Bij de zesde bazuin worden vier gebonden engelen aan de Eufraat op Gods exacte tijd losgemaakt. Een derde van de mensen sterft, maar de overigen bekeren zich niet. Openbaring 10–11 voert vervolgens door de bediening en opstanding van de twee getuigen naar het einde van het tweede wee en de zevende bazuin.
De zesde bazuin en het tweede wee: de Eufraat, massale dood en de overgang naar bazuin 7
Bij de vijfde bazuin mochten de wezens uit de afgrond mensen vijf maanden lang pijnigen, maar niet doden. Bij de zesde bazuin valt die beperking weg.
Een stem klinkt uit het gouden altaar voor God. Vier engelen die bij de grote rivier de Eufraat gebonden zijn, worden losgemaakt. Johannes hoort het getal van een onmetelijke ruitermacht. Vuur, rook en sulfer gaan uit de monden van de paarden. Een derde deel van de mensen wordt gedood.
Toch vormt zelfs deze massale dood niet het einde van het tweede wee. Openbaring 10 onderbreekt de zichtbare oordelen met een machtige engel, zeven verzegelde donderslagen en de aankondiging dat er geen uitstel meer zal zijn. Openbaring 11 brengt de tempel, de heilige stad en de twee getuigen in beeld. Pas na hun dood, opstanding, hemelvaart en de daaropvolgende aardbeving zegt de Schrift:
„Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haastelijk.”
— Openbaring 11:14
Onmiddellijk daarna klinkt bazuin 7.
Om de zesde bazuin goed te begrijpen, moeten wij daarom meer lezen dan alleen Openbaring 9:13-21. Het tweede wee begint daar, maar de geïnspireerde tekst sluit het pas in Openbaring 11:14 af.
De laatste drie bazuinen zijn drie weeën
Na de eerste vier bazuinen hoort Johannes een engel door het midden van de hemel vliegen:
„Wee, wee, wee dengenen, die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen der bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen.”
— Openbaring 8:13
God verdeelt de bazuinen daarmee Zelf in een groep van vier en een laatste groep van drie:
| Bazuin | Wee |
|---|---|
| bazuin 5 | het eerste wee |
| bazuin 6 | het tweede wee |
| bazuin 7 | het derde wee |
Na de vijf maanden pijniging verklaart Openbaring 9:12:
„Het ene wee is weggegaan; ziet, er komen nog twee weeën na dezen.”
Daarna bazuint de zesde engel. En pas in Openbaring 11:14, vlak vóór de zevende bazuin, wordt gezegd dat het tweede wee voorbij is.
De zesde bazuin is dus niet slechts één los ogenblik. Zij opent het tweede wee en vormt de laatste grote bazuinfase vóór de omslag naar bazuin 7.
Een stem uit de vier hoornen van het gouden altaar
Openbaring 9:13 begint:
„En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was.”
Het oordeel begint niet bij de Eufraat en ook niet bij de ruitermacht. Het begint voor Gods troon.
Dit gouden altaar was eerder al in Openbaring 8 verschenen. Een engel stond bij het altaar met reukwerk en de gebeden van alle heiligen. Daarna vulde hij het wierookvat met vuur van het altaar en wierp dat op de aarde. Toen kwamen stemmen, donderslagen, bliksemen en een aardbeving, waarna de zeven bazuinengelen zich gereedmaakten.
Bij bazuin 6 klinkt opnieuw een bevel uit dezelfde hemelse oordeelssfeer. Dat laat zien:
- het oordeel ontstaat niet uit een zelfstandig aards leger;
- de gebonden engelen bepalen hun eigen vrijlating niet;
- de zesde bazuin wordt vanuit Gods tegenwoordigheid bestuurd;
- wat aan de Eufraat gebeurt, staat onder het bevel van de hemel.
Wie de stem precies is, wordt niet gezegd. De tekst noemt de plaats waar zij vandaan komt — de vier hoornen van het gouden altaar voor God — maar geeft de Spreker geen naam. Die verborgen identiteit hoeven wij niet in te vullen om de gezagslijn te begrijpen.
Vier gebonden engelen bij de grote rivier de Eufraat
De stem zegt tegen de zesde bazuinengel:
„Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, den Eufraat.”
— Openbaring 9:14
De Eufraat is geen willekeurig symbool dat Johannes zelf moet verklaren. De Schrift noemt een werkelijke rivier en gebruikt de vertrouwde naam „de grote rivier”. Vanaf Genesis komt de Eufraat in de Bijbel voor. In Gods verbond met Abraham wordt hij genoemd als de grote grensrivier van het beloofde land (Genesis 15:18; vergelijk Deuteronomium 1:7 en Jozua 1:4).
Openbaring plaatst de vier engelen dus bij een concrete, Bijbels bekende rivier. Wat hun gebonden aanwezigheid juist op die plaats volledig betekent, wordt niet uitgelegd. Maar dat zij gebonden zijn, is wel belangrijk.
Zijn de vier engelen gevallen engelen?
De sterkste Schriftlijn wijst in die richting. Heilige engelen worden uitgezonden en ontvangen opdrachten, maar zondigende engelen worden uitdrukkelijk met banden en bewaring tot het oordeel verbonden:
- God heeft de engelen die gezondigd hebben in banden der duisternis overgegeven om tot het oordeel bewaard te worden (2 Petrus 2:4);
- engelen die hun beginsel niet bewaard hebben, worden met eeuwige banden onder de duisternis tot het oordeel bewaard (Judas 6);
- Satan wordt later gebonden en in de afgrond opgesloten totdat God hem voor een korte tijd loslaat (Openbaring 20:1-3,7).
Daarom past de gebonden toestand van de vier engelen goed bij gevallen engelen die tot dit oordeel worden vastgehouden. Toch noemt Openbaring 9 hen niet rechtstreeks „duivelen”, „boze geesten” of „engelen die gezondigd hebben”. Hun precieze geestelijke orde blijft dus ongenoemd.
De hoofdzaak staat wel rechtstreeks vast: zij kunnen zichzelf niet bevrijden. Een bevel uit het gouden altaar moet klinken en de zesde bazuinengel moet hen ontbinden. Of God hier gevallen engelen als oordeelsinstrument gebruikt of engelen losmaakt die uitsluitend voor deze taak werden vastgehouden, de handelingsmacht ligt bij God.
De Schrift laat vaker zien dat God ook vijandige machten begrensd voor Zijn oordeel kan gebruiken. Satan mocht Job alleen treffen binnen Gods vastgestelde grenzen (Job 1:12; 2:6). Assyrië wordt de roede van Gods toorn genoemd, terwijl God daarna de hoogmoed van Assyrië oordeelt (Jesaja 10:5-15). Een werktuig van het oordeel wordt daardoor niet de heer over het oordeel.
Gereed voor één exact vastgesteld moment
Na het bevel staat:
„En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden.”
— Openbaring 9:15
Deze woorden leggen twee zaken vast.
Ten eerste is hun opdracht verschrikkelijk: een derde deel van de mensen doden.
Ten tweede is hun moment exact bepaald. De engelen waren gereed tegen het uur, de dag, de maand en het jaar. De opeenstapeling benadrukt Gods nauwkeurige tijdsbepaling. Zij worden geen minuut te vroeg en geen minuut te laat losgemaakt.
Soms wordt van deze woorden een duur gemaakt: één jaar, één maand, één dag en één uur. Maar het vers zegt dat zij tegen dat vastgestelde uur, die dag, die maand en dat jaar bereid waren. Het gaat om het door God aangewezen tijdstip waarop hun dodelijke opdracht wordt vrijgegeven. Hoe lang de volledige uitwerking van de zesde-bazuinplaag duurt, wordt niet afzonderlijk meegedeeld.
Dit oordeel wordt dus niet veroorzaakt doordat Gods bewaking bezwijkt. De vier engelen zijn lange tijd gebonden, vooraf voor dit moment gereedgemaakt en worden pas losgelaten wanneer het hemelse bevel klinkt.
Een ruitermacht van tweehonderd miljoen
Vervolgens hoort Johannes het getal van de legers der ruiterij:
„En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tienduizendmaal tienduizenden; en ik hoorde hun getal.”
— Openbaring 9:16
Tweemaal tienduizend maal tienduizend is:
200.000.000 ruiters.
Johannes schat het aantal niet vanaf een afstand. Hij zegt uitdrukkelijk dat hij hun getal hoorde. Het ontzaglijke aantal onderstreept de omvang van het tweede wee.
De tekst zegt echter niet:
- dat de vier engelen zelf deze ruiters zijn;
- dat de vier engelen ieder precies vijftig miljoen ruiters aanvoeren;
- dat het om moderne legervoertuigen gaat;
- dat een bepaald hedendaags land dit leger levert;
- of dat deze ruiters dezelfde zijn als de koningen uit het oosten bij de zesde fiool.
De vier engelen worden losgemaakt en onmiddellijk daarna verschijnt de enorme ruitermacht. De gebeurtenissen horen duidelijk bij hetzelfde oordeel, maar de Schrift legt de precieze bevelsstructuur of herkomst van ieder wezen niet uit.
Geen gewoon menselijk cavalerieleger
Johannes beschrijft wat hij in het gezicht ziet:
„En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en degenen, die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen; en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer.”
— Openbaring 9:17
Ook hun staarten worden beschreven:
„Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.”
— Openbaring 9:19
Dit zijn geen gewone paarden en geen normale menselijke ruiters. De beschrijving bevat wel vergelijkingen — hoofden als leeuwenhoofden en staarten als slangen — maar achter die vergelijking staat een werkelijk gezien oordeelwezen:
- de paarden hebben leeuwachtige hoofden;
- vuur, rook en sulfer komen uit hun monden;
- hun macht ligt in hun mond en in hun staarten;
- hun slangenachtige staarten hebben hoofden;
- met die staarten brengen zij schade toe.
De Schrift geeft geen reden om dit om te bouwen tot tanks, straaljagers, raketten of andere moderne wapens. Zulke verklaringen worden niet uit Openbaring gehaald, maar in Openbaring gelegd. Johannes zegt dat hij paarden en ruiters in een gezicht zag en beschrijft hun bovennatuurlijke eigenschappen.
Hoe hun geestelijke en lichamelijke samenstelling precies functioneert, wordt niet onthuld. Maar de gezamenlijke kenmerken leggen stevig vast dat hier geen alledaagse aardse cavalerie wordt beschreven.
Door vuur, rook en sulfer sterft een derde deel van de mensen
Openbaring noemt de drie dodelijke plagen:
„Door deze drie werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging.”
— Openbaring 9:18
Bij bazuin 5 mochten de wezens uit de afgrond niet doden. Mensen verlangden naar de dood, maar vonden hem niet. Bij bazuin 6 wordt juist een derde deel van de mensen gedood.
Daarmee bereikt het gedeeltelijke oordeelspatroon van de eerste zes bazuinen zijn zwaarste menselijke uitwerking. Eerder werd herhaaldelijk een derde deel van aarde, zee, wateren en hemellichten getroffen. Nu treft die breuk rechtstreeks de mensheid.
De tekst geeft geen absoluut dodental. Zij noemt een verhouding: een derde deel van de mensen die dan leven. Wij mogen daar geen hedendaagse bevolkingscijfers op plakken. Ook kunnen wij het vierde zegel en bazuin 6 niet eenvoudig als twee rekenstappen achter elkaar vermenigvuldigen. De eerste zes zegels functioneren als een oordeelspanorama en worden niet als een losse bevolkingsberekening vóór de bazuinen gegeven.
Wat God wel zegt, is ernstig genoeg:
één op de drie mensen wordt door deze drie plagen gedood.
Toch blijft zelfs dit oordeel begrensd. Niet alle mensen worden gedood. Niet de vier engelen en niet de ruitermacht bepalen het aandeel. God heeft vooraf vastgesteld dat het om het derde deel gaat.
De overlevenden bekeren zich niet
Na deze ongekende sterfte zou men verwachten dat de overlevenden zich massaal tot God keren. Openbaring zegt het tegenovergestelde:
„En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen.”
— Openbaring 9:20
Vers 21 vervolgt:
„En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.”
De mensheid wordt niet voorgesteld als onwetend slachtoffer dat na één waarschuwing onmiddellijk naar God verlangt. Zij blijft vasthouden aan:
- aanbidding van duivelen;
- afgoden en de werken van mensenhanden;
- doodslagen;
- venijngevingen;
- hoererij;
- dieverijen.
Openbaring verbindt afgoderij hier rechtstreeks met demonendienst. Dat sluit aan bij eerdere Schrift:
- Israël offerde aan duivelen en niet aan God (Deuteronomium 32:17);
- wat de heidenen offeren, offeren zij aan duivelen en niet aan God (1 Korinthe 10:19-21);
- afgoden hebben ogen maar zien niet, oren maar horen niet en voeten maar wandelen niet (Psalm 115:4-8; 135:15-18).
De crisis haalt daarom naar buiten wat mensen werkelijk dienen. Het vernietigen van een derde van de mensheid vernieuwt de harten van de overlevenden niet. Oordeel kan de zonde ontmaskeren en Gods macht bewijzen, maar pijn en angst veroorzaken op zichzelf geen nieuwe geboorte.
Later, bij de fiolen, verschijnt hetzelfde patroon. Mensen worden door hitte, pijn en hagel getroffen, maar lasteren God en bekeren zich niet van hun werken (Openbaring 16:9,11,21). De zesde bazuin vormt daarvan een ernstige voorafgaande waarschuwing.
Het tweede wee eindigt niet aan het einde van Openbaring 9
Openbaring 9:13-21 beschrijft de Eufraat, de vier engelen, de ruitermacht, de dood van een derde deel van de mensen en de onbekeerlijkheid van de overlevenden. Toch staat er aan het einde niet:
„Het tweede wee is weggegaan.”
Die verklaring komt pas twee hoofdstukken later, in Openbaring 11:14.
De tekst geeft daardoor zelf het raam:
| Plaats | Functie binnen het raam |
|---|---|
| Openbaring 9:12 | het eerste wee is voorbij |
| Openbaring 9:13 | de zesde engel bazuint; het tweede wee begint |
| Openbaring 10 | overgangsaankondiging terwijl bazuin 7 nog toekomstig is |
| Openbaring 11 | de parallelle lijn van tempel, stad en twee getuigen wordt voltooid |
| Openbaring 11:14 | het tweede wee is voorbij; het derde komt haastig |
| Openbaring 11:15 | de zevende engel bazuint |
Daarmee staat rechtstreeks vast dat Openbaring 10 binnen de tweede-wee-sectie staat en dat de afsluiting van de twee-getuigenepisode bij de overgang naar bazuin 7 hoort.
Dat betekent niet dat iedere gebeurtenis die in Openbaring 10 en 11 wordt verteld pas chronologisch ná de dood van een derde deel van de mensen begint. Openbaring 11 grijpt aantoonbaar terug over een langere periode. De hoofdstukvolgorde is niet automatisch de kalender.
Openbaring 10: er zal geen uitstel meer zijn
Johannes ziet een andere machtige engel uit de hemel neerdalen. Hij is met een wolk bekleed, een regenboog is boven zijn hoofd, zijn aangezicht is als de zon en zijn voeten zijn als pilaren van vuur. Hij heeft een geopend boekje in zijn hand, zet zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op de aarde en roept met een stem als van een brullende leeuw (Openbaring 10:1-3).
Het visioen onderstreept de wereldomvattende ernst van de aankondiging. Zee en aarde staan onder Gods aanspraak. Het geopende boekje wijst erop dat God Zijn profetische plan verder bekendmaakt, maar de tekst onthult niet dat dit boekje identiek is aan een ander specifiek boek uit Openbaring.
De zeven donderslagen blijven verzegeld
Wanneer de engel roept, spreken zeven donderslagen hun stemmen. Johannes wil opschrijven wat zij gezegd hebben, maar een stem uit de hemel gebiedt hem:
„Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet.”
— Openbaring 10:4
Daarmee is iedere inhoudelijke reconstructie van deze zeven donderslagen uitgesloten. God heeft bewust geopenbaard dát zij spraken en even bewust verborgen wát zij zeiden. Wie hun boodschap toch invult, beweert te weten wat Johannes uitdrukkelijk niet mocht opschrijven.
„Dat er geen tijd meer zal zijn”
De machtige engel zweert bij Hem Die in alle eeuwigheid leeft en hemel, aarde, zee en alles wat daarin is geschapen heeft:
„...dat er geen tijd meer zal zijn.”
— Openbaring 10:6
Dit kan niet betekenen dat vanaf dat ogenblik letterlijk geen tijd of opeenvolging meer bestaat. Het volgende vers spreekt immers over de dagen van de zevende engel. Daarna volgen in Openbaring nog 42 maanden, 1260 dagen, de fiolen, de wederkomst en het duizendjarige Koninkrijk.
De samenhang maakt de bedoeling duidelijk: er komt geen verder uitstel van Gods aangekondigde voleinding. De overgang naar de laatste bazuinfase is bereikt.
In de dagen van de zevende engel
De engel vervolgt:
„Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft.”
— Openbaring 10:7
Bazuin 7 is dus niet slechts een geluid van één seconde met één enkele ramp. Openbaring spreekt over:
de dagen van de zevende engel.
In die fase gaat Gods aangekondigde plan naar zijn vervulling. Dat bereidt de lezer voor op de grote Koninkrijks- en oordeelstaal die bij bazuin 7 volgt en op de voleindigende gebeurtenissen die daarna worden ontvouwd.
Het boekje is zoet en bitter
Johannes moet het geopende boekje uit de hand van de engel nemen en opeten. In zijn mond is het zoet als honing, maar in zijn buik wordt het bitter. Daarna wordt tegen hem gezegd:
„Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen.”
— Openbaring 10:11
Dat sluit aan bij Ezechiël, die eveneens een rol moest eten voordat hij Gods woorden aan Israël sprak; in zijn mond was zij zoet als honing (Ezechiël 2:8-3:4). Gods Woord is zoet omdat het waar, goed en van God is. De inhoud kan bitter zijn wanneer zij verschrikkelijk oordeel aankondigt.
Openbaring 10 is daarom geen willekeurig tussendeel. Het hernieuwt Johannes' profetische opdracht precies op de grens van het tweede wee naar de grote laatste fase.
Openbaring 11 grijpt terug over de eerste 1260 dagen
Na het boekje krijgt Johannes een rietstok en moet hij de tempel Gods, het altaar en de aanbidders meten. De buitenste voorhof wordt uitgeworpen en de heilige stad zal 42 maanden door de heidenen worden vertreden. Daarna geeft God Zijn twee getuigen 1260 dagen om te profeteren (Openbaring 11:1-3).
Die 1260 dagen kunnen niet pas ná Openbaring 10 beginnen en vervolgens nog volledig vóór bazuin 7 plaatsvinden. Openbaring 10 staat immers al aan de onmiddellijke overgang naar de zevende bazuin. Openbaring 11 vertelt daarom een parallelle aardse lijn die teruggrijpt over de eerste helft van Daniëls zeventigste week.
Dat is een belangrijk leesprincipe:
Openbaring 11 volgt in vertelvolgorde op Openbaring 10, maar de 1260-daagse bediening begint chronologisch eerder.
De bazuinreeks vormt de doorgaande ruggengraat. De episode van de twee getuigen laat zien wat gedurende dezelfde eerste-halfse periode op aarde gebeurt.
De twee getuigen en bazuinen 1-6 zijn één oordeelprogramma
De twee getuigen profeteren niet alleen toevallig terwijl de eerste zes bazuinen zich ontvouwen. Hun macht sluit inhoudelijk op die oordelen aan:
„Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen.”
— Openbaring 11:6
Na hun dood vieren de aardbewoners feest:
„...want deze twee profeten hadden degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd.”
— Openbaring 11:10
Daarmee geeft Openbaring twee gezichtspunten op hetzelfde oordeelprogramma.
Vanuit de hemel:
- God geeft de bevelen;
- engelen bazuinen;
- de vier engelen worden losgemaakt;
- de ruitermacht wordt binnen Gods grenzen werkzaam;
- de oordelen komen uit Gods troon- en altaarsfeer.
Vanuit de aarde:
- Gods twee profeten spreken zichtbaar tot de wereld;
- zij hebben macht over hemel, wateren en aarde;
- zij slaan de aarde met allerlei plagen;
- de aardbewoners houden hen verantwoordelijk voor de pijniging.
Vanuit menselijk perspectief veroorzaken de twee getuigen daarom de plagen van bazuinen 1-6. Zij zijn het zichtbare profetische gezicht van wat God vanuit de hemel bestuurt. Dat betekent niet dat zij zelf de bazuinengelen zijn, de vier Eufraat-engelen losmaken of de ruitermacht technisch aanvoeren. Openbaring verdeelt die functies niet op die manier. Wel vormen hun 1260-daagse bediening en de eerste zes bazuinen samen één Goddelijk oordeelprogramma.
De dood en opstanding van de getuigen sluiten het tweede wee af
Pas wanneer de twee getuigen hun volledige opdracht hebben voleindigd, kan het beest dat uit de afgrond opkomt hun krijg aandoen, hen overwinnen en doden (Openbaring 11:7).
Hun lichamen liggen drieënhalve dag in de grote stad waar ook onze Heere gekruisigd is. Mensen uit volken, geslachten, talen en natiën zien hun lichamen. De aardbewoners vieren feest en sturen elkaar geschenken, omdat de twee profeten hen hadden gepijnigd.
Maar de overwinning van het beest duurt slechts drieënhalve dag. Een Geest des levens uit God gaat in hen. Zij staan op hun voeten, hun vijanden worden zeer bevreesd en een grote stem uit de hemel roept:
„Komt herwaarts op.”
Zij varen zichtbaar ten hemel in de wolk. In hetzelfde uur volgt een grote aardbeving. Een tiende deel van de stad valt en zevenduizend namen van mensen worden gedood. De overigen worden zeer bevreesd en geven de God des hemels heerlijkheid (Openbaring 11:11-13).
De tekst zegt niet dat iedere overlevende daardoor wedergeboren wordt. Zij erkennen onder overweldigend oordeel de God des hemels, maar Openbaring noemt hier niet uitdrukkelijk hun reddend geloof. Wij mogen hun vrees en erkenning laten staan zonder een niet-geopenbaarde massabekering toe te voegen.
Daarna volgt de beslissende verklaring:
„Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haastelijk.”
— Openbaring 11:14
En onmiddellijk daarop:
„En de zevende engel heeft gebazuind...”
— Openbaring 11:15
De geïnspireerde tekst verbindt daarmee de afsluiting van de getuigenepisode aan het einde van het tweede wee en de komst van bazuin 7.
Hoe ligt de overgang precies rond het midden van de week?
De twee getuigen profeteren 1260 dagen. Hun getuigenis wordt volledig voleindigd voordat het beest hen kan doden. Hun drieënhalve dagen dood volgen dus ná hun 1260-daagse profetische opdracht.
Openbaring 11 vertelt hun hele episode als één eenheid: bediening, dood, opstanding, hemelvaart en aardbeving. Daarna hervat het boek de genummerde bazuinreeks met de verklaring dat het tweede wee voorbij is en de zevende engel bazuint.
De grote chronologische plaatsing is stevig:
- de bediening van de twee getuigen en bazuinen 1-6 behoren tot de eerste 1260-dagenfase;
- de voleindiging van hun getuigenis en hun dood liggen bij de middenovergang;
- bazuin 7 behoort bij de omslag naar het laatste 42-maandencomplex;
- de drieënhalve dagen van hun dood vallen aan het begin van die tweede-halfse werkelijkheid;
- Openbaring voltooit deze korte vooruitblik voordat het naar de formele bazuinreeks terugkeert.
Daarmee hoeven wij niet te beweren op welke exacte seconde binnen dit korte overgangscomplex de bazuin in de hemel hoorbaar wordt. De Schrift geeft geen apart kloktijdstip. Wat wel vaststaat, is belangrijker: bazuin 6 en het tweede wee sluiten de eerdere, gedeeltelijke oordeelsfase af; bazuin 7 opent het derde wee en de grote voleindigende eindfase.
Bazuin 7 komt haastig
De overgang is geen lange onbepaalde pauze. Openbaring 11:14 zegt dat het derde wee haastelijk komt. In het volgende vers bazuint de zevende engel en klinken grote stemmen in de hemel:
„De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.”
— Openbaring 11:15
De ouderlingen aanbidden God. De volken zijn toornig geworden en Gods toorn is gekomen. De tempel Gods in de hemel wordt geopend (Openbaring 11:16-19).
Openbaring 10 had deze overgang al voorbereid: in de dagen van de zevende engel wordt de verborgenheid Gods vervuld. Bazuin 7 is daarom niet slechts nog één gedeeltelijke plaag. Zij opent het derde wee en de grote fase waarin Gods Koninkrijk, toorn, oordelen en uiteindelijke voleinding centraal staan.
De volledige inhoud van die zevende bazuin hoort bij het volgende artikel. Voor de zesde bazuin is de grens duidelijk genoeg:
het tweede wee voert rechtstreeks naar het derde wee.
Bazuin 6 is niet hetzelfde als fiool 6
Zowel de zesde bazuin als de zesde fiool noemen de Eufraat en een grote militaire beweging. Dat is een betekenisvolle structurele overeenkomst, maar de gebeurtenissen zijn niet identiek.
| Zesde bazuin — Openbaring 9 | Zesde fiool — Openbaring 16 |
|---|---|
| vier gebonden engelen worden bij de Eufraat losgemaakt | het water van de Eufraat droogt op |
| een ruitermacht van tweehonderd miljoen verschijnt | de weg van de koningen van de opgang der zon wordt bereid |
| vuur, rook en sulfer doden een derde deel van de mensen | drie onreine geesten verzamelen de koningen naar Armageddon |
| behoort tot het tweede wee vóór de bazuin-7-eindfase | behoort tot de laatste plagen binnen de eindfase |
De overeenkomst past in het bredere patroon van bazuinen en fiolen:
- de bazuinen brengen nog begrensde, gedeeltelijke oordelen;
- de fiolen brengen de voleindigende oordelen;
- bazuin 6 noemt de Eufraat en een bovenmenselijke ruitermacht;
- fiool 6 noemt de Eufraat en de verzameling van de wereldkoningen voor de grote dag van God.
Wie beide gebeurtenissen samenvoegt, verliest de duidelijke verschillen die God Zelf heeft gegeven.
Wat de Schrift vastlegt — en wat zij openlaat
Openbaring legt rechtstreeks vast:
- de zesde engel bazuint;
- een stem uit de vier hoornen van het gouden altaar geeft het bevel;
- vier gebonden engelen bij de Eufraat worden losgemaakt;
- hun moment is tot op uur, dag, maand en jaar bepaald;
- hun opdracht betreft de dood van een derde deel van de mensen;
- Johannes hoort het getal van de ruitermacht: tweehonderd miljoen;
- vuur, rook en sulfer vormen de drie dodelijke plagen;
- de macht van de paarden ligt in hun mond en hun staarten;
- de overlevenden bekeren zich niet;
- Openbaring 10 staat vóór bazuin 7;
- de tweede-wee-sectie eindigt pas in Openbaring 11:14;
- bazuin 7 volgt als het derde wee.
De gezamenlijke Schriftlijnen leggen bovendien stevig vast:
- de ruitermacht is geen gewone aardse cavalerie;
- alle handelingsruimte wordt vanuit Gods troon- en altaarsfeer beheerst;
- de 1260 dagen van de twee getuigen vormen een teruggrijpende, parallelle lijn over de eerste helft;
- hun bediening en bazuinen 1-6 zijn het aardse en hemelse gezicht van één oordeelprogramma;
- bazuin 6 sluit de eerdere fase af en voert naar het grote bazuin-7-complex;
- bazuin 6 en fiool 6 zijn overeenkomstige maar verschillende oordelen.
Niet geopenbaard worden:
- de naam en precieze geestelijke orde van de vier gebonden engelen;
- of de ruiters zelf engelen, andere geestelijke wezens of een eigen geschapen oordeelorde zijn;
- de precieze gezagsverhouding tussen de vier engelen en de tweehonderd miljoen ruiters;
- de identiteit van de stem uit het gouden altaar;
- de inhoud van de zeven donderslagen;
- de volledige inhoud en identiteit van het geopende boekje;
- de exacte kalenderdag en totale duur van bazuin 6;
- de exacte seconde van de bazuin-7-klank binnen het korte middencomplex;
- of de mensen die na de aardbeving God heerlijkheid geven allen reddend geloven.
Deze open vragen verzwakken het geopenbaarde oordeel niet. God heeft genoeg gezegd om de omvang, ernst, plaats en grens van het tweede wee te kennen.
Wat de zesde bazuin over God openbaart
Van begin tot einde ligt de nadruk niet op autonome macht van engelen, paarden of mensen, maar op Gods regering.
- De stem komt uit het gouden altaar voor God.
- De vier engelen zijn gebonden totdat het bevel klinkt.
- Zij zijn voor Gods vastgestelde tijdstip gereedgemaakt.
- Hun vrijlating vindt op uur, dag, maand en jaar plaats.
- Het te doden aandeel is vooraf begrensd tot een derde.
- De ruitermacht heeft een door God bekend getal.
- De twee getuigen kunnen pas worden gedood nadat hun opdracht voleindigd is.
- Hun opstanding en hemelvaart worden door het beest niet verhinderd.
- Het tweede wee eindigt wanneer God het einde ervan verklaart.
- Bazuin 7 begint wanneer de zevende engel op Gods tijd bazuint.
De zesde bazuin toont geen universum waarin God en duistere machten ongeveer even sterk zijn. Zelfs wanneer gevallen engelen bij het oordeel betrokken blijken te zijn, kunnen zij zichzelf niet ontbinden en geen grens verleggen. God gebruikt hen zonder de regering uit handen te geven.
Ook menselijke hardnekkigheid verrast Hem niet. God openbaart vooraf dat de overlevenden zich niet zullen bekeren. Hun weigering heft Zijn plan niet op. Het tweede wee gaat voorbij en het derde komt haastig.
De zesde bazuin en het Evangelie
De dood van een derde deel van de mensheid is geen toekomstig schouwspel voor nieuwsgierige lezers. Het is een waarschuwing dat God werkelijk over zonde, afgoderij en opstand oordeelt.
Openbaring 9 laat bovendien zien dat het overleven van een oordeel iemand niet redt. De overige mensen leven lichamelijk verder, maar bekeren zich niet. Zij blijven de duivelen, hun afgoden en hun zonden dienen. Een langer aards leven is niet hetzelfde als eeuwig leven.
De mens heeft daarom meer nodig dan angst, pijn of nog een waarschuwing. Hij moet door geloof tot Jezus Christus komen.
Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag lichamelijk uit de doden op (1 Korinthe 15:3-4). Hij droeg de straf die de zondaar verdiende en volbracht het werk volledig. Eeuwig leven wordt niet verdiend door goede werken, kerkelijkheid, volharding, doop of kennis van profetie.
Jezus zegt:
„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Wie op Jezus Christus alleen vertrouwt, ontvangt eeuwig leven als gave. Hij hoeft niet te wachten totdat de bazuinen klinken om te ontdekken of God hem wil aannemen. God biedt nu redding aan op grond van het volbrachte werk van Zijn Zoon.
De gemeente wordt vóór Daniëls zeventigste week tot Christus opgenomen en is niet bestemd om het tweede wee op aarde te ondergaan. Maar de waarschuwing van Openbaring 9 geldt nu: stel geloof in Christus niet uit. De overlevenden van de zesde bazuin bewijzen dat meer tijd en zwaarder oordeel geen garantie op bekering zijn.
Vandaag is Christus de Redder Die eeuwig leven geeft aan ieder die gelooft. Straks is Hij de rechtmatige Rechter onder Wiens gezag de engelen, de Eufraat, de ruitermacht, de weeën en de koninkrijken van deze wereld staan.
Conclusie
De zesde bazuin is het tweede wee.
Een stem uit de vier hoornen van het gouden altaar voor God beveelt dat vier gebonden engelen bij de grote rivier de Eufraat worden losgemaakt. Zij waren gereed voor het exacte uur, de dag, de maand en het jaar waarop God hun opdracht vrijgeeft.
Daarna verschijnt een ruitermacht waarvan Johannes het getal hoort:
tweehonderd miljoen.
De paarden hebben hoofden als leeuwen, vuur, rook en sulfer gaan uit hun monden en hun slangenachtige staarten hebben hoofden waarmee zij beschadigen. Door de drie plagen van vuur, rook en sulfer wordt een derde deel van de mensen gedood.
Maar de overlevenden bekeren zich niet. Zij blijven vasthouden aan duivelen, afgoden, doodslag, venijngevingen, hoererij en dieverij. Massale dood verandert het menselijke hart niet vanzelf.
Het tweede wee eindigt niet bij Openbaring 9. Openbaring 10 kondigt aan dat er geen uitstel meer zal zijn en dat Gods verborgenheid in de dagen van de zevende engel naar haar vervulling gaat. Openbaring 11 grijpt terug naar de 1260 dagen van de twee getuigen, voltooit hun dood, opstanding en hemelvaart en verklaart daarna:
„Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haastelijk.”
Vervolgens klinkt bazuin 7.
De zesde bazuin vormt zo de laatste grote grens vóór de voleindigende eindfase. De precieze identiteit van de vier engelen, de volledige natuur van de ruitermacht en de exacte seconde binnen het middencomplex blijven verborgen. De hoofdzaak is daarentegen glashelder:
De engelen zijn gebonden totdat God spreekt. Het moment is door God bepaald. Het dodental is door God begrensd. Het tweede wee eindigt op Gods bevel. En bazuin 7 begint op Gods tijd.
Bij de Eufraat breekt geen macht los die Gods regering bedreigt. Het tweede wee is een verschrikkelijk maar volledig beheerst Goddelijk oordeel dat rechtstreeks voert naar de dagen van de zevende engel.
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
De vijfde bazuin en het eerste wee
Volgende artikel:
Wie zijn de twee getuigen in Openbaring 11?
Serieoverzicht: