Ik ben te slecht...

“Maar ik ben te slecht. Voor mij kan dit niet gelden.”

Diepere uitleg + uitgebreid Bijbelbewijs

Dit bezwaar klinkt nederig.
Maar de Bijbel noemt het iets anders:
ongeloof.


Niet omdat iemand zichzelf te slecht acht —
maar omdat hij
Christus te klein acht.



1. Dit bezwaar komt niet voort uit ootmoed, maar uit wantrouwen


Wanneer iemand zegt:

“Voor anderen misschien, maar voor mij niet,”


zegt hij feitelijk:

“Mijn zonde is groter dan Gods genade.”


Dat klinkt vroom, maar het is een beschuldiging.


De Schrift leert nergens dat zonde groter kan zijn dan het offer van Christus.

Integendeel.

“En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.”

— 1 Johannes 2:2

Let op hoe radicaal dit is:


  • niet voor sommige zonden
  • niet voor lichte zonden
  • niet voor betere mensen
  • maar voor de zonden der gehele wereld


Dat sluit niemand uit.



2. “Te slecht” is juist de doelgroep van het Evangelie


De Bijbel zegt niet dat Christus kwam voor mensen die nog iets te bieden hadden.


Hij zegt het tegenovergestelde.

“Want Christus is, als wij nog krachteloos waren, te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.”
— Romeinen 5:6

Niet voor de verbeterde mens.
Niet voor de berouwvolle elite.
Maar voor
goddelozen.



En Paulus gaat nóg verder:

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”

— Romeinen 4:5

God rechtvaardigt niet de mens die zichzelf geschikt maakt,
maar de mens die erkent dat hij
ongeschikt is.



3. De Schrift noemt bewust de uitersten — om niemand een uitweg te laten


De Bijbel spaart de mens niet. Zij benoemt de diepste afgronden.

“Weet gij niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?
Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen,
noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, noch lasteraars, noch rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.”
— 1 Korinthe 6:9–10

En dan komt deze zin:

“En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd…”
— 1 Korinthe 6:11

Niet: dit waren lichte gevallen.
Maar:
dit waart gij.


Geen mens kan zeggen:


“Mijn zonde staat hier niet tussen.”



4. “Mijn zonde is te groot” ondermijnt het kruis


Wanneer iemand zegt:


“Mijn zonde is te groot,”


zegt hij in wezen:


“Het offer van Christus is niet groot genoeg.”


Maar luister naar de woorden van Jezus Zelf:

“Het is volbracht.”
— Johannes 19:30

Niet:

  • het is begonnen
  • het is voldoende als jij aanvult
  • het geldt voor velen


Maar: volbracht.



Volledig. Afgesloten. Afdoende.

“Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.”
— 1 Johannes 1:7

Niet bijna alle.
Niet de meeste.
Alle zonde.



5. De enige zonde die buiten vergeving valt


De Bijbel leert niet dat sommige zonden te groot zijn om vergeven te worden.


Zij leert iets anders:

“Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; maar wie den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien.”
— Johannes 3:36

De veroordeling ligt niet in:


  • te grote schuld
  • te diepe val
  • te zwarte geschiedenis


Maar in dit ene punt:
het verwerpen van Gods voorziening.

“Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?”
— Hebreeën 2:3


6. Daarom is dit bezwaar geen bescherming, maar gevaar


Wie zegt:


“Voor mij kan dit niet gelden,”


sluit zichzelf niet buiten omdat hij te slecht is,
maar omdat hij weigert te geloven wat God zegt.


En dat is precies waarom dit bezwaar zo ernstig is.


Niet omdat het te laag over de mens denkt,
maar omdat het
te laag over Christus denkt.



Slot — juist voor u


Het Evangelie zegt niet:


“Word eerst beter.”


Het zegt:


“Kom zoals u bent.”


Niet omdat God de zonde gering acht,
maar omdat Hij het offer
volmaakt acht.


Daarom is de conclusie van de Schrift onontkoombaar:

Het gaat er niet om hoe groot uw schuld is,
maar hoe groot Zijn offer is.

En Zijn offer is oneindig.


Er is geen mens te slecht voor genade —
alleen een mens die haar niet wil aannemen.