Ik geloof toch al in God?
“Maar ik geloof toch al in God?”
Diepere uitleg + uitgebreid Bijbelbewijs
Dat klinkt goed, maar de Bijbel is hier uiterst precies: alleen geloven dát God bestaat, is niet reddend geloof. De Schrift maakt een scherp onderscheid tussen geloven dat God er is en vertrouwen op Jezus Christus tot zaligheid.
Jakobus zegt:
“Gij gelooft, dat God één is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.”
— Jakobus 2:19
Dit vers is verpletterend eerlijk.
De duivelen geloven
volledig:
– zij geloven dat God bestaat
– zij geloven dat Hij één is
– zij geloven dat Hij heilig is
– zij geloven dat Hij rechtvaardig oordeelt
– zij geloven dat Jezus de Zoon van God is
– zij geloven dat hun oordeel vaststaat
Hun geloof is niet half.
Het is niet zwak.
Het is niet onzeker.
Integendeel: hun geloof is zó volledig, dat zij sidderen.
En toch…
hebben zij daar niets aan.
Waarom niet?
Omdat hun geloof hen
niet redt.
Niet omdat het geen werken heeft —
maar omdat het
geen vertrouwen tot redding is.
De duivelen weten precies wie Jezus is:
“Wat hebben wij met U te doen, Jezus, Gij Zoon Gods?”
— Mattheüs 8:29
“Ik weet Wie Gij zijt: de Heilige Gods.”
— Markus 1:24
Zij twijfelen niet aan Zijn identiteit.
Zij twijfelen niet aan Zijn macht.
Zij twijfelen niet aan de realiteit van God.
Maar al die kennis verandert niets aan hun lot.
Waarom?
Omdat reddend geloof niet is:
geloven dat iets waar is,
maar:
vertrouwen op Iemand tot behoud.
De duivelen geloven alles —
maar zij
werpen zich niet op genade.
Zij vertrouwen niet op Christus’ bloed.
Zij hebben geen Redder nodig — zij zijn reeds veroordeeld.
Hun geloof is puur erkenning, zonder afhankelijkheid.
Dat laat iets heel belangrijks zien:
Je kunt alles juist geloven,
en tóch verloren gaan.
Je kunt orthodox zijn,
en tóch geen redding hebben.
Je kunt instemmen met elke waarheid,
en er
geen enkel voordeel van hebben.
Dat is precies waarom “ik geloof in God” niet genoeg is.
De Bijbel zegt niet:
“Die in God gelooft, heeft het eeuwige leven.”
Maar:
“Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 3:36
“Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Het object van reddend geloof is
niet God in het algemeen,
maar
Jezus Christus, en specifiek
Zijn volbrachte werk.
Paulus vat dat evangelie samen:
“Christus is gestorven voor onze zonden… en is begraven, en is opgewekt ten derden dage.”
— 1 Korinthe 15:3–4
Reddend geloof is vertrouwen dat dit voor u persoonlijk genoeg is.
Jakobus leert hiermee géén werken-evangelie. Integendeel.
Hij laat zien dat er een vorm van geloof bestaat die niets oplevert.
De duivelen zijn het ultieme bewijs daarvan:
– zij geloven zonder werken
– zij geloven volledig
– zij geloven correct
– en toch zijn zij verloren
Dus het probleem is niet:
te weinig werken.
Het probleem is:
het verkeerde soort geloof.
Paulus zegt juist:
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft… diens geloof wordt gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5
Reddend geloof werkt niet.
Het
ontvangt.
De duivelen ontvangen niets,
omdat zij niets vertrouwen.
Daarom is het verschil dit — en dit alleen:
De duivelen geloven
dat God bestaat.
De gelovige vertrouwt
op Christus.
De duivelen erkennen waarheid.
De gelovige rust in genade.
De duivelen hebben kennis zonder hoop.
De gelovige heeft vertrouwen tot eeuwig leven.
Dat maakt deze vraag zo scherp en persoonlijk:
De vraag is niet:
“Gelooft u in God?”
De vraag is:
“Vertrouwt u op Jezus Christus alleen — Zijn dood, begrafenis en opstanding — als uw enige hoop?”
Want zelfs de duivelen geloven alles…
maar zij hebben er
niets aan.
Alleen wie in de Zoon gelooft,
heeft het eeuwige leven.