De grote schare is niet de Gemeente en ook niet de 144.000. Johannes ziet vooruitgrijpend het voltooide resultaat: een ontelbare menigte uit alle volken die uit de grote verdrukking komt en voor Gods troon staat. Zij hebben hun klederen witgemaakt in het bloed van het Lam en worden door Hem geweid en vertroost.
Wie is de grote schare in Openbaring 7?
Openbaring 7 toont twee opvallend verschillende groepen. Eerst hoort Johannes het nauwkeurig bepaalde getal van 144.000 verzegelde dienstknechten uit twaalf met name genoemde stammen van Israël. Daarna ziet hij een schare die niemand tellen kan, uit alle naties, geslachten, volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam.
Wie is deze grote schare? Is zij een tweede voorstelling van de 144.000? Is zij de Gemeente die alsnog door Daniëls zeventigste week is gegaan? Omvat zij alle mensen die in de verdrukking tot geloof komen? Zijn het uitsluitend martelaren? En hebben zij in Openbaring 7 reeds een verheerlijkt lichaam?
De engelachtige uitleg in het hoofdstuk geeft zelf het vertrekpunt:
“Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.”
— Openbaring 7:14
Hun identiteit moet daarom niet worden afgeleid uit een kerkelijke traditie of uit de uiterlijke overeenkomst met andere verlosten. De tekst zegt waar zij vandaan komen, waar zij staan, waardoor zij gereinigd zijn en wat hun toekomst is. Wanneer die gegevens naast de rest van Openbaring worden gelegd, ontstaat een scherp beeld:
De grote schare is de ontelbare, internationale hemelse schare van verlosten uit de grote verdrukking. Zij is onderscheiden van de reeds opgenomen Gemeente, van de 144.000 Israëlitische dienstknechten en van de levende gelovigen die na Christus’ wederkomst in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnengaan.
Het tafereel dat Johannes ziet
Johannes schrijft:
“Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palmtakken waren in hun handen.”
— Openbaring 7:9
De tekst legt onmiddellijk zeven kenmerken vast:
- het is een grote schare;
- niemand kan haar tellen;
- zij komt uit de volle breedte van de mensheid;
- zij staat voor Gods troon en voor het Lam;
- zij draagt lange witte klederen;
- zij heeft palmtakken in haar handen;
- zij schrijft haar zaligheid volledig aan God en het Lam toe.
Hun roep is niet: “Onze volharding heeft ons gered.” Zij zeggen:
“De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam.”
— Openbaring 7:10
Alle engelen, de vierentwintig ouderlingen en de vier levende wezens stemmen met die lofprijzing in. Het middelpunt van het gezicht is daarom niet de menselijke prestatie van deze schare, maar Gods redding door het Lam.
Openbaring 7 bevat twee verschillende tijdsgezichten
Openbaring 7 staat tussen het zesde en het zevende zegel. Dat betekent echter niet dat alles wat Johannes in het hoofdstuk ziet op precies hetzelfde kalenderogenblik plaatsvindt.
Het eerste gedeelte staat uitdrukkelijk vóór de schade aan aarde, zee en bomen:
“Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.”
— Openbaring 7:3
Dit plaatst de verzegeling van de 144.000 vóór de bazuinschade. Daarna verandert het gezicht. Johannes zegt opnieuw: “Na dezen zag ik.” Nu ziet hij niet langer dienstknechten die vóór het oordeel op aarde worden verzegeld, maar een ontelbare schare die reeds uit de grote verdrukking komt en voor de troon staat.
Dat kan onmogelijk betekenen dat de grote verdrukking al volledig voorbij is voordat de eerste bazuin klinkt. De rest van Openbaring moet dan nog juist de gebeurtenissen tonen die in die verdrukking plaatsvinden. Johannes ontvangt hier dus vóór de bazuinreeks een vooruitblik op het voltooide resultaat.
Dezelfde profetische werkwijze komt vaker in Openbaring voor. Het boek volgt een werkelijke tijdslijn, maar bevat ook tussengezichten, terugblikken en vooruitblikken die personen of uitkomsten verklaren. Openbaring 7 beantwoordt de verschrikkelijke slotvraag van hoofdstuk 6 en laat tegelijk zien dat Gods oordelen Zijn verlossingsplan niet laten mislukken.
De beweging is:
| Gedeelte | Tijdsperspectief | Wat Johannes ziet |
|---|---|---|
| Openbaring 7:1–8 | vóór de bazuinschade | 144.000 dienstknechten uit Israël worden op aarde verzegeld |
| Openbaring 7:9–17 | vooruitblik op het eindresultaat | een ontelbare internationale schare uit de grote verdrukking staat voor Gods troon |
| Openbaring 8:1–6 | voorbereiding op bazuin 1 | het zevende zegel wordt geopend en de zeven engelen maken zich gereed |
De plaats van het hoofdstuk bewijst daarom niet dat de grote schare vóór de bazuinen uit de verdrukking is gekomen. Zij bewijst dat God reeds vóór de uitvoering van die oordelen het eindresultaat kent en aan Johannes kan tonen.
Wat is “de grote verdrukking” waaruit zij komt?
De uitdrukking “de grote verdrukking” moet worden verklaard door Jezus’ eigen tijdsaanduiding in Mattheüs 24.
Christus verwijst eerst naar de gruwel der verwoesting waarvan Daniël heeft gesproken. Wanneer die in de heilige plaats staat, moeten de mensen in Judea vluchten. Vervolgens zegt Hij:
“Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.”
— Mattheüs 24:21
“Alsdan” verbindt de grote verdrukking aan de gruwel en de vlucht. Daniël 9:27 plaatst de beslissende offerbreuk in het midden van de zeventigste week. Openbaring bevestigt voor de daaropvolgende periode steeds dezelfde duur:
- de vrouw — nationaal Israël, in haar concrete vlucht het gelovige overblijfsel — wordt 1.260 dagen onderhouden (Openbaring 12:6);
- zij wordt een tijd, tijden en een halve tijd beschermd (Openbaring 12:14);
- het beest ontvangt 42 maanden macht (Openbaring 13:5);
- gedurende die periode voert het oorlog tegen de heiligen (Openbaring 13:7).
De grote verdrukking is daarom in nauwkeurige profetische zin niet een willekeurige naam voor alle moeilijkheden op aarde en ook niet zonder onderscheid de gehele zeventigste week. Zij is de ongekende laatste helft van 1260 dagen of 42 maanden, nadat de gruwel is gesteld en het beest zijn absolute machtsfase ingaat.
Wanneer Openbaring 7 zegt dat de schare uit “de grote verdrukking” komt, verbindt de tekst haar dus bijzonder met deze laatste drieënhalf jaar.
De schare bevindt zich in de hemel
Johannes ziet de schare “voor den troon, en voor het Lam”. Rondom hen staan de engelen, de ouderlingen en de vier levende wezens. Dit is dezelfde hemelse troonomgeving die Openbaring 4 en 5 reeds heeft getoond.
Ook hun dienst wijst daarheen:
“Daarom zijn zij voor den troon Gods, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen.”
— Openbaring 7:15
Openbaring kent uitdrukkelijk een hemelse tempel. In Openbaring 11:19 wordt “de tempel Gods in den hemel” geopend. In Openbaring 15:5 wordt opnieuw “de tempel des tabernakels der getuigenis in den hemel” geopend. De tempeldienst van de grote schare dwingt ons daarom niet om haar op de aarde of reeds in het duizendjarig Koninkrijk te plaatsen.
Het tafereel mag evenmin zonder meer met de uiteindelijke toestand in het Nieuwe Jeruzalem worden vereenzelvigd. Johannes zegt later juist:
“En ik zag geen tempel in dezelve; want de Heere, de almachtige God, is haar Tempel, en het Lam.”
— Openbaring 21:22
Openbaring 7 toont de hemelse overwinning en dienst van de verdrukkingheiligen. De vertroosting ervan reikt vooruit tot hun eeuwige veiligheid, maar het hoofdstuk geeft niet de volledige woonorde van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Waarom de grote schare niet de 144.000 is
De twee groepen staan naast elkaar, maar worden door de tekst doelbewust onderscheiden.
| De 144.000 | De grote schare |
|---|---|
| exact geteld | niemand kan haar tellen |
| 144.000 | ontelbaar groot |
| uit twaalf genoemde stammen van Israël | uit alle naties, geslachten, volken en talen |
| verzegeld op aarde vóór de bazuinschade | staande voor Gods troon na te zijn gekomen uit de grote verdrukking |
| aangeduid als dienstknechten van God | aangeduid als gereinigde verlosten |
Johannes hoort eerst het getal van de verzegelden. Daarna ziet hij een nieuwe schare. In Openbaring kan horen en vervolgens zien soms twee kanten van dezelfde werkelijkheid onthullen: Johannes hoort bijvoorbeeld van de Leeuw uit Juda en ziet het Lam. Maar dat betekent niet dat ieder “horen en zien” automatisch één identiteit bewijst. De inhoud moet beslissen.
Hier stapelen de verschillen zich juist op. Een exact getelde Israëlitische dienstknechtengroep vóór de schade is niet dezelfde beschrijving als een ontelbare internationale schare voor de troon na de grote verdrukking. Beide groepen behoren aan God toe, maar zij hebben een verschillende plaats en functie in het profetische programma.
De grote schare kan bovendien niet worden gebruikt om de duidelijke stamidentiteit van de 144.000 symbolisch op te lossen. Openbaring toont eerst Gods bijzondere handelen met Israël en daarna de wereldwijde vrucht van verlossing onder alle volken.
Waarom de grote schare niet de opgenomen Gemeente is
De internationale samenstelling en de witte klederen kunnen oppervlakkig aan de Gemeente doen denken. Ook de Gemeente is uit alle volken gekocht door het bloed van Christus. Maar gedeelde kenmerken van redding maken twee groepen niet automatisch identiek.
De tijdslijn van Openbaring heeft de Gemeente al eerder in de hemel geplaatst. Na de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 klinkt in Openbaring 4:1 de profetische overgang: “Kom hier op”, gevolgd door hetgeen “na dezen” geschieden moet. Rond Gods troon verschijnen vierentwintig gekroonde ouderlingen op tronen. Hun koninklijk-priesterlijke kenmerken en de achtergrond van de vierentwintig priesterorden tonen de volledige, geordende vertegenwoordiging van de opgenomen Gemeente.
Deze ouderlingen zijn al vóór het openen van de zegels aanwezig. In Openbaring 7 wordt de grote schare vervolgens samen met, maar onderscheiden van, de ouderlingen genoemd. Eén van de ouderlingen vraagt Johannes uitdrukkelijk wie de in wit geklede mensen zijn en verklaart hun herkomst.
Daarnaast ontbreken in Openbaring 7 de kenmerken waarmee de opname rechtstreeks wordt beschreven:
- geen opstanding van de doden in Christus;
- geen verandering van levende gelovigen;
- geen samen opnemen in de wolken;
- geen ontmoeting met de Heere in de lucht.
Die kenmerken staan in 1 Thessalonicenzen 4:13–18 en 1 Korinthe 15:51–52. Openbaring 7 beschrijft iets anders: een schare die haar oorsprong juist in de grote verdrukking heeft.
De grote schare bewijst daarom niet dat de Gemeente door Daniëls zeventigste week gaat. Zij bewijst dat God, nadat de Gemeente is opgenomen, tijdens die week nog steeds een ontelbare menigte door het Evangelie redt.
Omvat zij alle gelovigen uit de grote verdrukking?
Ook deze vraag vraagt een belangrijk onderscheid.
Bij Christus’ zichtbare wederkomst zijn er gelovigen die de verdrukking lichamelijk hebben overleefd. Het gelouterde overblijfsel van Israël wordt gered, verzameld en in het land gebracht. Uit de volken worden de rechtvaardige schapen toegelaten tot het Koninkrijk (Mattheüs 25:31–34). Zij gaan in natuurlijke, sterfelijke lichamen het duizendjarig Koninkrijk binnen en vormen daar de levende Koninkrijksbevolking.
De grote schare van Openbaring 7 staat daarentegen in de hemelse troonomgeving. Zij kan daarom niet zonder onderscheid iedere gelovige omvatten die ergens tijdens de laatste 42 maanden leeft. De Schrift kent tijdens de grote verdrukking ten minste twee uitkomsten voor gelovigen:
- een door God bewaarde en lichamelijk overlevende groep die het Koninkrijk op aarde binnengaat;
- een hemelse schare van verlosten wier aardse loop in die periode eindigt.
Openbaring 7 toont die tweede groep. “Alle naties, geslachten, volken en talen” beschrijft haar wereldwijde herkomst. Het betekent niet dat ieder gered mens uit de verdrukking zonder uitzondering in dit hemelse tafereel behoort.
De viervoudige volkenformule hoeft evenmin te betekenen dat er geen enkele Israëliet in de schare kan staan. Zij zegt dat de schare uit de gehele mensenwereld is verzameld. Zij verhindert wel dat wij haar beperken tot de twaalf genoemde stammen of gelijkstellen aan de 144.000.
Is dit een schare van martelaren?
Openbaring 7 gebruikt voor de schare niet rechtstreeks de woorden “gedood”, “onthoofd” of “martelaren”. Toch is haar verbinding met de martelaren van Openbaring buitengewoon sterk.
Het vijfde zegel opent de lijn
Bij het vijfde zegel ziet Johannes onder het altaar de zielen van mensen die gedood zijn om het Woord van God en hun getuigenis. Zij ontvangen lange witte klederen en moeten nog een korte tijd rusten:
“...totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij.”
— Openbaring 6:11
Openbaring 6 toont dus reeds gedode getuigen in witte klederen en kondigt aan dat nog meer gelovigen zullen worden gedood. Direct daarna toont Openbaring 7 een ontelbare schare in lange witte klederen die uit de grote verdrukking komt. Dat is geen toevallige overeenkomst.
De laatste 42 maanden brengen wereldwijde vervolging
Openbaring 12 zegt over de overwinnaars:
“En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.”
— Openbaring 12:11
Openbaring 13 laat vervolgens zien dat het beest macht ontvangt om de heiligen oorlog aan te doen en hen te overwinnen. Wie het beeld niet aanbidt, moet worden gedood; zonder het merkteken kan niemand kopen of verkopen (Openbaring 13:7, 15–17). Openbaring 14 noemt in deze context de lijdzaamheid der heiligen en verklaart zalig de doden die in de Heere sterven (Openbaring 14:12–13).
Ten slotte ziet Johannes in Openbaring 20 de zielen van degenen die om het getuigenis van Jezus waren onthoofd en het beest, zijn beeld en zijn merkteken hadden geweigerd. Zij worden levend en regeren met Christus duizend jaren (Openbaring 20:4).
De gezamenlijke lijn is helder:
- bij het vijfde zegel zijn reeds martelaren en worden nog meer gedode getuigen aangekondigd;
- tijdens de grote verdrukking voert het beest wereldwijd oorlog tegen de heiligen;
- gelovigen overwinnen door het bloed van het Lam en houden hun getuigenis tot de dood vast;
- de gestorvenen in de Heere worden juist in deze context zalig genoemd;
- de martelaren uit de beestperiode worden vóór het Koninkrijk lichamelijk opgewekt;
- Openbaring 7 toont een ontelbare, in wit geklede hemelse schare uit diezelfde grote verdrukking.
Daarom is de grote schare sterk en wezenlijk met het martelaarschap verbonden. Zij is in hoge mate de hemelse oogst van de vervolging door het beest. De wereld meent hen te hebben overwonnen omdat hun lichamen zijn gedood; God toont hen levend, rein en overwinnend voor Zijn troon.
Toch moeten we niet één stap verder gaan dan de tekst. Openbaring 7 zegt niet dat ieder afzonderlijk lid op precies dezelfde wijze is terechtgesteld. In de grote verdrukking sterven mensen ook door oorlog, honger, plagen en andere oordelen. De nauwkeurige conclusie is daarom:
De grote schare bestaat uit verloste verdrukkingheiligen wier aardse loop is geëindigd en is in Openbaring zeer sterk en grotendeels verbonden met de wereldwijde martelaarsvervolging. Dat ieder lid persoonlijk is onthoofd of terechtgesteld, wordt niet gezegd.
Hebben zij in Openbaring 7 al een verheerlijkt lichaam?
Johannes ziet hen staan, witte klederen dragen en palmtakken vasthouden. Dat is werkelijk beeld, maar het bewijst op zichzelf nog geen lichamelijke opstanding.
Bij het vijfde zegel spreken de “zielen” onder het altaar, ontvangen zij witte klederen en wachten zij nog op de voltooiing van het martelaarsgetal (Openbaring 6:9–11). Openbaring kan overleden heiligen dus bewust en handelend voorstellen voordat hun lichamelijke opstanding wordt beschreven.
Openbaring 20:4 plaatst het levend worden en regeren van de martelaren uit de beestperiode bij de overgang naar het duizendjarig Koninkrijk. Dat is de duidelijke tekst over hun lichamelijke opstanding. Openbaring 7 zegt niet expliciet of Johannes de grote schare ziet:
- in de hemel vóór die lichamelijke opstanding;
- op het moment van hun voltooide hemelse verzameling;
- of vooruitgrijpend in de heerlijkheid die hun na hun opstanding volledig toebehoort.
De precieze lichamelijke toestand hoeft niet te worden ingevuld om de hoofdzaak te kennen. Zij leven bij God. Zij zijn bij bewustzijn. Zij aanbidden. Zij zijn veilig. En hun uiteindelijke lichamelijke overwinning wordt in Openbaring 20 verzekerd.
Waarom hun klederen wit zijn
De ouderling geeft niet alleen hun herkomst, maar ook de grond van hun toegang tot Gods troon:
“...zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.”
— Openbaring 7:14
Menselijk bloed maakt een kleed rood. Het bloed van het Lam maakt zondaren geestelijk wit. Dat is de taal van Goddelijke reiniging:
“Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.”
— Jesaja 1:18
Jezus Christus heeft ons “van onze zonden gewassen in Zijn bloed” (Openbaring 1:5). Het is het bloed van Christus dat het geweten reinigt van dode werken om de levende God te dienen (Hebreeën 9:14). De schare staat daarom niet voor de troon omdat lijden automatisch zonden verzoent. Martelaarschap kan niemand rechtvaardigen. Volharding kan het bloed van Christus niet aanvullen.
Ook het werkwoord “gewassen” maakt hun redding niet tot een verdienste. Het beschrijft dat zij persoonlijk deelhebben gekregen aan de reiniging die uitsluitend in het bloed van het Lam ligt. Zij hebben Gods getuigenis aangaande Zijn Zoon geloofd en hun vertrouwen niet gesteld op het beest, hun eigen werken of hun eigen leven.
Dit onderscheid is belangrijk. Openbaring 19 gebruikt het blinkende fijne lijnwaad van de bruid in verband met “de rechtvaardigmakingen der heiligen” — haar rechtvaardige daden als gereedgemaakte bruid. Openbaring 7 noemt als oorzaak van de witte klederen uitsluitend het bloed van het Lam. Hier staat de reddende reiniging centraal.
De grote schare verkondigt daarom hetzelfde Evangelie als de rest van de Schrift: redding is uit genade, door het geloof, op grond van het volbrachte werk van Jezus Christus.
Wat betekenen de palmtakken?
De schare draagt niet alleen witte klederen, maar ook palmtakken.
Palmtakken worden in de Schrift verbonden met vreugde voor Gods aangezicht en met het begroeten van de komende Koning. Bij Jezus’ intocht in Jeruzalem nam de menigte palmtakken, ging Hem tegemoet en riep:
“Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israëls!”
— Johannes 12:13
“Hosanna” is een roep om redding. In Leviticus 23:40 behoren palmtakken tot de vreugde van het Loofhuttenfeest voor het aangezicht des HEEREN. Openbaring 7 noemt het Loofhuttenfeest zelf niet, zodat we niet moeten beweren dat de tekst uitdrukkelijk een feestkalender vastlegt. De gezamenlijke Bijbelse beeldtaal is wel duidelijk: palmtakken passen bij vreugde, overwinning, ontvangen verlossing en de erkenning van de Koning.
De schare heeft het merkteken van het beest geweigerd en de wereldlijke overwinning verloren. Voor Gods troon blijkt de werkelijkheid precies omgekeerd. Zij staan daar met de tekenen van de ware overwinning, roepend dat de zaligheid aan God en het Lam behoort.
“Wie kan bestaan?” wordt beantwoord
Het zesde zegel eindigt met de vlucht van koningen, rijken, oversten, machtigen en slaven. Zij zeggen tot de bergen en steenrotsen:
“Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?”
— Openbaring 6:16–17
Daarop volgt Openbaring 7.
Eerst worden de dienstknechten van God verzegeld. Daarna ziet Johannes de ontelbare schare “staande voor den troon, en voor het Lam”. Het woordelijke antwoord is indrukwekkend. De opstandige machthebbers kunnen voor de toorn van het Lam niet bestaan. De gereinigde verlosten staan juist voor Hem.
Waarom kunnen zij staan? Niet omdat zij sterker waren dan het beest. Niet omdat zij zonder zonde waren. Niet omdat hun dood hun schuld betaalde. Zij staan omdat hun klederen wit zijn gemaakt in het bloed van het Lam.
De vraag “wie kan bestaan?” wordt daarom niet beantwoord met menselijke kracht, maar met twee werken van God:
- Hij kent en verzegelt Zijn dienstknechten op aarde;
- Hij reinigt en bewaart Zijn verlosten door het bloed van het Lam tot voor Zijn troon.
De 144.000 en de wereldwijde oogst
De plaatsing van beide groepen naast elkaar is betekenisvol. Vóór de bazuinschade verzegelt God 144.000 Israëlitische dienstknechten. Later verschijnt een ontelbare schare uit alle volken. Openbaring 14 noemt de 144.000 bovendien “eerstelingen Gode en het Lam” (Openbaring 14:4).
Een eersteling wijst op een oogst. De 144.000 volgen het Lam en dienen God in een tijd waarin het eeuwige Evangelie wereldwijd wordt verkondigd (Openbaring 14:6–7; Mattheüs 24:14). Schrift met Schrift maakt hun evangelische getuigenis tot een wezenlijk onderdeel van hun dienst. De nabijheid van de wereldwijde schare past daarom krachtig bij een grote oogst onder alle volken.
Toch zegt Openbaring nergens: “Ieder lid van de grote schare is persoonlijk door één van de 144.000 tot geloof gebracht.” God gebruikt tijdens die periode ook andere getuigen: de twee getuigen profeteren, engelen verkondigen, heiligen bewaren het getuigenis van Jezus en het Evangelie van het Koninkrijk gaat uit.
De veilige conclusie is dubbel:
- de 144.000 hebben als verzegelde dienstknechten een werkelijke evangelische taak;
- de grote schare toont de geweldige internationale oogst van Gods reddende werk tijdens de grote verdrukking;
- de Schrift specificeert niet de persoonlijke menselijke prediker door wie ieder afzonderlijk lid werd bereikt.
Zo wordt de verbinding niet ontkend, maar evenmin smaller gemaakt dan Gods Woord.
Geen honger, dorst, zonnehitte of tranen meer
De laatste woorden over de schare zijn buitengewoon teer:
„... en ons de bediening der verzoening gegeven heeft.”
— 2 Korinthe 5:18
Hij vervolgt dat God „het woord der verzoening in ons gelegd” heeft en noemt gelovigen „gezanten van Christuswege” door wie God mensen tot Zich roept (2 Korinthe 5:19-20).
Deze teksten zijn niet rechtstreeks als afzonderlijke opdrachten aan de 144.000 geschreven. Zij verklaren wél Schriftuurlijk wat de dienst van Christus’ volgelingen inhoudt: Gods reddende waarheid ontvangen en haar aan anderen bekendmaken.
Een dienstknecht des Heeren onderwijst in de waarheid
2 Timotheüs 2:24-25 gebruikt precies de titel die voor dit onderzoek belangrijk is:
“Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.”
— Openbaring 7:16–17
Deze belofte sluit bijna woordelijk aan op Jesaja:
“Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal hen leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtkens leiden.”
— Jesaja 49:10
Wat Jesaja aan Gods verlossing verbindt, wordt in Openbaring door het Lam vervuld. Het Lam Dat voor hen stierf, is hun Herder. Hij weidt hen en leidt hen naar levende waterbronnen.
De beloften staan ook in scherp contrast met de concrete verschrikkingen van de grote verdrukking. Zonder het merkteken kan niemand kopen of verkopen. Waterbronnen worden getroffen. De zon ontvangt macht mensen met hitte te verbranden. De heiligen worden vervolgd en gedood. Openbaring 7 zegt niet dat ieder lid exact iedere afzonderlijke plaag heeft ondergaan, maar wel dat geen ontbering hen meer kan bereiken.
“Die op den troon zit, zal hen overschaduwen” draagt het beeld van Gods beschermende tegenwoordigheid: Hij spreidt als het ware Zijn woning over hen uit. Het beest kon hun op aarde voedsel, vrijheid en lichamelijk leven ontnemen. Bij God ontbreekt hun niets meer.
En dan wist God alle tranen van hun ogen. Hij ontkent hun geleden pijn niet. Hij noemt haar niet onbelangrijk. Hij neemt haar Zelf definitief weg.
Wat staat vast — en wat zegt de Schrift niet?
De gegevens kunnen nauwkeurig worden samengevat.
| Vraag | Schriftuurlijke conclusie |
|---|---|
| Wie zijn zij? | verlosten uit de grote verdrukking |
| Hoe groot is de groep? | ontelbaar voor mensen |
| Waar komen zij vandaan? | uit alle naties, geslachten, volken en talen |
| Waar bevinden zij zich? | in de hemelse troonomgeving voor God en het Lam |
| Zijn zij de 144.000? | nee; Openbaring onderscheidt beide groepen uitdrukkelijk |
| Zijn zij de opgenomen Gemeente? | nee; de Gemeente is reeds vertegenwoordigd door de ouderlingen en de opnamekenmerken ontbreken |
| Zijn zij alle gelovigen die de verdrukking meemaken? | nee; levende gelovigen gaan na Christus’ komst ook in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen |
| Zijn zij met martelaarschap verbonden? | zeer sterk; de vervolgingslijn van Openbaring maakt dit cumulatief duidelijk |
| Is ieder lid aantoonbaar terechtgesteld? | dat zegt Openbaring 7 niet |
| Hebben zij hier reeds aantoonbaar een verheerlijkt lichaam? | hun exacte lichamelijke toestand wordt in dit hoofdstuk niet vermeld |
| Waardoor zijn zij gered? | uitsluitend door het bloed van het Lam |
Deze open details verzwakken de hoofdconclusie niet. Integendeel: door alleen te zeggen wat de Schrift werkelijk draagt, wordt de identiteit des te scherper.
Het Evangelie midden in de grote verdrukking
De grote schare is één van de krachtigste Evangeliegezichten van Openbaring.
De aarde buigt voor het beest. Mensen ontvangen zijn merkteken om te kunnen kopen en verkopen. De heiligen lijken machteloos en velen worden gedood. Toch ziet Johannes uiteindelijk niet een kleine mislukte rest, maar een schare die niemand tellen kan.
Geen nationaliteit staat buiten het bereik van het Evangelie. Geen satanische wereldorde kan het bloed van Christus krachteloos maken. Geen lichamelijke dood kan een gelovige uit Zijn hand rukken.
Maar dezelfde tekst laat ook zien dat algemene godsdienstigheid niet genoeg is. De schare staat niet voor God omdat alle wegen naar Hem leiden. Haar klederen zijn wit gemaakt in één bloed: het bloed van het Lam.
Jezus Christus droeg aan het kruis de zonden van de wereld, stierf en stond lichamelijk op. Wie op Hem vertrouwt, ontvangt vergeving en eeuwig leven uit genade — zonder werken, zonder verdienste en zonder een eigen offer aan Zijn volbrachte werk toe te voegen. Dat geldt nu, en dat blijft tijdens de donkerste periode van de wereldgeschiedenis de enige grond van redding.
Conclusie
De grote schare in Openbaring 7 is de ontelbare, internationale hemelse schare van verlosten uit de grote verdrukking. Johannes ziet haar vóór de bazuinreeks als een vooruitblik op Gods voltooide resultaat. Zij is niet de 144.000, want die vormen een exact getelde Israëlitische dienstknechtengroep die vóór de bazuinschade op aarde wordt verzegeld. Zij is evenmin de opgenomen Gemeente, want de Gemeente is reeds vóór de zegels in de hemel vertegenwoordigd en de kenmerken van de opname ontbreken in Openbaring 7.
De schare bestaat ook niet uit alle gelovigen die de grote verdrukking meemaken. Er blijven geredde overlevenden die na Christus’ wederkomst in natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnengaan. Openbaring 7 toont de hemelse schare van hen wier aardse loop in de grote verdrukking is geëindigd.
Haar verbinding met het martelaarschap is zeer sterk. Het vijfde zegel kondigt nog meer gedode getuigen aan; het beest voert 42 maanden oorlog tegen de heiligen; de overwinnaars hebben hun leven niet lief tot de dood; en vóór het Koninkrijk worden de martelaren uit de beestperiode opgewekt. Alleen maakt de Schrift niet bekend hoe ieder afzonderlijk lid van de schare stierf. Evenmin zegt Openbaring 7 op zichzelf of zij in dit gezicht reeds lichamelijk zijn opgewekt.
Wat wel rechtstreeks en heerlijk vaststaat, is groter dan die open details. Zij zijn gewassen in het bloed van het Lam. Daarom staan zij voor God. Daarom dienen zij Hem. Daarom kan honger, dorst, hitte, vervolging of dood hen nooit meer bereiken. Het Lam Dat voor hen geslacht werd, weidt hen als Herder, leidt hen naar levende waterfonteinen en God Zelf wist alle tranen van hun ogen.
De Antichrist krijgt tijdelijk macht om de heiligen lichamelijk te overwinnen. Openbaring 7 toont Gods laatste woord: de gedoden zijn levend, de vervolgden zijn veilig, de beroofden dragen palmtakken en de schijnbaar verslagen menigte staat overwinnend voor de troon. De zaligheid behoort aan God en aan het Lam.
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Wie zijn de 144.000 in Openbaring?
Volgende artikel:
De eerste vier bazuinen: waarom wordt telkens een derde deel getroffen?
Serieoverzicht: