De eerste opstanding

Eén opstanding ten leven, uitgevoerd in verschillende fasen.

De eerste opstanding

Eén opstanding ten leven, uitgevoerd in verschillende fasen.

De eerste opstanding is één opstandingsorde ten leven, maar niet één enkel moment. Christus is de Eersteling; daarna volgen vóór het millennium binnen Gods orde de Gemeente, de twee getuigen, Daniël, de oudtestamentische heiligen en de verdrukkingmartelaren. Na de duizend jaren staan de dan nog op te wekken doden voor de grote witte troon. Onder hen bevinden zich zowel ongelovige doden als gelovigen die tijdens het millennium in een natuurlijk lichaam zijn gestorven; alleen wie niet in het boek des levens gevonden wordt, ondergaat de tweede dood.

De eerste opstanding: één orde in verschillende fasen

Openbaring 20 noemt de opstanding van de martelaren uit de grote verdrukking:

“De eerste opstanding.”

Maar Jezus Christus is dan al lang uit de dood opgestaan. De doden in Christus zijn bij de opname reeds opgewekt. De twee getuigen zijn halverwege Daniëls zeventigste week uit de dood verrezen en ten hemel gevaren.


Hoe kan Openbaring 20 een latere opstanding dan nog steeds “de eerste opstanding” noemen?


Het antwoord is dat de Schrift met “de eerste opstanding” niet één kalenderogenblik bedoelt. Zij spreekt over één opstandingsorde ten leven, onderscheiden van de opstanding ter verdoemenis. De vóór het millennium geopenbaarde orde wordt volgens Gods eigen tijdplan in verschillende fasen uitgevoerd.



Paulus geeft daarvoor de sleutel:

“Maar een iegelijk in zijn orde: de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.”
— 1 Korinthe 15:23

Eén opstandingsorde betekent dus niet dat iedere deelnemer op hetzelfde moment opstaat. Christus is de Eersteling. Daarna volgen degenen die Hem toebehoren, ieder op de door God bepaalde plaats in die orde.



De Schrift kent een opstanding ten leven en een opstanding ter verdoemenis


Jezus zegt:

“De ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.”
— Johannes 5:28–29

Hier staan twee bestemmingen tegenover elkaar:


  • de opstanding des levens;
  • de opstanding der verdoemenis.


Paulus spreekt op dezelfde manier over “een opstanding der doden, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen” (Handelingen 24:15). Daniël 12 noemt mensen die ontwaken tot eeuwig leven en anderen die ontwaken tot versmaadheden en eeuwige afgrijzing.


Geen van deze teksten zegt dat beide groepen op exact hetzelfde moment moeten opstaan. Het woord “ure” dwingt daar evenmin toe. In Johannes 5:25 zegt Jezus eveneens dat de ure komt “en is nu” waarin geestelijk doden Zijn stem horen en leven. Die “ure” beslaat reeds een lange periode. Het woord kan dus een door God bepaalde tijdsfase aanduiden en hoeft geen zestig minuten te betekenen.


Openbaring 20 openbaart vervolgens het beslissende chronologische onderscheid: de heiligen die vóór het millennium worden opgewekt, staan ten minste duizend jaar eerder op dan de ongelovige doden die dan reeds gestorven zijn. De „overigen der doden” uit vers 5 zijn de doden die bij het begin van de duizend jaren buiten de eerste opstanding blijven; de uitdrukking zegt niets over gelovigen die pas tijdens het millennium geboren worden en later sterven. Na de duizend jaren ziet Johannes breder „de doden, klein en groot” voor de grote witte troon staan.



Openbaring 20 sluit één algemene opstanding uit


Johannes ziet tronen en mensen die vanwege het getuigenis van Jezus zijn onthoofd. Zij hadden het beest en zijn beeld niet aangebeden en het merkteken niet ontvangen:

“En zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.”
— Openbaring 20:4

Daarna staat:

“Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.”
— Openbaring 20:5

De tegenstelling is glashelder.


Eén groep wordt vóór het millennium levend en regeert met Christus.


De overige doden van wie hier sprake is, worden pas na de duizend jaren levend.


Daarom kan er geen algemene lichamelijke opstanding bestaan waarin alle rechtvaardigen en alle onrechtvaardigen uit de voorafgaande geschiedenis op één en hetzelfde tijdstip voor God verschijnen. Openbaring plaatst uitdrukkelijk duizend jaar tussen de vóór het millennium opgewekte heiligen en de overige doden die dan reeds in de dood verblijven.



Over degenen die aan de eerste opstanding deelnemen, zegt God:

“Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht.”
— Openbaring 20:6

Dat bepaalt de aard van de eerste opstanding. Zij behoort aan de zaligen en heiligen. Zij brengt hen in het leven en de regering met Christus. De tweede dood kan hen nooit treffen.


De eerste opstanding behoort daarom volledig tot wat Jezus “de opstanding des levens” noemt.



“Een iegelijk in zijn orde” is de beslissende sleutel


1 Korinthe 15 leert niet slechts dát gelovigen zullen opstaan. Het geeft een volgorde:

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.”
— 1 Korinthe 15:20

En vervolgens:

“Maar een iegelijk in zijn orde: de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.”
— 1 Korinthe 15:23

Het woord “orde” maakt duidelijk dat Gods opstandingsprogramma geordend verloopt. Paulus noemt al direct twee onderscheiden momenten:


  1. Christus als Eersteling;
  2. daarna degenen die Christus toebehoren.


Tussen Christus’ opstanding en de toekomstige opstanding van de heiligen liggen reeds vele eeuwen. Eén opstandingsorde kan dus aantoonbaar verschillende momenten bevatten.


Andere Schriftplaatsen verdelen ook de tweede groep — “die van Christus zijn” — verder over meerdere profetische fasen. Niet omdat er verschillende wegen tot eeuwig leven bestaan, maar omdat gelovigen in verschillende bedelingen en tijdens verschillende gebeurtenissen sterven.



Eerste fase: Christus, de Eersteling


Jezus Christus is het begin en de garantie van de gehele opstanding ten leven.


Hij is:


  • “de Eersteling dergenen, die ontslapen zijn” (1 Korinthe 15:20);
  • “de Eerstgeborene uit de doden” (Kolossenzen 1:18);
  • en “de Eerstgeborene uit de doden” Die ons heeft liefgehad en van onze zonden heeft gewassen in Zijn bloed (Openbaring 1:5).


Dat betekent niet dat vóór Jezus nooit iemand lichamelijk uit de dood was teruggebracht. Elia en Elisa zagen doden herleven. Jezus wekte onder anderen de dochter van Jaïrus en Lazarus op.


Maar deze mensen keerden terug in een sterfelijk lichaam en moesten later opnieuw sterven. Christus stond anders op:

“Christus, opgewekt zijnde uit de doden, sterft niet meer; de dood heerst niet meer over Hem.”
— Romeinen 6:9

Hij is de Eerste Die in onverderfelijk opstandingsleven verrees en nooit meer sterft. Zijn opstanding is niet slechts één wonder naast eerdere opwekkingen. Zij is de Eerstelingsgarantie dat de volle oogst zal volgen.

“Want Ik leef en gij zult leven.”
— Johannes 14:19

Zonder Christus is er geen eerste opstanding. Omdat Hij is opgestaan, zullen allen die Hem toebehoren leven.



Tweede fase: de doden in Christus bij de opname


Paulus beschrijft een toekomstige komst van de Heere waarbij overleden gelovigen worden opgewekt en levende gelovigen van de aarde worden weggenomen:

“Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht.”
— 1 Thessalonicenzen 4:16–17

De gestorven leden van de gemeente staan op. Zij ontvangen een onverderfelijk lichaam. De levende gelovigen hoeven niet eerst te sterven, maar worden veranderd:

“Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; in een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin.”
— 1 Korinthe 15:51–52

Het onderscheid is belangrijk:


  • de gestorven gelovigen worden opgewekt;
  • de levende gelovigen worden veranderd;
  • beide groepen worden samen opgenomen om voor altijd bij de Heere te zijn.


De verandering van de levende gemeente is dus strikt genomen geen opstanding, want zij waren niet dood. Zij behoort wel tot dezelfde glorificatiefase waarin de doden in Christus opstaan.


De eerder vastgestelde profetische lijn plaatst deze opname vóór Daniëls zeventigste week. De gemeente is niet gesteld tot toorn (1 Thessalonicenzen 5:9), Christus belooft haar te bewaren uit de ure der verzoeking die over de gehele wereld komt (Openbaring 3:10), en Daniëls laatste week is bepaald over Daniëls volk en heilige stad (Daniël 9:24). Daarom zijn de doden in Christus reeds opgewekt voordat de oordelen van die week beginnen.



Derde fase: de twee getuigen halverwege de week


De eerste opstanding wordt tijdens Daniëls zeventigste week niet pas aan het einde zichtbaar. Openbaring 11 beschrijft twee werkelijke profeten die 1260 dagen getuigen. Wanneer hun getuigenis is voltooid, doodt het beest hen. Hun lichamen liggen drieënhalve dag op de straat van de grote stad.


Dan grijpt God in:

“En na die drie dagen en een halven is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten.”
— Openbaring 11:11

Vervolgens horen zij een grote stem uit de hemel:

“Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk.”
— Openbaring 11:12

Dit is een werkelijke lichamelijke opstanding. Dezelfde lichamen die openlijk dood op straat lagen, staan voor de ogen van hun vijanden op en varen ten hemel.


De twee getuigen behoren vanzelfsprekend niet tot de opstanding ter verdoemenis. Zij zijn Gods eigen profeten, worden door de Geest des levens opgewekt en tot Hem opgenomen. Hun opstanding vormt daarom een bijzondere fase binnen de opstanding ten leven.


Hun opstanding vindt kort na het midden van Daniëls week plaats, nadat hun eerste 1260 dagen getuigenis zijn voltooid. Daarmee staat opnieuw vast dat de eerste opstanding niet één ondeelbaar moment is.



Vierde uitdrukkelijk geopenbaarde fase: de heiligen vóór het millennium


Na Christus’ zichtbare wederkomst bereikt de uitdrukkelijk geopenbaarde opstandingslijn vóór het duizendjarig Koninkrijk haar voltooiing. De Schrift noemt binnen deze fase twee duidelijk herkenbare groepen: Daniël en de oudtestamentische heiligen, en de martelaren uit de beestperiode. Hun precieze onderlinge opstandingsmoment wordt niet afzonderlijk gedateerd, maar beide groepen ontvangen vóór het millennium lichamelijk leven en deel aan Christus’ Koninkrijk. Dit is de laatste uitdrukkelijk geopenbaarde fase vóór het millennium. Gelovigen die pas tijdens de duizend jaren in een natuurlijk lichaam worden geboren en sterven, kunnen uiteraard niet aan een eerdere opstanding hebben deelgenomen; hun opwekking behoort tot de grote-witte-troonscène na het millennium.



Daniël en de oudtestamentische heiligen


Daniël 12 plaatst een opstanding in de context van de laatste grote benauwdheid voor Daniëls volk:

“En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.”
— Daniël 12:2

Het hoofdstuk eindigt met een persoonlijke belofte aan Daniël:

“Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.”
— Daniël 12:13

Daniël zou sterven en rusten. Maar aan het einde der dagen staat hij op en ontvangt hij zijn door God toegewezen lot of erfdeel.



Jesaja beschrijft dezelfde hoop rond Gods laatste verontwaardiging:

“Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan.”
— Jesaja 26:19

Daarna wordt Gods volk opgeroepen zich te verbergen totdat de gramschap is overgegaan, want de HEERE komt uit Zijn plaats om de ongerechtigheid van de aardbewoners te bezoeken (Jesaja 26:20–21).


Ook Jezus spreekt over Abraham, Izak en Jakob die in het Koninkrijk der hemelen zullen aanzitten (Mattheüs 8:11). De oudtestamentische gelovigen ontvangen dus werkelijk deel aan het toekomstige Koninkrijk.


Deze lijnen plaatsen de opstanding van Daniël en de oudtestamentische heiligen bij de overgang van de laatste benauwdheid naar de Koninkrijksorde. Zij staan op nadat de verdrukking haar einde heeft bereikt en voordat zij hun erfdeel in het Koninkrijk ontvangen.


De Schrift geeft niet de exacte dag binnen de aanvullende overgangsperiode van Daniël 12. Zij zegt wel dat Daniël aan “het einde der dagen” zal opstaan in zijn lot. De gebeurtenis staat vast; de precieze kalenderdag is niet ingevuld.



De martelaren uit de beestperiode


Tijdens Daniëls laatste week komen mensen tot geloof die vervolgens vanwege hun getuigenis worden gedood.


Openbaring 6 ziet hun zielen onder het altaar. Zij roepen om rechtvaardig oordeel, maar moeten nog rusten totdat ook hun mededienstknechten en broeders gedood zijn (Openbaring 6:9–11). Zij zijn reeds bij God, maar wachten nog op de voltooiing van het martelaarsgetal en op hun lichamelijke opstanding.


Openbaring 20 toont die voltooiing. Johannes ziet:


  • degenen die om het getuigenis van Jezus zijn onthoofd;
  • degenen die het beest en zijn beeld niet hebben aangebeden;
  • en degenen die het merkteken niet op hun voorhoofd of hand hebben ontvangen.


Over hen staat:

“En zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.”
— Openbaring 20:4

Hun vijanden konden hun lichamelijke leven nemen, maar niet hun eeuwige leven. Christus wekt hen op en geeft hun deel aan Zijn Koninkrijk.


Juist deze groep wordt in de onmiddellijke context “de eerste opstanding” genoemd. Dat is beslissend. Zij staan later op dan Christus, later dan de gemeente en later dan de twee getuigen, maar behoren toch tot dezelfde eerste opstanding.


Daarmee verklaart Openbaring zelf wat „eerste” betekent. Niet: iedereen staat op hetzelfde eerste tijdstip. Wel: dit is de eerste en gezegende opstandingsorde vóór het millennium. Zij staat tegenover de tweede dood, maar mag niet worden gebruikt om gelovigen die pas tijdens het millennium geboren worden met terugwerkende kracht tot een vóór-millenniale opstanding te rekenen.



Staan Daniël en de verdrukkingmartelaren exact tegelijk op?


De profetische plaats is duidelijk: beide groepen ontvangen vóór het millennium lichamelijk leven en deel aan Christus’ Koninkrijk.


Toch zegt geen tekst uitdrukkelijk:


“Daniël en alle verdrukkingmartelaren staan op exact dezelfde seconde.”


Dat hoeft ook niet om de opstandingsorde vast te stellen. Zij kunnen binnen dezelfde overgangsfase opstaan zonder dat God ons ieder afzonderlijk tijdstip heeft bekendgemaakt.


Wat rechtstreeks staat, is voldoende:


  • Daniël zal aan het einde der dagen opstaan in zijn lot;
  • de verdrukkingmartelaren worden vóór de duizend jaren levend;
  • beide groepen ontvangen deel aan de Koninkrijksorde;
  • en de tweede dood heeft geen macht over degenen die aan de eerste opstanding deelnemen.



De fasen in één overzicht

Fase Wie? Wanneer? Schriftuurlijk kenmerk
1 Jezus Christus Bij Zijn opstanding Eersteling; sterft nooit meer
2 De doden in Christus Bij de opname vóór Daniëls week Staan op; levende gemeente wordt veranderd en samen opgenomen
3 De twee getuigen Kort na het midden van Daniëls week Staan na 3½ dagen op en varen zichtbaar ten hemel
4 Daniël, de oudtestamentische heiligen en de martelaren uit de beestperiode Bij de overgang na de laatste benauwdheid en vóór het millennium Laatste uitdrukkelijk geopenbaarde fase vóór het millennium; zij ontvangen hun lot, worden levend en regeren met Christus

Deze fasen vormen geen vier verschillende opstandingen met vier verschillende soorten eeuwig leven. Zij vormen één opstanding ten leven, geordend rond Christus als Eersteling.


Naast deze opgewekte en verheerlijkte heiligen gaan bij Christus’ wederkomst ook levende gelovigen in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen. Dat onderscheid wordt volledig behandeld in Wie gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen?.



Wat gebeurt er met de overige doden?


Openbaring 20 zegt:

“Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren.”
— Openbaring 20:5

De uitdrukking „de overigen der doden” moet binnen haar eigen tijdstip worden gelezen. Johannes heeft zojuist de heiligen gezien die vóór het millennium levend worden en met Christus regeren. De overige mensen die dan reeds dood zijn en niet tot die eerste opstanding behoren, blijven gedurende de duizend jaren dood.


Dat vers kan echter nog niet spreken over mensen die pas tijdens het millennium geboren worden. Onder de natuurlijke Koninkrijksbevolking komen nieuwe generaties. Sommigen geloven, anderen niet; sommigen sterven vóór het einde. Daarom is de groep die na de duizend jaren moet worden opgewekt breder dan alleen degenen die bij het begin ervan reeds „de overigen der doden” waren.



Na de duizend jaren ziet Johannes:

„En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is.”

— Openbaring 20:12

Daaronder vallen cumulatief:


  • de ongelovige doden uit de voorafgaande tijden die niet aan de eerste opstanding deelnamen;
  • de ongelovigen die tijdens het millennium stierven of bij de laatste opstand werden gedood;
  • de gelovigen die tijdens het millennium in natuurlijke lichamen stierven en nog moeten worden opgewekt.


Iedereen voor deze troon wordt naar zijn werken geoordeeld. Daarnaast wordt het boek des levens geopend. De Schrift zegt niet dat ieder mens die voor de troon staat automatisch de tweede dood ondergaat. Zij zegt heel precies:

„En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.”

— Openbaring 20:15

De grote witte troon is dus de rechtszitting; de tweede dood is het veroordelende gevolg voor degene die niet in het boek des levens gevonden wordt. Gestorven millenniale gelovigen worden daar opgewekt en beoordeeld, maar hun namen staan in het boek des levens des Lams. Zij gaan niet in de poel des vuurs.


Openbaring noemt deze gebeurtenis nergens „de tweede opstanding”. Dat is belangrijk. De geïnspireerde tegenstelling luidt: eerste opstanding en tweede dood. De grote witte troon mag met geen van beide worden vereenzelvigd.


De volledige ordening van alle oordeelgroepen staat in Welke oordelen noemt de Bijbel?



Niet iedere terugkeer uit de dood is dezelfde opstandingsorde


De Bijbel vertelt over mensen die vóór Christus’ opstanding uit de dood werden teruggebracht. Ook Lazarus kwam uit zijn graf. Zulke gebeurtenissen bewijzen Gods macht over de dood, maar de opgewekte mensen ontvingen niet noodzakelijk reeds een onverderfelijk, verheerlijkt lichaam. Zij keerden terug in het sterfelijke leven.


Dat blijkt uit Christus’ unieke titel als Eersteling en uit Romeinen 6:9: Hij sterft niet meer. De eerste opstanding in haar volle betekenis gaat niet slechts over opnieuw ademhalen. Zij gaat over lichamelijk leven waarop de dood nooit meer macht krijgt.


Mattheüs 27 noemt bovendien vele lichamen van ontslapen heiligen die na Christus’ opstanding uit de graven kwamen en in Jeruzalem verschenen. De gebeurtenis is werkelijk, maar de tekst vertelt niet of zij onmiddellijk een onsterfelijk opstandingslichaam ontvingen, waar zij daarna heengingen of dat zij later opnieuw stierven. Daarom kunnen wij deze heiligen niet met zekerheid als een afzonderlijke verheerlijkte fase nummeren.


Hun opwekking verandert niets aan de hoofdstructuur. Christus blijft de Eersteling van het onverderfelijke opstandingsleven, en de duidelijk benoemde toekomstige fasen blijven staan.



Ezechiëls dorre beenderen zijn niet deze lichamelijke opstanding


Ezechiël 37 gebruikt krachtige dood-en-levenstaal. De profeet ziet dorre beenderen die bijeengebracht en levend worden. God legt het beeld echter Zelf uit:

“Deze beenderen zijn het ganse huis Israëls.”
— Ezechiël 37:11

Het visioen beschrijft rechtstreeks Israëls corporatieve nationale herstel uit een toestand die op dood en begraving lijkt. God brengt het volk uit de volken terug, maakt Juda en Efraïm tot één natie en vestigt het onder de Davidische Koning.


Dat beeld past bij de macht van God om werkelijk op te wekken, maar het mag niet zonder meer worden veranderd in een afzonderlijke lichamelijke opstandingsfase. Voor Daniëls persoonlijke lichamelijke opstanding hebben we Daniël 12:13; voor Israëls nationale herleving hebben we Ezechiël 37. Beide zijn waar, maar zij zeggen niet exact hetzelfde.



Levende gelovigen die het Koninkrijk binnengaan worden niet opgewekt


Bij Christus’ zichtbare wederkomst leven er ook gelovigen die de verdrukking lichamelijk hebben overleefd. Zij worden bij het oordeel over de levende volken aangenomen en gaan het Koninkrijk binnen.


Hun redding is geen aanname. Christus noemt hen “gezegenden Mijns Vaders” en “de rechtvaardigen” en stelt hun bestemming tegenover de eeuwige straf van de ongelovigen (Mattheüs 25:34, 46). Zij worden bij dit oordeel niet op grond van hun werken alsnog gered. Evenmin hoeft Christus uit hun werken af te leiden of zij werkelijk bij Hem behoren. Hij kent Zijn schapen (Johannes 10:14, 27–28). Zij zijn reeds door het geloof gerechtvaardigd en bezitten reeds eeuwig leven. De daden die de Rechter in Mattheüs 25 noemt, zijn daarom niet de grond, de bewaarmacht of de bewijsnorm van hun rechtvaardiging. Christus maakt als alwetende Rechter openbaar wie Hij reeds als de Zijnen kent en spreekt hun Koninkrijksbestemming uit.


Eeuwig leven bezitten en lichamelijk verheerlijkt worden zijn namelijk niet dezelfde gebeurtenis. Jezus zegt dat wie gelooft nu reeds eeuwig leven heeft en niet in de verdoemenis komt (Johannes 5:24). Toch wacht dezelfde gelovige nog op “de verlossing onzes lichaams” (Romeinen 8:23). Zijn innerlijke mens bezit leven uit Christus, terwijl zijn huidige lichaam nog sterfelijk is (Romeinen 8:10).


Zo is het ook met deze Koninkrijksbewoners. Christus scheidt hen als reeds rechtvaardigen van de ongelovigen en laat hen het Koninkrijk beërven, maar Hij geeft hun bij die overgang nog geen verheerlijkt lichaam. Zij gaan als geredde, natuurlijke en sterfelijke mensen het duizendjarig Koninkrijk binnen. De geboorte van nieuwe generaties, de hoge ouderdom en de nog aanwezige mogelijkheid van sterven bevestigen dat er tijdens het millennium natuurlijke lichamen bestaan (Jesaja 65:20–23; Zacharia 8:4–5).


Dat is niet in strijd met Paulus’ uitspraak dat “vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen” (1 Korinthe 15:50). De onmiddellijke context gaat daar over het onverderfelijke opstandingslichaam en de uiteindelijke onsterfelijke Koninkrijkserfenis. Mattheüs 25 beschrijft daarentegen levende gelovigen die als natuurlijke onderdanen Christus’ aardse duizendjarige Koninkrijk binnengaan. Zij bezitten eeuwig leven, maar wachten lichamelijk nog op de overgang naar onverderfelijkheid.


Dit onderscheid wordt belangrijk in het volgende artikel, waarin wordt onderzocht wie het duizendjarig Koninkrijk binnengaat en waar de latere natuurlijke generaties vandaan komen.



Gelovigen uit het millennium


De natuurlijke gelovige in het duizendjarig Koninkrijk is geen tussensoort tussen een sterfelijk en een verheerlijkt mens. Hij bezit eeuwig leven, maar leeft nog in een natuurlijk lichaam. Hij kan nog zondigen, staat onder Christus’ rechtvaardige regering en kan door God worden gekastijd. De Schrift toont nu reeds dat Vaderlijke tucht zelfs lichamelijke dood kan omvatten zonder dat de gelovige met de wereld wordt veroordeeld (1 Korinthe 11:30–32).


Jesaja 65 plaatst geboorte, zeer hoge ouderdom en werkelijke dood binnen de Koninkrijksorde. Ezechiël 44 houdt in de toekomstige priesterorde rekening met sterfgevallen binnen priesterfamilies. De som van Gods Woord stelt daarom vast dat ook natuurlijke gelovigen tijdens het millennium kunnen en zullen sterven.


Deze gestorven gelovigen moeten lichamelijk worden opgewekt. Zij leefden tijdens het millennium nog in natuurlijke, sterfelijke lichamen en waren nog niet tot onsterfelijkheid gebracht. Na het millennium openbaart de Schrift geen afzonderlijke opstanding naast de onmiddellijk volgende grote-witte-troonscène. Zij behoren daarom tot „de doden, klein en groot” die daar voor God staan. Omdat zij in het boek des levens des Lams geschreven zijn, heeft de tweede dood geen macht over hen.


Gelovigen die het einde van het millennium levend bereiken, moeten vóór de eeuwige toestand worden veranderd, want daar is geen sterfelijkheid meer. De noodzaak van die verandering staat vast; alleen het exacte moment binnen de overgang wordt niet afzonderlijk gedateerd.



De eerste opstanding garandeert eeuwige zekerheid


Openbaring 20 zegt niet alleen dat de deelnemers aan de eerste opstanding leven. Het zegt:

“Over deze heeft de tweede dood geen macht.”

Dat is absolute taal.


Wie door Christus tot het onverderfelijke opstandingsleven wordt opgewekt, kan nooit alsnog verloren gaan. De tweede dood heeft geen recht, geen gezag en geen macht over hem.



Deze zekerheid begint niet pas bij de toekomstige opstanding. Jezus zegt nu reeds over degene die Zijn Woord hoort en gelooft:

“Die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24

De gelovige ontvangt eeuwig leven op het moment dat hij gelooft. Zijn toekomstige lichamelijke opstanding is niet de poging om alsnog gered te worden, maar de zekere lichamelijke voltooiing van een redding die hij reeds bezit.



Het Evangelie en de hoop van de opstanding


De eerste opstanding is volledig aan Jezus Christus verbonden.


Hij stierf voor onze zonden. Hij werd begraven. Hij stond op de derde dag lichamelijk uit de dood. Zijn lege graf is Gods openbare bevestiging dat het verlossingswerk is volbracht.


Eeuwig leven wordt niet verdiend door goede werken, kerkelijke deelname, volharding of een waardig leven. Het wordt als vrije gave ontvangen door geloof in Jezus Christus.


Wie in Hem gelooft, behoort Hem toe. En wie Hem toebehoort, zal leven:

“Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.”
— Johannes 11:25

De dood kan het lichaam van een gelovige tijdelijk in het graf leggen. Zij kan hem niet van Christus scheiden. Wanneer zijn plaats in Gods opstandingsorde komt, zal de stem van de Zoon van God hem roepen en zal hij in onverderfelijk leven opstaan.



Conclusie


De eerste opstanding is geen enkel ogenblik waarop alle rechtvaardige doden tegelijk opstaan. Zij is de gezegende, vóór-millenniale opstandingsorde ten leven:


  • Christus stond op als Eersteling en sterft nooit meer;
  • bij de opname staan de doden in Christus op en worden de levende gelovigen veranderd;
  • halverwege Daniëls week worden de twee getuigen opgewekt en ten hemel opgenomen;
  • na de grote verdrukking en vóór het millennium staan Daniël, de oudtestamentische heiligen en de martelaren uit de beestperiode op om met Christus te regeren.


Iedereen die aan deze eerste opstanding deelheeft, is zalig en heilig; de tweede dood heeft over hem geen macht. Maar daaruit volgt niet dat ieder mens die pas ná deze vóór-millenniale fasen tot geloof komt, veroordeeld moet worden. Tijdens het millennium worden nieuwe mensen geboren. Natuurlijke gelovigen blijven lichamelijk sterfelijk en een deel van hen sterft.


Na de duizend jaren staan de dan nog op te wekken doden voor de grote witte troon. De ongelovigen worden niet in het boek des levens gevonden en gaan de tweede dood in. Gestorven millenniale gelovigen worden wel in het boek des levens des Lams gevonden en gaan het eeuwige leven binnen. De nog levende gelovigen ontvangen eveneens onsterfelijkheid; alleen het exacte moment van hun verandering wordt niet afzonderlijk genoemd.



Zo blijven de drie Bijbelse begrippen scherp onderscheiden: de eerste opstanding is de gezegende opstandingsorde vóór het millennium, de grote witte troon is de laatste rechtszitting over de dan nog op te wekken doden, en de tweede dood is uitsluitend het definitieve vonnis over wie niet in het boek des levens staat.