De wijngaard van Mattheüs 21 stelt Israël voor, maar de boze landlieden zijn de verantwoordelijke leiders aan wie het beheer was toevertrouwd. De verdorde vijgenboom kondigt hun definitieve afzetting als onvruchtbare beheerders aan. Zij geloofden Johannes niet, verwierpen Gods boodschappers en doodden ten slotte de Zoon. Daarom werd het Koninkrijksbeheer van hen afgenomen en aan gelovige, vruchtbare beheerders rondom Christus gegeven. Israël zelf is daarmee niet voorgoed verstoten en vrucht is niet de grond van eeuwig leven: geloof in Christus is beslissend.
De boze landlieden van Mattheüs 21 uitgelegd
Waarom de wijngaard Israël is, de landlieden Israëls leiders zijn en God Zijn volk niet heeft vervangen
De gelijkenis van de boze landlieden wordt vaak ongeveer zo samengevat:
Israël verwierp Christus; daarom nam God het Koninkrijk van Israël weg en gaf Hij het aan de heidenen.
Die uitleg is te grof. Zij maakt de wijngaard en de landlieden tot dezelfde groep, terwijl Christus die juist van elkaar onderscheidt. Daardoor lijkt het alsof God Israël definitief heeft afgeschreven en al zijn beloften aan een ander volk heeft overgedragen.
Maar Mattheüs vertelt nauwkeurig tegen wie Jezus spreekt. Vlak vóór de gelijkenis komen de overpriesters en ouderlingen tot Hem. Na de gelijkenis schrijft Mattheüs dat de overpriesters en Farizeeën begrepen dat Jezus over hen sprak.
Dat is de sleutel:
De wijngaard is Israël; de landlieden zijn de verantwoordelijke leiders binnen Israël. Niet de wijngaard wordt vernietigd, maar het beheer wordt van de ontrouwe landlieden afgenomen.
Vanuit dat onderscheid valt de gehele gelijkenis op haar plaats. Ook wordt duidelijk waarom dit gedeelte geen vervangingstheologie en geen zaligheid door werken leert.
1. Begin altijd met de aanspreekgroep
Een Bijbelgedeelte kan pas zuiver worden uitgelegd wanneer eerst is vastgesteld wie wordt aangesproken. Dat geldt hier bijzonder sterk.
Wanneer Jezus in de tempel leert, komen tot Hem:
„...de overpriesters en de ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet Gij deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven?”
— Mattheüs 21:23
Vanaf dat moment antwoordt Jezus deze leiders. Hij vraagt hun naar de doop van Johannes. Hij zegt tegen hen: „Maar wat dunkt u?” Daarna zegt Hij: „Hoort een andere gelijkenis.” Er wordt geen nieuwe plaats, dag of aanspreekgroep ingevoerd.
Aan het einde bevestigt Mattheüs de identiteit uitdrukkelijk:
„En als de overpriesters en Farizeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.”
— Mattheüs 21:45
De gelijkenissen worden openbaar verteld en de scharen horen mee. Lukas zegt zelfs dat Jezus de wijngaardgelijkenis „tot het volk” vertelde. Maar Lukas voegt onmiddellijk toe dat de overpriesters en Schriftgeleerden begrepen dat Hij de gelijkenis tegen hen gesproken had (Lukas 20:9,19).
De nauwkeurige conclusie is daarom:
Het onderwijs is openbaar en voor iedereen leerzaam, maar de primaire aanklacht en het aangekondigde verlies van beheer treffen Israëls verantwoordelijke leiders.
2. De verdorde vijgenboom: een definitief oordeel over onvruchtbaar leiderschap
De context begint al vóór de vraag naar Christus’ macht. Jezus rijdt Jeruzalem binnen als de beloofde Koning. De scharen roepen:
„Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!”
— Mattheüs 21:9
Daarna gaat Hij Gods tempel binnen. Hij reinigt het huis, geneest blinden en kreupelen en ontvangt opnieuw de lof „Hosanna den Zone Davids”. De overpriesters en Schriftgeleerden zien Zijn wonderen en horen de Messiaanse lof, maar nemen die zeer kwalijk. De Koning komt tot Zijn huis en vindt bij de verantwoordelijke leiders wel godsdienstige aanspraken, maar geen gelovige ontvangst van Hem.
De volgende morgen ziet Christus een vijgenboom met bladeren. Hij gaat erheen, maar vindt niets dan bladeren. Dan spreekt Hij het vonnis uit:
„Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid!”
— Mattheüs 21:19
Deze woorden zijn zo definitief als zij klinken. De zin betekent: laat er vanaf nu nooit meer enige vrucht uit u voortkomen. „Uit u” legt de nadruk op de bron. Niet alleen ontbreekt er op dat ogenblik vrucht; de boom wordt als toekomstige bron van vrucht afgesneden. „Geen vrucht meer” zegt niet noodzakelijk dat deze boom of de uitgebeelde leiders vroeger vrucht hadden gedragen. Het stelt vanaf het uitgesproken vonnis iedere toekomstige vrucht uit deze bron onmogelijk. „In der eeuwigheid” mag daarom niet worden veranderd in „voorlopig”, „gedurende deze bedeling” of „tot een later herstel”. Het betekent werkelijk: nooit meer.
Marcus maakt de kracht van het oordeel nog zichtbaarder. Daar zegt Christus:
„Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid!”
— Markus 11:14
Wanneer de discipelen de boom later terugzien, is hij „verdord van de wortelen af” (Markus 11:20). Dit is geen tijdelijke vermindering van opbrengst, maar een oordeel over de wortel en daarmee over iedere toekomstige vrucht uit diezelfde boom.
Grammaticaal spreekt Jezus deze woorden tot de letterlijke vijgenboom. De boom verdort werkelijk, en de discipelen ontvangen daarna onderwijs over geloof en gebed. De Schrift zegt niet in één verklarende zin: „De vijgenboom is deze of die groep.” Daarom moet de profetische betekenis uit de geïnspireerde plaatsing en de verdere context worden vastgesteld.
Die context is uitzonderlijk scherp. Vóór het teken verzetten de overpriesters en Schriftgeleerden zich in de tempel tegen de Messiaanse lof voor Christus. Na het teken betwisten de overpriesters en ouderlingen Zijn gezag. Vervolgens zegt Jezus tegen precies deze leiders dat zij Johannes niet geloofd hebben. Daarna beeldt Hij hen af als landlieden die Gods vruchten niet afdragen en uiteindelijk Gods Zoon doden. Aan het einde begrijpen de overpriesters en Farizeeën zelf dat Hij van hen spreekt.
Marcus versterkt deze verbinding door de gebeurtenissen als het ware om de tempelreiniging heen te plaatsen:
- Christus zoekt vrucht aan de vijgenboom en vindt niets dan bladeren;
- Hij gaat de tempel binnen en oordeelt wat daar gebeurt;
- de leiders zoeken Hem te doden;
- de vijgenboom blijkt van de wortelen af verdord.
Mattheüs geeft verderop in hetzelfde hoofdstuk de beslissende inhoudelijke echo. Tegen de leiders zegt Christus:
„Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.”
— Mattheüs 21:43
Bij de vijgenboom klinkt: „uit u” nooit meer vrucht. Tegen de leiders klinkt: het Koninkrijk wordt „van u” weggenomen en gegeven aan een volk dat zijn vruchten wél voortbrengt. De beelden verklaren elkaar. De veroordeelde bron is het toenmalige, Christus-verwerpende leiderschap dat Gods wijngaard beheerde, maar de door God verlangde vrucht niet voortbracht.
Daarom kan het vonnis niet betekenen dat Israël als volk in alle eeuwigheid onvruchtbaar zal blijven. Israël had vóór deze leiders werkelijk vrucht gedragen: de gelovigen van Hebreeën 11, de profeten, Johannes de Doper en de eerste discipelen kwamen uit Israël. De Schrift voorzegt bovendien toekomstige vrucht. Jesaja 27:6 zegt dat Israël zal bloeien en de wereld met inkomsten zal vervullen. Hosea 14:9 zegt over het herstelde Israël: „Uw vrucht is uit Mij gevonden.” Romeinen 11 verklaart uitdrukkelijk dat God Zijn volk niet verstoten heeft en dat Israëls verharding slechts gedeeltelijk is.
Ook betekent het vonnis niet dat vanaf dit ogenblik geen enkele individuele priester, overste of Farizeeër meer kon geloven. Johannes 12:42 vermeldt dat zelfs velen uit de oversten in Christus geloofden, hoewel zij Hem uit mensenvrees niet beleden. Handelingen 6:7 zegt later dat een grote schare priesters het geloof gehoorzaam werd. Wanneer zo iemand geloofde, kwam zijn geestelijke vrucht echter niet voort uit de veroordeelde leidersorde. Hij verliet haar ongeloofspositie en vond zijn leven en vrucht in Christus.
De permanentie van het vonnis is dus absoluut, maar het veroordeelde onderwerp moet nauwkeurig worden afgebakend. Niet Israël en niet Gods beloften worden voor eeuwig afgesneden. De Christus-verwerpende tempel- en leidersorde wordt definitief als vruchtbron en rentmeester veroordeeld. Zij kan uiterlijke bladeren van godsdienstige belijdenis, Schriftkennis en ambtelijk gezag tonen, maar uit haar zal nooit meer de door God verlangde Koninkrijksvrucht voortkomen.
3. De twee zonen geven de sleutel: geloof of ongeloof
Voordat Jezus over de landlieden spreekt, vertelt Hij de gelijkenis van twee zonen. De eerste weigert aanvankelijk te werken, maar krijgt berouw en gaat alsnog. De tweede zegt eerbiedig: „Ik ga, heer!”, maar gaat niet.
Jezus laat de leiders zelf oordelen:
„Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste.”
— Mattheüs 21:31
Hun antwoord is juist. Hun probleem is dat zij hun juiste oordeel niet op zichzelf toepassen. Christus verklaart het verschil:
„Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.”
— Mattheüs 21:32
Let op de herhaling:
- „gij hebt hem niet geloofd”;
- „zij hebben hem geloofd”;
- „geen berouw gehad, om hem te geloven”.
Daarmee legt Christus de sleutel vóór de wijngaardgelijkenis neer. Mattheüs verklaart hier zelf wat aan de vijgenboom en later bij de landlieden ontbreekt. Wat bij de leiders allereerst ontbreekt, is geloof in Gods getuigenis; pas vanuit geloof kunnen zij de vruchten afdragen die God van Zijn beheerders vraagt. Tollenaars en hoeren gaan de godsdienstige leiders voor, niet omdat hun zondige verleden hen waardig maakte, maar omdat zij Gods boodschap geloofden. De leiders bezaten een godsdienstige naam en positie, maar geloofden niet.
De vrucht waarover Christus verder in dit hoofdstuk spreekt, omvat gehoorzaamheid, gerechtigheid, erkenning van Gods Zoon en het afdragen aan God van wat Hem toekomt. Geloof gaat daaraan vooraf als wortel. Omdat de leiders Gods boodschapper niet geloofden, kon uit hun godsdienstige belijdenis ook de verdere Koninkrijksvrucht niet voortkomen.
De tweede zoon beeldt daarom primair deze leiders af. Zij zeggen uiterlijk: „Ik ga, heer”, maar weigeren Gods wil te doen omdat zij Zijn boodschapper niet geloven.
4. De wijngaard is Israël
Jezus gaat onmiddellijk verder:
„Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden...”
— Mattheüs 21:33
Deze woorden grijpen rechtstreeks terug op Jesaja 5. Daar plant en verzorgt God een wijngaard. Vervolgens verklaart de Schrift zelf:
„Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen...”
— Jesaja 5:7
Over de identiteit van de wijngaard hoeft daarom niet te worden geraden. Zij stelt Israël voor in zijn door God gegeven nationale voorrechten en roeping.
God had de wijngaard volledig voorbereid. Hij zonderde Israël af, gaf Zijn wet, zond Zijn profeten, plaatste Zijn tempel in hun midden en schonk de Messiaanse beloften. Paulus noemt in Romeinen 9:4–5 Israëls verbonden, wetgeving, dienst van God, beloften, vaderen en de komst van Christus naar het vlees.
Het gebrek lag niet bij de Eigenaar. Hij had alles gegeven wat nodig was.
5. De landlieden zijn niet de wijngaard
Hier ontstaat veel verwarring. De heer des huizes verhuurt zijn wijngaard aan landlieden. Zij planten hem niet en bezitten hem niet. Zij ontvangen hem in beheer en moeten op de juiste tijd de vrucht aan de eigenaar afdragen.
Daarom moeten twee groepen onderscheiden blijven:
- de wijngaard is Israël;
- de landlieden zijn de verantwoordelijke beheerders binnen Israël.
Mattheüs identificeert die beheerders als de overpriesters, ouderlingen, Schriftgeleerden en Farizeeën die Christus in de tempel bestrijden.
Hun kernzonde is dat zij met Gods eigendom omgaan alsof het van henzelf is. Zij willen de positie, invloed en opbrengst van de wijngaard behouden, maar erkennen de rechten van de Eigenaar en Zijn Zoon niet.
Het oordeel over de landlieden mag daarom niet automatisch tot een definitieve verwerping van de wijngaard worden gemaakt.
6. God zond Zijn dienstknechten
Wanneer de tijd van de vruchten aanbreekt, zendt de eigenaar zijn dienstknechten. De landlieden slaan de ene, doden de andere en stenigen een derde. Daarna worden nog meer dienstknechten gezonden, maar zij worden op dezelfde wijze behandeld.
De dienstknechten stellen Gods gezonden boodschappers voor, in het bijzonder de profeten. Jezus zegt later:
„Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn...”
— Mattheüs 23:37
Gods herhaalde zending toont Zijn geduld. Het oordeel komt niet na één onduidelijke waarschuwing. De beheerders ontvangen boodschapper na boodschapper, maar verwerpen telkens het recht van de Eigenaar op Zijn vrucht.
Tweede Kronieken 36 laat hetzelfde patroon bij een eerder oordeel over Jeruzalem zien. Zedekia „verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart”. Toch bleef God Zijn boden zenden, „want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning”. Zij bespotten echter Gods boden, verachtten Zijn woorden en verleidden zich tegen Zijn profeten:
„...totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.”
— 2 Kronieken 36:16
Gods lankmoedigheid is werkelijk groot. Hij waarschuwt niet eenmaal, maar herhaaldelijk. Toch geeft voortdurende verwerping geen recht op eindeloos uitstel. Er komt een ogenblik waarop de maat vol is en het oordeel vaststaat. De vele gezonden dienstknechten tonen daarom tegelijk Gods ontferming en de steeds zwaarder wordende verantwoordelijkheid van de landlieden.
7. Ten laatste zond Hij Zijn Zoon
De gelijkenis bereikt haar hoogtepunt:
„En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.”
— Mattheüs 21:37
Markus noemt hem „een zoon, die hem lief was”; Lukas noemt hem „mijn geliefden zoon”. De verbinding met Jezus Christus is rechtstreeks. Bij Zijn doop en verheerlijking noemt de Vader Hem eveneens Zijn geliefde Zoon.
De landlieden reageren:
„Deze is de Erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.”
— Mattheüs 21:38
Hebreeën 1:2 noemt Christus de Erfgenaam van alles. De leiders willen Gods voorrechten en hun eigen positie behouden zonder zich aan Gods Zoon te onderwerpen.
Hun ongeloof kwam niet voort uit een gebrek aan zuiver goddelijk getuigenis. Johannes 5 noemt achtereenvolgens Johannes de Doper, Christus’ werken, de Vader, de Schriften en Mozes als getuigen van Hem. Christus legt vervolgens hun verantwoordelijkheid bloot:
„En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”
— Johannes 5:40
De waarheid was hun herhaaldelijk, overvloedig en met goddelijk gezag bekendgemaakt. Zij begrepen genoeg om verantwoordelijk te zijn, maar wilden zich niet aan Gods Zoon onderwerpen. Johannes 12 laat vervolgens de overgang van zelfverharding naar Gods rechterlijke verharding zien. Eerst klinkt nog de oproep:
„Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht...”
— Johannes 12:36
Daarna volgt:
„En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet.”
— Johannes 12:37
En vervolgens:
„Daarom konden zij niet geloven...”
— Johannes 12:39
De volgorde is belangrijk. Zij ontvingen licht, werden opgeroepen te geloven en zagen vele tekenen, maar geloofden niet. Daarna verblindt God hun ogen en verhardt Hij hun hart. Dit is geen willekeurige verharding van mensen die nooit werkelijk licht ontvingen. Het is een rechterlijk oordeel over langdurige, bewuste en herhaalde verwerping van ontvangen licht.
Dat betekent niet dat ieder afzonderlijk lid van de raad de volle heerlijkheid van Christus geestelijk doorgrondde. Handelingen 3:17 spreekt ook over hun onwetendheid, en 1 Korinthe 2:8 zegt dat de oversten de Heere der heerlijkheid niet werkelijk gekend hebben. Hun onwetendheid maakte hun ongeloof echter niet onschuldig. Zij hadden Zijn woorden, werken en tekenen gezien en verwierpen de aanspraak van de Zoon omdat zij hun eigen gezag en positie wilden behouden.
Met de komst van de Zoon bereikt hun verantwoordelijkheid haar hoogtepunt. „Ten laatste” zendt de Eigenaar niet nog een gewone dienstknecht, maar Zijn geliefde Zoon. Wanneer ook Hij wordt verworpen, is de maat van het ontrouwe leiderschap vol. Mattheüs 23 zal dit later rechtstreeks uitspreken: „Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen!” Daarna wordt hun huis woest gelaten.
Zij werpen de Zoon buiten de wijngaard en doden Hem. Ook Jezus heeft „buiten de poort geleden” (Hebreeën 13:12). De gelijkenis kondigt Zijn verwerping en kruisiging aan.
8. De leiders spreken hun eigen vonnis uit
Jezus vraagt wat de eigenaar met deze landlieden zal doen. Zij antwoorden:
„Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.”
— Mattheüs 21:41
Zonder het te beseffen spreken zij hun eigen vonnis uit:
- de boze landlieden worden geoordeeld;
- het beheer wordt aan andere landlieden gegeven.
Vervolgens past Christus hun antwoord rechtstreeks toe:
„Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.”
— Mattheüs 21:43
Het „u” zijn de leiders die vanaf vers 23 worden aangesproken en in vers 45 zichzelf herkennen. Christus zegt niet dat een wedergeboren mens zijn eeuwige leven verliest. Deze leiders worden juist door hun ongeloof en verwerping van de Zoon gekenmerkt.
Wat zij verliezen is hun bevoorrechte Koninkrijksbeheer: hun positie als beheerders van Gods tempel, onderwijs en zichtbare getuigenis. Zij moesten het volk naar de Messias leiden, maar sluiten in werkelijkheid het Koninkrijk voor de mensen.
9. Wie zijn de andere landlieden?
De andere landlieden zijn nieuwe beheerders die de vruchten wél aan de Eigenaar zullen geven. De directe Schriftlijn wijst eerst naar Christus’ gelovige apostelen en het gelovige overblijfsel rondom Hem.
Christus beloofde Petrus de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen. Hij beloofde de twaalf een toekomstige verantwoordelijkheid over de twaalf stammen Israëls. Na Zijn opstanding zond Hij hen uit om alle volken te onderwijzen.
In Handelingen 4 staat Petrus tegenover oversten, ouderlingen en leden van het hogepriesterlijke geslacht. Hij zegt over Christus:
„Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is.”
— Handelingen 4:11
De oude bouwlieden verwerpen Christus. De apostelen verkondigen Hem als de door God verhoogde Hoeksteen. Zo wordt zichtbaar hoe het beheer van ongelovige leiders overgaat naar gelovige getuigen.
Later worden ook gelovigen uit de heidenen in het ene lichaam opgenomen. De beweging is daarom niet eenvoudig:
Israël weg — heidenen ervoor in de plaats.
De volledige beweging is:
van ongelovige beheerders binnen het bevoorrechte Israël naar gelovige beheerders rondom Christus; en van Israëls nationale voorrangspositie naar een wereldwijde Evangelieverkondiging aan zowel Joden als heidenen.
10. Welk volk brengt de vruchten voort?
Mattheüs 21:43 zegt niet dat het Koninkrijk aan „de heidenen” wordt gegeven. Er staat: „een volk, dat zijn vruchten voortbrengt.” Dat volk wordt niet door een nieuwe etnische afkomst gekenmerkt, maar door geloof en vrucht.
Een sterke Schriftparallel staat in 1 Petrus 2. Daar wordt Christus opnieuw de door de bouwlieden verworpen Steen genoemd; de precieze verbinding met het „volk” uit Mattheüs 21:43 volgt uit vergelijking van beide gedeelten. Degenen die in Hem geloven, komen tot Hem als levende stenen en worden gebouwd tot een geestelijk huis. Daarna noemt Petrus hen:
„...een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk...”
— 1 Petrus 2:9
Het vruchtbare volk bestaat dus uit gelovigen die met Christus, de Hoeksteen, verbonden zijn. Het begint historisch bij Joodse apostelen en duizenden gelovige Joden in Handelingen. Vervolgens worden ook gelovige heidenen door Christus in hetzelfde lichaam gebracht.
11. Dit is geen vervanging van Israël
Mattheüs 21:43 zegt niet dat God Zijn verbonden en toekomstige beloften aan Israël uitwist.
Ten eerste wordt het Koninkrijk „van u” weggenomen. Vers 45 identificeert dat „u” als de verantwoordelijke leiders.
Ten tweede blijft de wijngaard eigendom van dezelfde Heer. De ontrouwe landlieden verliezen het beheer; de Eigenaar en Zijn doel veranderen niet.
Het vonnis „uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid” wordt daarmee niet afgezwakt. Het is werkelijk definitief. Maar het definitieve oordeel moet bij het juiste onderwerp worden gehouden: niet Israël als volk wordt voor eeuwig onvruchtbaar verklaard; de toenmalige Christus-verwerpende leidersorde wordt definitief als vruchtbron en rentmeester afgesneden.
Ten derde zegt Romeinen 11 uitdrukkelijk:
„Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.”
— Romeinen 11:1
Israëls verharding is gedeeltelijk en tijdelijk. De natuurlijke takken kunnen opnieuw worden ingeënt; geheel Israël zal zalig worden; Gods genadegiften en roeping zijn onberouwelijk (Romeinen 11:23–29).
Ten vierde voorzegt Jesaja 27:6 toekomstige vrucht:
„In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen.”
Hosea 14:9 zegt over het herstelde Israël:
„Uw vrucht is uit Mij gevonden.”
Dat is geen tegenspraak met de verdorde vijgenboom. Uit de veroordeelde leidersorde zal nooit meer Koninkrijksvrucht voortkomen. Het toekomstige vruchtbare Israël ontvangt zijn vrucht uit God onder zijn ware Messias en Koning.
Daarom is de conclusie niet dat God Israël heeft vervangen. Het ontrouwe leiderschap wordt geoordeeld en het Koninkrijksbeheer wordt aan een gelovig volk rondom Christus toevertrouwd. Gods toekomstige werk met Israël blijft volledig staan.
12. Vrucht is niet de voorwaarde voor eeuwig leven
Omdat het Koninkrijk aan een volk wordt gegeven dat vruchten voortbrengt, kan de indruk ontstaan dat goede werken de toegang tot Gods heil verdienen. De context sluit dat uit.
Christus heeft vlak vóór de gelijkenis het beslissende verschil al genoemd:
- tollenaars en hoeren geloofden;
- de leiders geloofden niet.
Eeuwig leven wordt door geloof ontvangen, niet door vruchten verdiend. Vrucht komt daarna voort uit verbinding met Christus:
„Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.”
— Johannes 15:5
Efeze 2 bewaart dezelfde volgorde. Eerst worden mensen uit genade behouden door geloof, zonder werken. Daarna zijn zij in Christus Jezus geschapen tot goede werken (Efeze 2:8–10).
Een mens ontvangt eeuwig leven door geloof in Christus. Het volk en zijn nieuwe beheerders behoren daarna de vruchten aan God af te dragen; Mattheüs 21:43 geeft daarmee geen onfeilbare toets voor de wedergeboorte van iedere afzonderlijke gelovige. De leiders bezaten godsdienstige bladeren, maar hun ongeloof werd zichtbaar doordat zij Johannes en Gods Zoon verwierpen.
13. De verworpen Steen wordt de Hoeksteen
Jezus verandert het beeld van een wijngaard naar een gebouw:
„De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.”
— Mattheüs 21:42
De Zoon is de Steen; de landlieden worden bouwlieden. Dezelfde leiders die Hem ongeschikt verklaren, worden door Gods opstandingsoordeel tegengesproken. God maakt juist de verworpen Christus tot het Hoofd des hoeks.
Handelingen 4 geeft de geïnspireerde verklaring:
- de Steen is Jezus Christus;
- de bouwlieden zijn de oversten die Hem verwierpen;
- God heeft Hem uit de doden opgewekt;
- „de zaligheid is in geen Ander” (Handelingen 4:10–12).
Wie in Christus gelooft, wordt op Hem gebouwd. Wie Hem verwerpt, stoot zich aan de Steen en komt uiteindelijk onder Zijn oordeel.
14. Mattheüs 22 en 23 voltooien dezelfde aanklacht
De gelijkenis eindigt niet als een los verhaal. De overpriesters en Farizeeën begrijpen dat Jezus over hen spreekt en zoeken Hem te grijpen. Mattheüs 22 begint vervolgens:
„En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen...”
— Mattheüs 22:1
„Tot hen wederom” verbindt de koninklijke bruiloft van Mattheüs 22 met dezelfde leiders. De reeds genodigden willen niet komen, mishandelen de dienstknechten en komen onder oordeel. Daarna gaat de Evangelieroeping breed naar buiten.
Mattheüs 23 maakt de vruchteloosheid van de leiders vervolgens volledig zichtbaar. Zij zeggen maar doen niet; zij sluiten het Koninkrijk voor de mensen; zij reinigen het buitenste terwijl zij van binnen onrein zijn; zij bouwen de graven van de profeten terwijl zij Gods nieuwe boodschappers zullen vervolgen.
Daar eindigt het openbare oordeel:
„Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.”
— Mattheüs 23:38
Daarna verlaat Jezus de tempel. In Mattheüs 24:3 komen Zijn discipelen op de Olijfberg alleen tot Hem. Vanaf dat moment begint een andere aanspreeksituatie: niet langer het openbare oordeel over ongelovige leiders, maar persoonlijk profetisch onderwijs aan gelovige discipelen over Zijn komst, waakzaamheid, trouw en Koninkrijksverantwoordelijkheid.
Dat verschil voorkomt dat de ongelovige leiders van Mattheüs 21–23 worden verwisseld met de gewaarschuwde discipelen en dienstknechten van Mattheüs 24–25.
15. De som van de gelijkenis
De volledige lijn is helder:
- God plantte en verzorgde Zijn wijngaard Israël.
- De verdorde vijgenboom kondigde een definitief oordeel over het onvruchtbare leiderschap aan.
- Niet Israël, maar deze Christus-verwerpende orde werd voor altijd als vruchtbron en rentmeester afgesneden.
- De gelijkenis van de twee zonen wees geloof als het beslissende onderscheid aan.
- God vertrouwde verantwoordelijke leiders het beheer van Zijn wijngaard toe.
- Hij zond herhaaldelijk Zijn profeten om Zijn vrucht te ontvangen.
- Zijn vele zendingen bewezen Zijn lankmoedigheid en vergrootten hun verantwoordelijkheid.
- De leiders verhardden zichzelf door Gods boodschappers en het ontvangen licht te verwerpen.
- Ten laatste zond God Zijn geliefde Zoon en Erfgenaam.
- De leiders verwierpen en doodden Hem; daarop volgden rechterlijke verharding en vastgesteld oordeel.
- Zij spraken zelf het rechtvaardige vonnis over de boze landlieden uit.
- Hun Koninkrijksbeheer werd afgenomen.
- God vertrouwde Zijn getuigenis aan gelovige beheerders rondom Christus toe.
- Christus, door de bouwlieden verworpen, werd door God tot Hoeksteen gemaakt.
- Israël werd niet definitief verstoten en zal onder zijn ware Koning opnieuw vrucht dragen.
- De toegang tot het heil berust niet op vrucht of werken, maar op geloof in Gods Zoon.
De gelijkenis is daarmee tegelijk een ernstige waarschuwing en een heerlijke verkondiging. Menselijke godsdienst, ambt of afkomst kan ongeloof niet bedekken. Maar de door mensen verworpen Christus is door God verhoogd, en de zaligheid is in geen Ander.
Het Evangelie: wat doet u met de Zoon?
De beslissende vraag is uiteindelijk niet of u tot de juiste godsdienstige groep behoort. De leiders bezaten de tempel, de Schriften en een hoge positie, maar zij geloofden Gods getuigenis niet.
God vraagt niet dat u door goede vruchten uw eeuwige leven verdient. Hij roept u om Zijn Zoon te geloven:
„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op uit de doden. Wie op Hem vertrouwt, ontvangt eeuwig leven als Gods gave. Goede werken zijn niet de prijs van die gave. Zij behoren tot het leven dat daarna uit Christus mag voortkomen.
De bouwlieden verwierpen de Steen. God maakte Hem tot Hoofd des hoeks. Bouw uw eeuwige bestemming daarom niet op godsdienst, afkomst of eigen werken, maar op Jezus Christus alleen:
„En de zaligheid is in geen Ander; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”
— Handelingen 4:12