klein en groot” voor de menselijke grote-witte-troonscène staan.
De volledige lijn in één overzicht
| Tijdstip | Groep | Oordeel of overgang | Uitkomst |
|---|---|---|---|
| Vóór Daniëls week | De Gemeente | Opname en rechterstoel | Verheerlijking; loon of schade |
| Daniëls week | Opstandige wereld | Zegels, bazuinen en fiolen | Tijdelijke oordelen en lichamelijke dood |
| Grote verdrukking | Israël | Verbondsloutering | Afvalligen verwijderd; overblijfsel hersteld |
| Wederkomst | Levende heidenvolken | Schapen en bokken | Koninkrijk of eeuwig vuur |
| Wederkomst | Beest en valse profeet | Rechtstreeks oordeel | Levend in de poel des vuurs |
| Koninkrijksgrens | Gelovige doden vóór het millennium | Eerste opstanding in haar geopenbaarde fasen | Leven en regering met Christus |
| Duizend jaren | Natuurlijke Koninkrijksbewoners | Regering, zegen, tucht en lichamelijke dood | Persoonlijke verantwoordelijkheid blijft |
| Einde millennium | Gog en Magog | Vuur uit de hemel | Lichamelijke dood |
| Na het millennium | De dan nog op te wekken doden | Grote witte troon | Leven voor geschrevenen; tweede dood voor niet-geschrevenen |
| Overgang naar eeuwigheid | Nog levende natuurlijke gelovigen | Verandering | Onsterfelijkheid |
| Eeuwige toestand | Alle verlosten | Geen oordeel meer | Geen dood, rouw of vervloeking |
Eén Evangelie voor iedere groep en iedere tijd
De verschillende oordelen betekenen niet dat God verschillende manieren van redding heeft. Niemand wordt ooit door werken gerechtvaardigd. Niemand kan zijn eigen zonden betalen. Niemand kan door trouw, lijden of gehoorzaamheid het eeuwige leven verdienen.
Jezus Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond de derde dag lichamelijk op. Wie in Hem gelooft, ontvangt onmiddellijk eeuwig leven. Dat leven kan niet verloren gaan, omdat het rust op Christus’ volbrachte werk en niet op de toekomstige prestaties van de gelovige.
Werken blijven belangrijk. God beoordeelt wandel, gehoorzaamheid, dienst en verantwoordelijkheid. Maar werken bepalen niet of Christus’ offer voldoende is.
Daarom bewaart het volledige Bijbelse oordeelsoverzicht tegelijk deze waarheden:
- redding is uit genade door geloof alleen;
- iedere gelovige bezit eeuwige zekerheid;
- God beoordeelt de wandel en dienst van Zijn kinderen werkelijk;
- de Gemeente, Israël en de heidenvolken behouden hun eigen plaats;
- lichamelijke dood is niet automatisch de tweede dood;
- de grote witte troon is niet hetzelfde als de tweede dood;
- en alleen wie niet in het boek des levens des Lams staat, wordt in de poel des vuurs geworpen.
Niemand wordt door werken gered. Niemand ontloopt Gods rechtvaardige beoordeling. Maar geen enkele verloste kan door de tweede dood uit Christus’ hand worden gerukt.
Wilt u weten hoe u nu zeker kunt zijn van eeuwig leven? Lees dan redding en het Evangelie: hoe wordt een mens gered?
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Wie staat voor de grote witte troon?
Volgende artikel:
Wanneer wist God alle tranen af?
Serieoverzicht: