Mattheüs 19:13–20:28 vormt één doorgaand onderwijs. Eeuwig leven kan niet door werken worden verdiend; zalig worden is bij mensen onmogelijk, maar bij God mogelijk. Petrus vraagt daarna niet hoe iemand behouden wordt, maar wat volgelingen zullen ontvangen. Daarom stelt de penning in de gelijkenis loon voor en worden de arbeiders in dit onderwijsverband als behouden dienaren gelezen. De woorden „weinigen uitverkoren” volgen hier op een gelijkenis over dienst en loon; wie precies de „weinigen” zijn, wordt niet afzonderlijk verklaard. Christus Zelf vormt het middelpunt: Hij kwam om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen.
De rijke jongeling en de arbeiders in de wijngaard uitgelegd
Waarom eeuwig leven een genadegift is, alle arbeiders behouden zijn en de penning het loon van dienaren voorstelt
De rijke jongeling en de arbeiders in de wijngaard worden meestal als twee afzonderlijke geschiedenissen behandeld. Eerst komt een rijke man bij Jezus met een vraag over het eeuwige leven. Daarna zou een nieuwe gelijkenis beginnen over mensen die op verschillende tijdstippen gered worden en uiteindelijk allemaal dezelfde zaligheid ontvangen.
Maar Mattheüs verbindt beide gedeelten uitdrukkelijk met elkaar.
Nadat de rijke jongeling is weggegaan, vragen de discipelen: „Wie kan dan zalig worden?” Jezus antwoordt dat dit bij de mensen onmogelijk is, maar bij God mogelijk. Vervolgens vraagt Petrus wat degenen zullen ontvangen die alles verlaten hebben en Christus gevolgd zijn. Jezus belooft hun toekomstige verantwoordelijkheid en vergoeding, maar waarschuwt tegelijk:
„Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.”
— Mattheüs 19:30
Daarna begint de gelijkenis:
„Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes…”
— Mattheüs 20:1
En zij eindigt met dezelfde woorden:
„Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten.”
— Mattheüs 20:16
„Want” en de herhaling van eersten en laatsten sluiten iedere twijfel uit: de gelijkenis verklaart het antwoord aan Petrus. Zij gaat niet over het verdienen van eeuwig leven, maar over de beoordeling en beloning van mensen die de Heer dienen.
De volledige beweging is opvallend:
- een kind ontvangt het Koninkrijk;
- een rijke jongeling vraagt wat hij moet doen om eeuwig leven te verkrijgen;
- de discipelen vragen wie dan zalig kan worden;
- Petrus vraagt wat de volgelingen voor hun offers zullen ontvangen;
- arbeiders vergelijken hun arbeid en loon met die van anderen;
- twee discipelen verlangen de hoogste plaatsen in het Koninkrijk;
- Christus wijst op Zichzelf: Hij kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.
Wanneer deze lijn wordt vastgehouden, vallen de rijke jongeling, de penning, de eersten en laatsten en zelfs de zware woorden „weinigen uitverkoren” op hun plaats.
1. Het Koninkrijk wordt ontvangen als een kind
Het gedeelte begint wanneer kinderen tot Jezus worden gebracht. De discipelen bestraffen degenen die hen brengen, maar Christus zegt:
„Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.”
— Mattheüs 19:14
Markus en Lukas voegen het beginsel toe:
„Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.”
— Markus 10:15; Lukas 18:17
Het werkwoord is veelzeggend: het Koninkrijk wordt ontvangen.
Een kind verschijnt niet als werkgever met een contract. Het wijst niet op een lange staat van dienst en eist geen voorrangspositie. Het is afhankelijk en ontvangt.
Deze kinderlijkheid sluit aan bij het onderwijs over de onbarmhartige dienstknecht in Mattheüs 18: Christus begint daar bij de vraag wie groot is in Zijn Koninkrijk en leert Zijn discipelen zich te vernederen en hun broeder barmhartig te behandelen.
Onmiddellijk daarna komt een man die precies vanuit de tegenovergestelde richting denkt:
„Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?”
— Mattheüs 19:16
Eerst laat Christus zien hoe het Koninkrijk wordt ontvangen. Daarna wordt zichtbaar waarom de mens het niet door eigen goedheid kan verkrijgen.
2. „Goede Meester” — weet de jongeling Wie voor hem staat?
Mattheüs noemt hem een jongeling. Lukas noemt hem een overste. Alle drie de Evangeliën vermelden dat hij rijk was. Markus vertelt bovendien dat hij toeliep, voor Jezus neerknielde en dat Jezus hem aanzag en beminde.
Zijn verlangen is dus niet onverschillig of spottend. Hij zoekt werkelijk antwoord. Maar zijn vraag verraadt tegelijk een verkeerd uitgangspunt:
„Wat zal
ik goeds
doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?”
Hij verwacht dat er een bijzondere goede daad bestaat waarmee hij het leven kan verkrijgen.
Christus antwoordt:
„Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God.”
— Mattheüs 19:17
De jongeling noemt Jezus „Goede Meester” — didaskale agathe. Didaskale is de aanspreekvorm van didaskalos: leraar of meester. Christus grijpt vooral het woord „goed” aan.
De jongeling benadert Hem als een menselijke leraar, terwijl hij Hem een eigenschap toeschrijft die in absolute zin alleen God toekomt. Jezus ontkent daarmee Zijn eigen Godheid of zondeloosheid niet. De Schrift noemt Hem uitdrukkelijk God, zonder zonde en de Rechtvaardige. Hij dwingt de jongeling wel de betekenis van zijn eigen aanspreking onder ogen te zien:
Als alleen God volmaakt goed is, Wie staat hier dan werkelijk voor u?
De man spreekt gemakkelijk over een „goede” Meester en een „goed” werk. Christus brengt hem terug naar Gods volmaakte maatstaf.
3. Waarom noemt Jezus de geboden?
Jezus zegt:
„Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.”
— Mattheüs 19:17
Wanneer de jongeling vraagt welke, noemt Christus het verbod op doodslag, overspel, diefstal en vals getuigenis. Hij noemt het eren van vader en moeder en besluit:
„Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.”
Leert Jezus hier dat een zondaar door voldoende goede werken eeuwig leven kan verdienen? De Som van Gods Woord sluit dat uit.
Wie op de grondslag van de wet wil leven, moet blijven in al hetgeen geschreven is om dat te doen (Galaten 3:10–12). Wie de gehele wet houdt maar in één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (Jakobus 2:10). Paulus schrijft bovendien:
„Dengene nu, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:4–5
Christus wijst dus niet een haalbaar aantal werken aan. Hij brengt de zelfverzekerde jongeling onder de volmaakte maatstaf van Gods wet.
De jongeling antwoordt:
„Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?”
— Mattheüs 19:20
Zijn laatste vraag verraadt dat zijn nauwgezette leven hem geen zekerheid heeft gegeven. Hij beweert veel onderhouden te hebben en weet tegelijkertijd dat hem iets ontbreekt.
4. Eén opdracht legt zijn hart volledig bloot
Jezus zegt:
„Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.”
— Mattheüs 19:21
Markus en Lukas schrijven: „Eén ding ontbreekt u.”
De opdracht is volmaakt raak. De jongeling beweert zijn naaste lief te hebben als zichzelf. Christus brengt hem precies bij zijn vele bezittingen en de armen. Daarmee wordt zichtbaar dat zijn gehoorzaamheid niet zo volmaakt is als hij meent.
Het probleem is niet dat ieder bezit zondig is of dat iedere rijke alles moet verkopen om behouden te worden. De Schrift zelf voorkomt die conclusie:
- Abraham was rijk en werd door geloof gerechtvaardigd;
- Jozef van Arimathéa was een rijk man en tegelijk een discipel van Jezus;
- Zachéüs was rijk, gaf de helft van zijn goederen aan de armen en hoorde: „Heden is dezen huize zaligheid geschied”;
- rijke gelovigen worden in 1 Timotheüs 6:17–19 niet bevolen alles te verkopen, maar niet op onzekere rijkdom te vertrouwen en milddadig te zijn.
Markus benoemt het eigenlijke gevaar uitdrukkelijk:
„Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!”
— Markus 10:24
Christus vraagt deze man precies los te laten waarop hij vertrouwt. Hij kan niet God en de Mammon dienen. Het bevel eindigt bovendien niet bij verkopen en weggeven:
„Kom herwaarts, volg Mij.”
Maar de jongeling gaat bedroefd weg, want hij heeft vele goederen. Hij verkiest op dat ogenblik zijn bezit boven de schat in de hemel en boven het volgen van Christus.
De Schrift vertelt niet of hij later alsnog tot geloof kwam. Zijn uiteindelijke bestemming mag daarom niet worden ingevuld. Wat de tekst wel vaststelt, is dat Christus zijn hart volkomen heeft blootgelegd.
5. De kameel en het oog van de naald
Nadat de jongeling is weggegaan, zegt Jezus dat een rijke bezwaarlijk het Koninkrijk zal binnengaan:
„Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.”
— Mattheüs 19:24
Soms wordt beweerd dat „het oog van de naald” een kleine stadspoort was waardoor een kameel met veel moeite kon binnengaan. Die verklaring verzwakt het punt van Christus en is voor de uitleg niet nodig. Jezus verklaart Zijn eigen beeld.
De discipelen worden zeer verslagen en vragen:
„Wie kan dan zalig worden?”
Jezus antwoordt:
„Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.”
— Mattheüs 19:25–26
Hij zegt niet dat zalig worden moeilijk maar met genoeg inspanning haalbaar is. Hij zegt: onmogelijk.
Een kameel kan niet door het oog van een echte naald. Een mens kan zichzelf niet zalig maken. Rijkdom maakt die waarheid bijzonder zichtbaar, omdat bezit de indruk kan geven dat vrijwel alles bereikbaar, betaalbaar en beheersbaar is. Maar eeuwig leven ligt volledig buiten het vermogen van de mens.
Daarmee is de vraag naar de zaligheid beantwoord voordat Petrus zijn volgende vraag stelt:
- de mens kan zichzelf niet redden;
- God kan doen wat bij mensen onmogelijk is.
6. Petrus stelt nu een andere vraag
Petrus reageert:
„Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd; wat zal ons dan geworden?”
— Mattheüs 19:27
Dit is niet opnieuw de vraag hoe iemand eeuwig leven verkrijgt. Petrus en de andere discipelen zijn Christus werkelijk gevolgd. Hij vraagt wat zij voor hun verlaten en volgen zullen ontvangen.
De twee vragen moeten scherp onderscheiden blijven:
| De rijke jongeling | Petrus |
|---|---|
| „Wat zal ik goeds doen?” | „Wij hebben alles verlaten.” |
| Hoe krijg ik eeuwig leven? | Wat zullen volgelingen ontvangen? |
| Zalig worden is het onderwerp | Loon en toekomstige plaats zijn het onderwerp |
| Menselijke bekwaamheid wordt getest | De houding van dienaren wordt onderwezen |
Jezus ontkent Petrus’ offer niet. Hij antwoordt met werkelijke beloften. Maar Petrus’ woorden bevatten ook een gevaar: wij hebben dit gedaan; wat krijgen wij ervoor?
Daarom bestaat het antwoord van Christus uit een belofte én een waarschuwing.
7. Tronen, honderdvoud en het eeuwige leven
Christus belooft:
„Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.”
— Mattheüs 19:28
„De wedergeboorte” ziet hier niet op de persoonlijke nieuwe geboorte van één gelovige. De zin beschrijft zelf de toekomstige omgeving:
- Christus zit op de troon van Zijn heerlijkheid;
- de apostolische kring zit op tronen;
- de twaalf stammen van Israël worden bestuurd of geoordeeld.
Het gaat om de toekomstige Koninkrijksvernieuwing onder de Messias. Handelingen 3:21 spreekt overeenkomstig over „de tijden der wederoprichting aller dingen”. Openbaring 20 spreekt over tronen en regeren met Christus. Lukas 22:28–30 bevestigt dat de discipelen in Christus’ Koninkrijk aan Zijn tafel zullen eten en op tronen zullen zitten, oordelende de twaalf stammen van Israël.
Jezus vervolgt:
„En zo wie zal verlaten hebben huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven.”
— Mattheüs 19:29
„Het eeuwige leven beërven” betekent niet dat het door offers wordt gekocht. Dezelfde Schrift zegt dat wie gelooft eeuwig leven heeft, dat eeuwig leven Gods genadegift is en dat wij door genade erfgenamen worden (Johannes 5:24; Romeinen 6:23; Titus 3:5–7).
Markus maakt het tijdsonderscheid zichtbaar. Honderdvoud wordt „nu in dezen tijd” ontvangen, met vervolgingen; het eeuwige leven wordt in de toekomende eeuw in zijn volle werkelijkheid beërfd (Markus 10:29–30).
Christus belooft dus werkelijk toekomstige verantwoordelijkheid en vergoeding. Maar onmiddellijk daarna waarschuwt Hij:
„Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.”
— Mattheüs 19:30
8. „Want” verbindt de arbeiders rechtstreeks met Petrus
Mattheüs 20 begint niet met een los onderwerp:
„Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijn wijngaard.”
De heer huurt vroeg in de morgen arbeiders voor één penning per dag. Daarna gaat hij uit rond het derde, zesde en negende uur. Tot deze mensen zegt hij:
„Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven.”
Rond het elfde uur vindt hij opnieuw mensen. Zij verklaren dat niemand hen gehuurd heeft. Zodra hij hen roept, gaan ook zij de wijngaard in.
De tekst stelt de late arbeiders niet voor als mensen die de hele dag doelbewust werk geweigerd hebben. Hun verklaring is dat niemand hen gehuurd had. Wanneer de gelegenheid komt, gehoorzamen zij en werken zij de tijd die hun nog gegeven wordt.
Bij de avond beveelt de heer het loon uit te betalen, beginnende bij de laatsten en eindigende bij de eersten. Daarmee wordt de uitspraak over eersten en laatsten letterlijk in het verhaal uitgevoerd.
De vroege arbeiders hadden als eersten ongemerkt betaald kunnen worden en vertrekken. De heer laat hen echter de uitbetaling aan de laatsten zien. Daardoor wordt openbaar wat in hun hart leeft.
9. Alle arbeiders zijn behouden dienaren
Dit moet zo duidelijk mogelijk worden gezegd:
Binnen Christus’ antwoord aan Petrus stellen de arbeiders hoogst primair behouden dienaren voor, die op hun dienst worden beoordeeld. Mattheüs 20 noemt hun eeuwige toestand niet bij iedere arbeider afzonderlijk; deze identificatie volgt uit de onderwijscontext en is dus een gevolgtrekking.
Deze conclusie rust niet op één los woord, maar op de volledige context.
De vraag naar de zaligheid is vóór de gelijkenis al beantwoord. Zalig worden is bij mensen onmogelijk en bij God mogelijk. Petrus vraagt daarna niet opnieuw hoe iemand behouden wordt, maar wat Christus’ volgelingen zullen ontvangen. Jezus antwoordt Zijn discipelen, belooft hun tronen en vergoeding, waarschuwt hen voor eersten en laatsten en vervolgt met „Want” de gelijkenis.
Alle arbeiders behoren bovendien tot dezelfde categorie:
- zij worden door dezelfde heer geroepen;
- zij gaan dezelfde wijngaard binnen;
- zij gehoorzamen de oproep;
- zij arbeiden werkelijk;
- zij worden allemaal voor hun arbeid uitbetaald.
De tekst geeft geen enkel kenmerk waardoor één groep ineens als ongered van de overige arbeiders wordt afgescheiden. De fout van de eersten is geen ongeloof in het Evangelie. Hun fout is vergelijking, murmurering en afgunst tegenover de goedheid van de heer.
Ook behouden mensen kunnen vleselijk handelen. Paulus noemt de Korinthiërs „broeders” en geheiligden, maar bestraft hen tegelijk vanwege nijd, twist en verdeeldheid (1 Korinthe 1:2; 3:1–3).
In de gelijkenis wordt daarom niet bij de avond beslist wie eeuwig leven krijgt. De arbeiders werken ook niet om dat leven te verdienen. Zij bevinden zich reeds in de dienst van de heer; aan het einde wordt hun arbeid beoordeeld en hun loon uitgedeeld.
De verschillende uren stellen binnen deze context dus niet de momenten voor waarop verlorenen door werken het eeuwige leven binnengaan. Zij tonen verschillende gelegenheden en perioden van dienst.
10. Waarom de penning geen eeuwig leven is
Alle arbeiders ontvangen één penning. Daaruit wordt vaak geconcludeerd dat de penning wel het eeuwige leven moet voorstellen, omdat alle gelovigen hetzelfde eeuwige leven ontvangen.
Maar de Schrift maakt een ander onderscheid.
De tekst noemt de penning loon
Wanneer het avond wordt, zegt de heer:
„Roep de arbeiders, en geef hun het
loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.”
— Mattheüs 20:8
Eeuwig leven wordt juist niet als arbeidsloon uitbetaald:
„Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.”
— Romeinen 6:23
De penning is binnen het verhaal loon. Eeuwig leven is Gods genadegift.
De gelijkenis beantwoordt een loonvraag
Petrus vraagt: „Wat zal ons dan geworden?” Jezus belooft toekomstige verantwoordelijkheid en vergoeding, waarschuwt voor eersten en laatsten en vervolgt: „Want…”
De penning staat dus niet in een vraag over het verkrijgen van eeuwig leven, maar in het antwoord over beloning van volgelingen.
De arbeiders werken werkelijk
Zelfs de mensen van het elfde uur gaan de wijngaard in. Wanneer de penning eeuwig leven was, zou het verhaal de indruk geven dat eeuwig leven na kortere of langere arbeid wordt uitbetaald. Dat botst rechtstreeks met rechtvaardiging zonder werken.
De penning stelt niet de volledige loonleer voor
Dat iedere arbeider in deze gelijkenis dezelfde penning ontvangt, betekent niet dat alle gelovigen in ieder opzicht precies hetzelfde loon of dezelfde plaats krijgen.
De Schrift leert:
- „een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid” (1 Korinthe 3:8);
- werk kan blijven of verbranden, terwijl de persoon zelf behouden wordt (1 Korinthe 3:12–15);
- dienaren kunnen verschillende Koninkrijksverantwoordelijkheid ontvangen (Lukas 19:15–19).
Een gelijkenis hoeft niet ieder aspect van een onderwerp tegelijk te behandelen. De penning brengt één gericht punt naar voren: de Heer doet niemand onrecht, maar langdurige dienst geeft een arbeider geen recht om Gods goedheid jegens een ander te begrenzen.
De penning beeldt daarom het door de Heer bepaalde loon uit. De tekst identificeert hem niet met één specifieke kroon, één ambt of één Koninkrijkspositie.
11. Het probleem van de eerste arbeiders
Wanneer de arbeiders van het elfde uur een penning ontvangen, verwachten de eersten meer. Maar ook zij ontvangen één penning. Dan murmureren zij:
„Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid, en gij hebt hen ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.”
— Mattheüs 20:12
Hun beschrijving van hun langere arbeid is feitelijk juist. Hun gevolgtrekking is verkeerd.
Zij zeggen niet dat zij minder ontvangen dan afgesproken. Zij ergeren zich eraan dat de heer de laatsten aan hen gelijkmaakt. Hun onvrede ontstaat niet door onrecht tegenover henzelf, maar door goedheid tegenover een ander.
De heer antwoordt:
„Vriend, ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning?”
Hij heeft hun precies gegeven wat was afgesproken. Zijn rechtvaardigheid staat vast.
Daarna zegt hij:
„Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne, wat ik wil?”
Zijn beschikkingsrecht staat vast.
Tenslotte vraagt hij:
„Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?”
Zijn goedheid staat vast en hun hart wordt openbaar.
De Heer is dus tegelijkertijd:
- rechtvaardig: Hij onthoudt niet wat Hij heeft toegezegd;
- vrijmachtig: Hij beschikt over het Zijne;
- goed: Hij mag overvloediger geven dan een dienaar voor een ander heeft berekend.
12. Het boze oog verbindt de rijke man met de arbeiders
„Een boos oog” is in de Schrift verbonden met afgunst en een hart dat een ander niet gul wil behandelen.
Deuteronomium 15 waarschuwt iemand zijn hart niet voor zijn arme broeder te verstokken:
„Wacht uzelven… dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet gevet.”
— Deuteronomium 15:9
Ook Mattheüs 6 plaatst het goede en boze oog in een gedeelte over schatten, geven en de onmogelijkheid om God en de Mammon tegelijk te dienen.
Daardoor ontstaat een scherpe verbinding binnen Mattheüs 19–20:
- de rijke jongeling kan zijn bezit niet loslaten om aan armen te geven;
- de eerste arbeiders kunnen de goedheid van de heer jegens anderen niet verdragen.
In beide gevallen gaat het uiteindelijk om het hart. De ene mens wil door zijn werken het leven verkrijgen, maar houdt zijn bezit vast. De andere dient werkelijk, maar maakt zijn arbeid tot een aanspraak en kijkt afgunstig naar het loon van een ander.
Daarom is de waarschuwing aan Petrus en de overige discipelen werkelijk. Zij hebben alles verlaten en Christus gevolgd. Maar juist een werkelijke dienaar kan daarna in de verzoeking komen zijn offer te vergelijken, Gods goedheid te berekenen of zichzelf als eerste te beschouwen.
13. „Neem het uwe en ga heen” betekent geen eeuwige verdoemenis
De heer zegt tot de murmureraar:
„Neem het uwe, en ga heen; ik wil dezen laatsten ook geven, gelijk als u.”
— Mattheüs 20:14
Deze woorden zijn ernstig, maar zij mogen niet zwaarder worden gemaakt dan de tekst.
De arbeider wordt niet zonder loon weggestuurd. Hij ontvangt precies wat de heer hem beloofd heeft. Er staat niet dat hij wordt gebonden, uit het Koninkrijk wordt geworpen, in de buitenste duisternis komt of eeuwig verloren gaat.
„Ga heen” sluit de loonuitbetaling en het gesprek af. Het bewijst geen eeuwig oordeel.
Ook „vriend” beslist zijn eeuwige toestand niet. De voorafgaande vraag van Petrus plaatst de arbeiders in een onderwijsverband over het loon van Christus’ dienaren. De gelijkenis bestraft een verkeerde houding bij een echte dienaar; zij ontmaskert geen verborgen ongelovige.
14. „Velen geroepen, weinigen uitverkoren”
Mattheüs 20:16 eindigt in de Statenvertaling:
„Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.”
Deze woorden klinken zwaar. Wanneer zij uit hun verband worden gehaald, kunnen zij de indruk wekken dat God velen tot eeuwig leven roept, maar uiteindelijk slechts enkele van hen werkelijk wil behouden.
Bij de loonuitbetaling wordt geen arbeider als ongered afgewezen. Een nieuwe scheiding naar eeuwige behoudenis wordt in de gelijkenis dus niet uitgebeeld.
De arbeiders worden in deze onderwijscontext als behouden dienaren gelezen. Zij worden geroepen tot arbeid, gaan de wijngaard binnen, werken en ontvangen hun loon. De vraag van het gedeelte betreft Gods goedheid tegenover hun aanspraak op voorrang, niet het verkrijgen van eeuwig leven.
Ook het woord „uitverkoren” betekent niet in iedere Schriftplaats automatisch: uitgekozen om eeuwig gered te worden.
Christus riep Zijn discipelen tot Zich en verkoos uit hen twaalf die Hij apostelen noemde (Lukas 6:13). Hij zei tegen Zijn discipelen:
„Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen.”
— Johannes 15:16
In Handelingen 1:24 wordt God gevraagd wie Hij uit twee behouden mannen verkozen heeft voor het apostolische ambt. Uitverkiezing kan dus een keuze voor een bijzondere dienst, taak of plaats aanduiden.
De directe vervolgcontext in Mattheüs 20 maakt dit bijzonder helder. Enkele verzen later vragen twee discipelen om de ereplaatsen rechts en links van Christus. Jezus antwoordt:
„Het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader.”
— Mattheüs 20:23
De daaropvolgende vraag om de ereplaatsen sluit aan bij Jezus’ waarschuwing tegen het opeisen van voorrang. Maar Mattheüs 20:16 zegt niet wie de „weinigen” zijn of waarvoor zij precies worden uitverkoren. Dat de woorden hier met dienst of voorrang samenhangen, is daarom een contextuele gevolgtrekking, geen afzonderlijke verklaring van dit vers. De uitbetaling zelf toont wel dat alle arbeiders hun loon ontvangen en niemand daar als ongelovige wordt uitgewezen. Het recht om over plaats en gave te beschikken berust bij de Heer, niet bij de aanspraak van de arbeider.
In Mattheüs 22:14 staan dezelfde woorden na de gelijkenis van de koninklijke bruiloft. Daar is de context anders: de Evangelieroeping, het bruiloftskleed en een mens die uiteindelijk uitgeworpen wordt. Dezelfde woorden mogen niet zonder hun eigen verband op iedere plaats identiek worden ingevuld. De context bepaalt waartoe iemand geroepen of uitverkoren wordt.
15. De vraag om de hoogste plaatsen bevestigt de uitleg
Onmiddellijk na de gelijkenis kondigt Jezus opnieuw Zijn lijden, dood en opstanding aan. Terwijl Christus Zich naar Jeruzalem begeeft om Zijn leven te geven, vragen de moeder van de zonen van Zebedeüs en haar zonen om de hoogste plaatsen in Zijn Koninkrijk:
„Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter-, en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.”
— Mattheüs 20:21
De tien andere discipelen nemen hun dit zeer kwalijk. Jezus roept hen daarom allemaal tot Zich. Het probleem zit niet uitsluitend bij twee eerzuchtige broers. De volledige discipelkring moet leren hoe Christus over grootheid denkt.
De Here ontkent de werkelijkheid van toekomstige plaatsen niet. Hij heeft de apostelen kort daarvoor Zelf tronen beloofd. Hij verklaart echter dat de Vader die plaatsen bereidt en dat grootheid in Zijn Koninkrijksorde niet langs de weg van zelfverheffing wordt verkregen:
„Zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar; en zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.”
— Mattheüs 20:26–27
Dit bevestigt de volledige lijn:
- Petrus vraagt wat de discipelen zullen ontvangen;
- Christus waarschuwt voor eersten en laatsten;
- de vroege arbeiders menen recht op meer te hebben;
- de vraag om ereplaatsen sluit aan bij de waarschuwing tegen zelf toegekende voorrang; de identiteit van de „weinigen” in vers 16 wordt niet nader verklaard;
- twee discipelen proberen vervolgens precies zo’n eerste plaats voor zichzelf vast te leggen;
- Christus antwoordt dat de Vader de plaatsen bereidt en dat de weg tot grootheid door dienen loopt.
16. Christus Zelf is het antwoord op het gehele gedeelte
Jezus besluit:
„Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.”
— Mattheüs 20:28
Dit is niet zomaar een losse evangelietekst achter een gedeelte over menselijke dienst. Het is het goddelijke antwoord op alles wat eraan voorafging.
De rijke jongeling vraagt wat hij moet doen om eeuwig leven te krijgen. Christus laat zien dat dit voor mensen onmogelijk is en eindigt met hetgeen Hij zal doen: Zijn leven geven als losprijs.
De rijke jongeling kan zijn bezit niet loslaten. Christus, Die rijk was, is om onzentwil arm geworden en geeft niet alleen Zijn goederen, maar Zichzelf.
Petrus vraagt wat de discipelen zullen ontvangen. Christus belooft werkelijk loon, maar toont tegelijk dat de weg van hun Meester niet grijpen maar geven is.
De eerste arbeiders berekenen hun recht tegenover anderen. Christus dient mensen die Hem niets kunnen terugbetalen.
Jakobus en Johannes verlangen de plaatsen naast de troon. Christus gaat eerst naar het kruis.
De discipelen vroegen: „Wie kan dan zalig worden?” Het onmiddellijke antwoord was: bij mensen onmogelijk, bij God mogelijk. Mattheüs 20:28 laat zien hoe God die onmogelijke zaligheid tot stand brengt: de Zoon des mensen geeft Zijn leven als losprijs voor velen.
Jesaja 53 had dit reeds voorzegd. De Knecht stelt Zijn ziel tot een schuldoffer, draagt de ongerechtigheden van velen en stort Zijn ziel uit in de dood.
Eeuwig leven wordt dus niet door de rijke jongeling gekocht, door Petrus verdiend of door arbeiders bijeengewerkt. Christus betaalt de losprijs.
17. De volledige les van Mattheüs 19:13–20:28
Het gedeelte ontmaskert vier menselijke denkpatronen.
Prestatie
De rijke jongeling vraagt: „Wat zal ik goeds doen?” Hij meent dat eeuwig leven binnen het bereik van zijn gehoorzaamheid ligt. Christus brengt hem onder Gods volmaakte maatstaf en legt zijn hart bloot.
Vergelding
Petrus zegt: „Wij hebben alles verlaten; wat zal ons dan geworden?” Zijn offer is werkelijk en zijn loon wordt niet ontkend. Maar dienst mag geen rekening worden waarmee God tot betaling volgens menselijke berekening wordt verplicht.
Vergelijking
De eerste arbeiders zeggen: „Gij hebt hen ons gelijk gemaakt.” Zij verliezen de goedheid die zijzelf ontvangen hebben uit het oog omdat zij naar de behandeling van een ander kijken.
Rang
Jakobus en Johannes willen rechts en links van Christus zitten. Jezus leert dat de Vader de plaats bereidt en dat ware grootheid door dienen wordt gekenmerkt.
Tegenover deze vier vormen van menselijk rekenen staat Christus:
- Hij ontvangt kinderen;
- Hij kan zalig maken wat voor mensen onmogelijk is;
- Hij beloont Zijn dienaren rechtvaardig en goed;
- Hij bepaalt plaats en verantwoordelijkheid;
- Hij dient;
- Hij geeft Zijn leven als losprijs.
Daarom moeten twee vragen altijd onderscheiden blijven:
Wie kan zalig worden?
Bij mensen is dat onmogelijk. God redt op grond van het volbrachte werk van Christus.
Wat zal de volgeling ontvangen?
Christus belooft werkelijk loon en verantwoordelijkheid. Maar de dienaar laat de beoordeling, rang en beloning volledig aan de rechtvaardige en goede Heer over.
Het Evangelie: ontvang wat u nooit kunt verdienen
Misschien stelt u dezelfde vraag als de rijke jongeling: „Wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?”
Het antwoord is niet dat u eerst al uw bezit moet weggeven, een volmaakt leven moet bereiken of voldoende in Gods wijngaard moet werken. Als eeuwig leven door uw werken verkregen moest worden, zou het als schuld worden uitbetaald. Maar de Schrift noemt het een genadegift.
Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op uit de doden. Hij gaf Zijn leven als losprijs. Wie in Hem gelooft, ontvangt eeuwig leven:
„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
Eerst ontvangt u het leven uit genade door geloof. Daarna mag u Christus volgen en dienen. Uw dienst koopt de gave niet. Zij komt voort uit het leven dat u reeds ontvangen hebt.
De juiste volgorde is daarom:
- ontvang het Koninkrijk als een kind;
- geloof in Jezus Christus en ontvang eeuwig leven als Gods gave;
- volg Hem en dien werkelijk;
- verwacht Zijn beloofde loon zonder het als schuld op te eisen;
- vergelijk uw dienst niet met die van een ander;
- laat iedere plaats en beoordeling aan de Vader;
- volg de Meester na door anderen te dienen.
Het middelpunt is niet de penning, de troon of het honderdvoud. Het middelpunt is Christus. De mens vraagt wat hij kan doen, krijgen of worden. Christus antwoordt uiteindelijk met wat Hij doet: Hij dient en geeft Zichzelf.