De twee getuigen

Twee profeten getuigen 1260 dagen met door God gegeven macht.

De twee getuigen

Twee profeten getuigen 1260 dagen met door God gegeven macht.

De twee getuigen zijn toekomstige profeten die 1260 dagen optreden, synchroon met de eerste zes bazuinen. Hun macht herinnert aan Mozes en Elia, maar hun persoonlijke namen worden niet geopenbaard. De wereld ervaart hen als veroorzakers van haar plagen; na hun dood wekt God hen zichtbaar op en neemt Hij hen op.

Wie zijn de twee getuigen in Openbaring 11?

De twee getuigen behoren tot de indrukwekkendste personen uit de toekomstige gebeurtenissen van Openbaring. Gedurende 1260 dagen profeteren zij met buitengewone macht, synchroon met de eerste zes bazuinen. Wie hen probeert te beschadigen, wordt gedood. Zij sluiten de hemel, veranderen water in bloed en slaan de aarde met plagen. Pas wanneer hun opdracht volledig is voltooid, kan het beest hen overwinnen en doden. De wereld viert feest — maar na drieënhalve dag wekt God hen voor de ogen van hun vijanden op en neemt Hij hen ten hemel.


Het is begrijpelijk dat lezers onmiddellijk willen weten wie deze mannen persoonlijk zijn. Vooral Mozes en Elia worden vaak genoemd. Ook Henoch verschijnt geregeld in de uitleg.


Toch moet de eerste vraag niet zijn welke bekende Bijbelmannen het meest op hen lijken. De eerste vraag is:


Heeft God in Zijn Woord geopenbaard hoe de twee getuigen persoonlijk heten?


Het antwoord is nee. Hun bediening vertoont zeer sterke Elia- en Mozespatronen, maar een bedieningspatroon is nog geen persoonlijke identificatie. Openbaring noemt hen eenvoudig „Mijn twee getuigen” en „deze twee profeten”. God heeft uitvoerig bekendgemaakt van Wie zij zijn, wat zij doen, hoelang zij dienen, hoe zij sterven en hoe Hij hen opwekt. Hun namen en eerdere persoonlijke geschiedenis heeft Hij niet bekendgemaakt.


Dat is geen zwak of ontwijkend antwoord. Het is het nauwkeurigste antwoord dat de volledige Schrift toelaat.



Wat zegt Openbaring 11 rechtstreeks over hen?


God zegt:

„En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen, met zakken bekleed zijnde, profeteren duizend tweehonderd zestig dagen.”
— Openbaring 11:3

Later noemt het hoofdstuk hen:

„deze twee profeten”
— Openbaring 11:10

Daarmee staat hun basisidentiteit vast. Zij zijn:


  • twee werkelijke personen;
  • door God Zelf als Zijn getuigen aangesteld;
  • profeten die spreken;
  • gedurende exact 1260 dagen actief;
  • met zakken bekleed;
  • door God met uitzonderlijke macht toegerust;
  • lichamelijk te doden;
  • na hun dood lichamelijk aanwezig op straat;
  • door God uit de dood opgewekt;
  • en zichtbaar ten hemel opgenomen.


Zij zijn dus geen twee abstracte ideeën, geen twee boeken en geen louter dichterlijke namen voor twee lange tijdperken. Zij hebben vijanden, lichamen, een voltooide opdracht, een dood van drieënhalve dag, een opstanding en een hemelvaart. Openbaring presenteert twee concrete toekomstige profeten.


Dat zij tegelijk „olijfbomen” en „kandelaren” worden genoemd, maakt hen niet onpersoonlijk. Openbaring gebruikt symbolische beelden om werkelijke personen en machten te beschrijven. De engel verklaart hier zelf dat het om „deze twee profeten” gaat.



Waarom zijn het er precies twee?


De Schrift verklaart niet uitdrukkelijk waarom God voor deze eindtijdse opdracht precies twee profeten aanstelt. Toch past hun aantal volledig bij Gods vaste getuigenisbeginsel.


Onder de wet mocht een zaak niet op het woord van één getuige alleen vaststaan:

„Op den mond van twee getuigen, of op den mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.”
— Deuteronomium 19:15

Jezus verwijst eveneens naar het getuigenis van twee in Johannes 8:17. God laat de wereld in haar laatste grote rebellie dus niet zonder een wettig en openbaar getuigenis. Twee door Hem aangestelde profeten spreken, waarschuwen en bevestigen Zijn oordeel.


Dit verklaart hun persoonlijke namen nog niet, maar het laat wel zien dat het getal twee inhoudelijk bij hun functie als getuigen past.



Hun bediening staat in het teken van rouw en waarschuwing


De twee getuigen profeteren „met zakken bekleed”. In de Schrift hoort een zak bij rouw, vernedering, bekering en de aankondiging van oordeel. Ninevé bekleedde zich met zakken toen de stad zich onder Jona’s waarschuwing vernederde. Profeten droegen zulke tekenen wanneer hun boodschap zwaar en ernstig was.


De kleding van de twee getuigen past daarom bij hun tijd. Hun boodschap is geen religieus amusement en hun tekenen zijn geen vertoning. Zij staan in een wereld die Gods waarschuwingen verwerpt, terwijl Zijn oordelen zich steeds zwaarder ontvouwen. Hun zakken maken zichtbaar wat hun profetie verkondigt: de wereld moet zich voor God vernederen.


Openbaring geeft de inhoud van al hun gesproken profetieën niet woordelijk weer. Wij mogen dus geen compleet prekenboek voor hen bedenken. Hun kleding, hun titel en hun macht maken wel duidelijk dat zij namens God waarschuwen en Zijn waarheid spreken.



De twee olijfbomen en de twee kandelaren


Openbaring 11:4 zegt:

„Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan.”

Deze woorden grijpen rechtstreeks terug op Zacharia 4. Zacharia ziet een gouden kandelaar en twee olijfbomen die olie leveren. In dezelfde profetie zegt de HEERE:

„Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.”
— Zacharia 4:6

Aan het einde van het hoofdstuk worden de twee olijftakken beschreven als degenen „die bij den Heere der ganse aarde staan” (Zacharia 4:14). Openbaring zegt overeenkomstig dat de twee getuigen „voor den God der aarde staan”.


De beelden spreken daarom van:


  • Goddelijke aanstelling;
  • voortdurende voorziening;
  • werking door Gods Geest en kracht;
  • lichtdragend getuigenis;
  • en dienst voor Gods aangezicht.


De twee profeten werken niet vanuit politieke invloed, menselijke bescherming of eigen wonderkracht. Zij staan voor God en ontvangen wat voor hun opdracht nodig is rechtstreeks van Hem.


Zijn het dan Zerubbabel en Jozua uit Zacharia’s tijd?


Ook die conclusie volgt niet. Zacharia 3 en 4 staan in de historische omgeving van de hogepriester Jozua en de landvoogd Zerubbabel. Het beeld van de olijfbomen had daar een betekenis voor Gods toenmalige werk. Openbaring neemt dat geïnspireerde beeld opnieuw op voor twee toekomstige profeten.


Maar hergebruik van een beeld is niet hetzelfde als de persoonlijke terugkeer van de mensen uit de eerste vervulling. De tekst zegt niet dat Jozua en Zerubbabel de twee getuigen zijn. Hetzelfde beginsel zal beslissend blijken bij Mozes en Elia: een echt patroon identificeert nog niet automatisch de historische persoon.


Betekenen de kandelaren dat zij twee gemeenten zijn?


Openbaring 1:20 gebruikt kandelaren inderdaad als beeld van zeven gemeenten. Maar een symbool moet telkens worden uitgelegd door zijn eigen context. Openbaring 11 zegt niet: „deze zijn twee gemeenten”. Het zegt later dat zij „deze twee profeten” zijn, beschrijft hun twee lichamen en vertelt hun persoonlijke dood, opstanding en hemelvaart.


Daarom mag de betekenis van de kandelaren uit Openbaring 1 niet zonder de verklaring van Openbaring 11 over deze passage worden gelegd. Hier zijn de kandelaren beelden van het lichtdragende getuigenis van twee werkelijke profeten.



Zij ontvangen gezamenlijk buitengewone macht


Openbaring beschrijft hun bescherming en macht in scherpe bewoordingen:

„En zo iemand hen wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden.”
— Openbaring 11:5

Daarna volgt:

„Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen.”
— Openbaring 11:6

Hun bevoegdheden omvatten:


  • dodelijk vuur tegen aanvallers;
  • de hemel sluiten zodat geen regen valt;
  • wateren in bloed veranderen;
  • de aarde met allerlei plagen slaan;
  • en dit doen gedurende de door God bepaalde dagen van hun profetie.


De tekst zegt niet hoe het vuur natuurkundig uit hun mond komt. Wij hoeven het niet tot moderne wapentechniek, beeldspraak of een technisch systeem om te bouwen. Openbaring presenteert een werkelijk en dodelijk oordeel waarmee God Zijn profeten tegen aanvallers beschermt.


Hun bescherming duurt ook niet willekeurig. Niemand kan hun Godgegeven opdracht voortijdig beëindigen, maar zodra hun getuigenis voltooid is, laat God hun dood toe. Hun onschendbaarheid rust dus niet in henzelf; zij rust in Gods tijd en opdracht.



Een vaak gemist detail: beide getuigen delen de bevoegdheden


Veel uitleggingen verdelen de tekenen als volgt:

Getuige één Getuige twee
sluit de hemel verandert water in bloed
gebruikt vuur brengt plagen
dus Elia dus Mozes

Maar zo verdeelt Openbaring de macht niet. Er staat over hen samen:


  • „Dezen hebben macht den hemel te sluiten”;
  • „zij hebben macht over de wateren”;
  • „de aarde te slaan met allerlei plage”.


Beide profeten worden gezamenlijk met het volledige machtspakket beschreven. De tekst geeft niet aan dat de ene uitsluitend Elia-achtige tekenen en de andere uitsluitend Mozesachtige tekenen doet.


Dat is belangrijk. De wonderen functioneren niet vanzelf als twee persoonlijke naamcodes. Veel eenvoudiger is wat de tekst daadwerkelijk zegt: God geeft twee toekomstige profeten samen een bediening waarin verschillende grote oudtestamentische profetische patronen terugkeren.



Waarom lijkt hun bediening zo sterk op die van Elia?


De Elia-parallellen zijn werkelijk indrukwekkend.

De bediening van Elia De twee getuigen
Elia staat voor de HEERE — 1 Koningen 17:1 Zij staan voor de God der aarde — Openbaring 11:4
Geen regen naar zijn woord — 1 Koningen 17:1 Zij sluiten de hemel zodat geen regen valt — Openbaring 11:6
Droogte van drie jaar en zes maanden — Lukas 4:25; Jakobus 5:17 Zij profeteren 1260 dagen, eveneens drieënhalf profetisch jaar
Vuur verteert aanvallers — 2 Koningen 1 Vuur verteert wie hen wil beschadigen — Openbaring 11:5

Daar komt Maleachi 4:5 bij:

„Ziet, Ik zend ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal.”

Het is daarom volkomen begrijpelijk dat men één getuige zonder aarzeling Elia noemt. Toch is de overeenkomst nog geen bewijs van persoonlijke identiteit.


Johannes de Doper geeft de beslissende uitlegsleutel


De engel zegt vóór Johannes’ geboorte dat hij voor de Heere zal uitgaan:

„in den geest en de kracht van Elias”
— Lukas 1:17

Wanneer Johannes later rechtstreeks wordt gevraagd: „Zijt gij Elias?”, antwoordt hij:

„Ik ben die niet.”
— Johannes 1:21

Toch zegt Jezus over hem:

„En zo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.”
— Mattheüs 11:14

Mattheüs 17 maakt dit nog scherper. Nadat de discipelen hebben gevraagd waarom de Schriftgeleerden zeggen dat Elia eerst moet komen, antwoordt Jezus:

„Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten. Maar Ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend...”
— Mattheüs 17:11-12

De geïnspireerde uitleg volgt onmiddellijk:

„Toen verstonden de discipelen, dat Hij hun van Johannes den Doper gesproken had.”
— Mattheüs 17:13

Alle teksten moeten tegelijk waar blijven:


  • Johannes was niet persoonlijk de historische Elia — Johannes 1:21;
  • Johannes ging uit „in den geest en de kracht van Elias” — Lukas 1:17;
  • Jezus noemt hem werkelijk „Elias, die komen zou” — Mattheüs 11:14;
  • Jezus zegt dat Elia gekomen was, en de discipelen begrijpen dat Hij Johannes bedoelde — Mattheüs 17:12-13.


Dit is geen losse overeenkomst die een uitlegger heeft bedacht. De Schrift Zelf noemt een andere man Elia vanwege de door God gegeven Elia-bediening die hij vervulde. De naam kan in een profetische vervulling dus de rol, geest, kracht en opdracht aanduiden zonder de persoonlijke identiteit van de historische Elia vast te leggen.


Daarmee geeft de Schrift Zelf een belangrijke regel:


Een werkelijke Elia-vervulling kan plaatsvinden zonder dat de historische Elia persoonlijk aanwezig is.


Dat betekent in beginsel dat iedere man die God daartoe aanstelt de Elia-rol kan ontvangen. Niet iedereen kan zichzelf tot Elia verklaren; de aanstelling, geest, kracht en opdracht moeten van God komen. Maar de vervuller hoeft niet de historische Elia te zijn. Johannes de Doper is daarvan het door God gegeven bewijs.


Daarom volgt uit „de bediening lijkt op Elia” niet automatisch: „deze profeet is de historische Elia”. En zelfs wanneer iemand uit Maleachi 4:5 een toekomstige Elia-bediening afleidt, is daarmee de persoonlijke naam van één van de twee getuigen nog niet vastgesteld. Openbaring 11 noemt twee door God aangestelde mannen die gezamenlijk Elia-achtige macht ontvangen. Elk van hen kan die rol vervullen zonder persoonlijk de oudtestamentische Elia te zijn.


Wij mogen daarom krachtig spreken over een werkelijke Elia-bediening. Maar juist Schrift met Schrift verhindert dat wij daaruit de persoonlijke naam „de historische Elia” afleiden.



Waarom lijkt hun bediening ook op die van Mozes?


Openbaring 11:6 noemt twee bijzonder duidelijke Exoduskenmerken:


  • wateren worden in bloed veranderd;
  • de aarde wordt met allerlei plagen geslagen.


Onder Mozes’ bediening veranderden de wateren van Egypte in bloed en werd Egypte getroffen door bloed, kikvorsen, luizen, ongedierte, pest, zweren, hagel, sprinkhanen, duisternis en de dood van de eerstgeborenen. Het taalgebruik van Openbaring roept deze oordelen onmiskenbaar in herinnering.


Toch bewijst ook een Mozespatroon niet dat de historische Mozes terugkeert.


Water in bloed en plagen zijn bovendien geen tekenen die uitsluitend door Mozes ooit kunnen voorkomen. Openbaring 8 en 16 gebruiken hetzelfde Exodusachtige oordeelspatroon bij de bazuinen en fiolen, zonder dat Mozes daar persoonlijk als uitvoerder wordt genoemd. God kan eerdere oordeelspatronen opnieuw inzetten.


Maar Mozes en Elia verschijnen toch samen?


Dat klopt. De combinatie is opvallend.


  • Maleachi 4:4 roept Israël op de wet van Mozes te gedenken en noemt in het volgende vers Elia;
  • bij Christus’ verheerlijking verschijnen Mozes en Elia samen (Mattheüs 17:3);
  • Openbaring 11 bevat zowel Mozesachtige als Elia-achtige machten.


Dit verklaart uitstekend waarom Mozes en Elia de bekendste kandidaten zijn. Maar Maleachi zegt niet: „Ik zal Mozes en Elia als Mijn twee getuigen zenden.” Over Mozes zegt God dat Israël zijn wet moet gedenken; over Elia spreekt Hij van een komende bediening. Ook Mattheüs 17 noemt de twee getuigen niet.


Bewijst de strijd om Mozes’ lichaam zijn toekomstige taak?


Judas 9 noemt de strijd tussen Michaël en de duivel over het lichaam van Mozes. Dat is een opmerkelijke mededeling, maar Judas verklaart niet waarom die strijd plaatsvond. Er staat niet dat Mozes’ lichaam werd bewaard om later 1260 dagen in Jeruzalem te profeteren.


Judas 9 en de verheerlijking laten zien dat Mozes een uitzonderlijke plaats in Gods plan heeft. Zij leggen geen verbinding met Openbaring 11. Daarom blijft ook hier de juiste conclusie: een zeer sterk Mozes-/Exoduspatroon, maar geen bewezen persoonlijke identiteit.



Kan Henoch één van de twee getuigen zijn?


Henoch wordt om een andere reden genoemd dan Mozes en Elia. Genesis 5:24 zegt dat God hem wegnam. Hebreeën 11:5 zegt dat hij werd weggenomen „opdat hij den dood niet zou zien”. Judas 14 vermeldt bovendien zijn profetie over de komst van de Heere met Zijn heilige tienduizenden.


Daaruit wordt vaak deze keten gebouwd:


  1. Henoch is nooit gestorven;
  2. ieder mens moet volgens Hebreeën 9:27 eenmaal sterven;
  3. Henoch heeft daarom nog een sterfbeurt tegoed;
  4. de twee getuigen worden gedood;
  5. dus moet Henoch één van hen zijn.


Maar de eerste stap is geen vaststaand Schriftgegeven. Zij ontstaat doordat aan „de dood niet zien” de uitleg wordt toegevoegd: zijn Adamitische vlees kwam nooit tot zijn einde. Juist die toevoeging houdt geen stand wanneer de Schrift zichzelf verklaart.


Henoch was uit Adam en behoorde tot „alle vlees”


Genesis 5 plaatst Henoch rechtstreeks in Adams geslachtslijn. Jezus zegt:

„Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees...”
— Johannes 3:6

Henoch was dus naar zijn natuurlijke geboorte vlees uit Adam. Over dat vlees zegt God:

„Alle vlees is gras...”
— Jesaja 40:6

En Petrus herhaalt:

„Want alle vlees is als gras... Het gras is verdord...”
— 1 Petrus 1:24

Henoch wordt nergens van „alle vlees” uitgezonderd. Zijn wegneming was bijzonder, maar de Schrift zegt nergens dat zijn Adamitische vlees duizenden jaren levend bleef voortbestaan. Schrift met Schrift legt juist vast dat zijn vergankelijke, vleselijke bestaanswijze tot haar einde kwam.



Dat Henoch ondertussen voor God bleef leven, vormt geen tegenstelling. Jezus zegt over de gelovige:

„Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.”
— Johannes 11:25-26

Dezelfde gelovige kan dus naar het lichaam gestorven zijn en toch leven en in eeuwige zin niet sterven. Het einde van het vergankelijke vlees is niet het einde van de persoon die voor God leeft.


„Hij was niet meer” en „hij werd niet gevonden” bewijzen geen ongestorven lichaam


Genesis zegt dat Henoch „niet meer” was; Hebreeën zegt dat hij „niet gevonden” werd. Die woorden klinken uitzonderlijk, maar de Schrift gebruikt nagenoeg dezelfde formulering elders:

„Maar hij ging door, en ziet, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
— Psalm 37:36

Psalm 37 spreekt daar over een goddeloze wiens einde gekomen is. Dat stelt Henoch uiteraard niet aan die man gelijk. Het bewijst wel wat de bewoording niet bewijst. „Niet meer” en „niet gevonden” zijn geen technische termen voor een lichaam dat levend naar een andere plaats is overgebracht om duizenden jaren later terug te keren. Zij kunnen eenvoudig zeggen dat iemand uit zijn vroegere aardse aanwezigheid is verdwenen.



Ook „God nam hem weg” bewijst niet dat het vlees nooit stierf. Psalm 104:29 zegt juist:

„neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.”

Het aardse leven ligt in Gods hand. Genesis vertelt dat God Henoch uit zijn aardse bestaan wegnam; het zegt niet dat God hem voor een latere dood in Jeruzalem bewaarde.


„De dood niet zien” wordt door Jezus Zelf verklaard


Het sterkst lijkt Hebreeën 11:5:

„Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien...”

Maar Jezus gebruikt precies die uitdrukking breder:

„Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.”
— Johannes 8:51

De Joden antwoorden:

„Abraham is gestorven, en de profeten...”
— Johannes 8:52

Hier staan beide waarheden naast elkaar. Abraham en de profeten waren lichamelijk gestorven, terwijl Christus van de gelovige zegt dat hij de dood niet zal zien. Daarom kan „de dood niet zien” niet betekenen: het lichamelijke vlees komt nooit tot zijn einde. Johannes 11 verklaart hoe beide tegelijk waar zijn: „al ware hij ook gestorven, zal leven” en „zal niet sterven in der eeuwigheid”.


Dit is beslissend voor Henoch. Dat hij „de dood niet zag”, betekent niet dat zijn Adamitische vlees niet tot zijn einde kwam. Het betekent dat Henoch, die God geloofde, God behaagde en met God wandelde, door het einde van zijn vergankelijke vlees niet onder de eeuwige macht van de dood kwam.


Henoch heeft geen openstaande sterfbeurt


Daarmee valt het bekende beroep op Hebreeën 9:27 uiteen. Er hoeft voor Henoch geen nog openstaande lichamelijke dood te worden bedacht. Bovendien zegt 1 Korinthe 15:51 over de levende gelovigen bij de opname uitdrukkelijk: „wij zullen wel niet allen ontslapen”. Hebreeën 9:27 is de algemene door God gestelde orde van menselijk sterven en oordeel; het is geen mechanische regel waarmee wij God verplichten ieder afzonderlijk mens vóór zijn verandering lichamelijk te laten sterven.


Maar zelfs los daarvan zegt Hebreeën 9:27 nergens:


  • dat Henoch naar de aarde moet terugkeren;
  • dat hij naar Jeruzalem moet komen;
  • dat hij 1260 dagen moet profeteren;
  • dat hij door het beest moet worden gedood;
  • of dat hij één van de twee getuigen is.


Henoch heeft bovendien geen specifiek Openbaring-11-profiel. De Schrift verbindt hem nergens met het sluiten van de hemel, drieënhalf jaar droogte, vuur tegen aanvallers, water in bloed, allerlei plagen, de tempel, Jeruzalem, 1260 dagen of twee toekomstige getuigen.


Bij Elia en Mozes bestaan sterke bedieningsparallellen. Bij Henoch ontbreekt zo’n parallel. Zijn kandidatuur rust vrijwel volledig op de gedachte dat hij nog moet sterven. Schrift met Schrift laat zien dat juist die grond niet bestaat. Henoch is daarom geen Schriftuurlijk vast te stellen kandidaat voor Openbaring 11.


De vraag wat de Schrift precies over Henochs wegneming en sterven zegt, wordt afzonderlijk behandeld in: Stierf Henoch?



Kunnen het twee andere of nog onbekende mannen zijn?


Ja. De tekst sluit dat volledig open.


Maar ook hier moeten wij niet verder gaan dan geschreven staat. Openbaring zegt niet:


  • dat zij nooit eerder hebben geleefd;
  • dat zij beslist twee nieuw geboren mannen uit de eindtijd zijn;
  • dat zij uit een bepaalde stam van Israël komen;
  • dat zij uit de gemeente afkomstig zijn;
  • of dat het twee opgestane oudtestamentische profeten zijn.


De meest nauwkeurige formulering is daarom:


Openbaring presenteert twee werkelijke toekomstige profeten, maar openbaart hun namen, afkomst en eerdere persoonlijke geschiedenis niet.


Wij hoeven niet te kiezen tussen onbewezen namen. Waar God ruimte laat, mogen wij die ruimte laten zonder ook maar iets van de geopenbaarde zekerheid te verliezen.



Wanneer treden de twee getuigen op?


Hun persoonlijke namen blijven open, maar de duur van hun opdracht niet. Zij profeteren exact 1260 dagen. Dat is 42 profetische maanden van dertig dagen, oftewel drieënhalf jaar.


Daniëls zeventigste week bestaat uit twee helften. In de inmiddels opgebouwde chronologie vult de bediening van de twee getuigen de eerste 1260 dagen. De 42-maandenmacht van het beest behoort tot de tweede helft.


Deze plaatsing staat niet in één afzonderlijke zin als: „de twee getuigen beginnen op dag één van Daniëls week”. Zij wordt door meerdere lijnen samen vastgelegd:


  1. de getuigen profeteren 1260 dagen;
  2. het beest kan hen pas aanvallen nadat hun getuigenis volledig is voleindigd;
  3. Openbaring 13 geeft het beest vervolgens 42 maanden macht om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen;
  4. de oorlogstaal „krijg aandoen” en „overwinnen” verbindt Openbaring 11 met die laatste beestfase;
  5. hun macht over aarde, water, bloed, hemel en plagen sluit aan op de eerste zes bazuinen;
  6. de aardbewoners zeggen dat juist deze twee profeten hen hadden gepijnigd, terwijl de weeën eveneens tegen de aardbewoners gericht zijn.


Daarmee ontstaat de grote tijdsindeling:

Fase Gebeurtenis
Eerste 1260 dagen De twee getuigen profeteren onder Gods bescherming; bazuinen 1-6 ontvouwen zich
Midden van de week Hun getuigenis is voleindigd; het beest gaat zijn laatste 42-maandenfase in en doodt hen
Eerste 3½ dagen van de tweede helft Hun lichamen liggen in Jeruzalem; de wereld viert feest
Na 3½ dagen God wekt hen op; zij varen zichtbaar ten hemel; een grote aardbeving volgt
Laatste 42 maanden Het beest, de valse profeet, de grote verdrukking en de voleindigende oordelen staan centraal

Een oudere reconstructie plaatste het begin van hun bediening ongeveer drieënhalve dag vóór Daniëls week, omdat Openbaring de zevende bazuin pas na hun opstanding noemt. Die verschuiving is niet nodig. Openbaring vertelt aantoonbaar niet altijd in ononderbroken kalenderorde. Openbaring 11:3-13 behandelt hun hele bediening als één samenhangende episode, kijkt bij hun dood drieënhalve dag over de middenlijn heen en keert daarna terug naar de bazuinreeks. Openbaring 12 bewijst hetzelfde vertelprincipe door na bazuin 7 terug te gaan tot Christus’ geboorte en hemelvaart.


Binnen de cumulatieve architectuur beginnen hun 1260 dagen daarom met de eerste helft, eindigt hun getuigenis op de middenovergang en vallen hun drieënhalve dagen dood aan het begin van de tweede helft.



Zijn de 42 maanden uit Openbaring 11:2 dan dezelfde periode?


Vlak vóór de 1260 dagen van de getuigen zegt Openbaring 11:2 dat de heilige stad 42 maanden door de heidenen zal worden vertreden. Beide perioden duren even lang en staan direct naast elkaar, maar er staat niet dat zij gelijktijdig beginnen.


Openbaring 11 verzamelt verschillende kanten van het middencomplex:


  • de 1260 dagen van de getuigen kijken terug over de eerste helft;
  • de 42 maanden van de vertrapte stad kijken vooruit over de tweede helft;
  • hun dood vormt het scharnier waarop het beest zijn overwinningsfase binnengaat.


Gelijke duur betekent dus niet automatisch dezelfde kalenderperiode. De context moet bepalen welke helft wordt bedoeld.



De twee getuigen en bazuinen 1-6 vormen één oordeelprogramma


De twee getuigen staan niet alleen toevallig gedurende dezelfde eerste helft op aarde als waarin de eerste zes bazuinen klinken. Openbaring verbindt hun macht, hun tijd en de uitwerking van de bazuinen inhoudelijk met elkaar.


Openbaring 11:6 zegt:

„Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen.”

Hun machtsgebied is opvallend breed:


  • de hemel;
  • de wateren;
  • bloed;
  • de aarde;
  • allerlei plagen.


Leg dat naast de eerste zes bazuinen:

Macht van de twee getuigen Oordelen onder bazuinen 1-6
de aarde slaan met plagen bazuin 1 treft aarde, bomen en gras met vuur en bloed
wateren in bloed veranderen bazuin 2 treft de zee en een derde deel wordt bloed
macht over de wateren bazuin 3 treft rivieren en fonteinen der wateren
macht over de hemel bazuin 4 treft zon, maan, sterren, dag en nacht
de aardbewoners pijnigen bazuin 5 pijnigt mensen vijf maanden
allerlei plagen gedurende hun bediening bazuin 6 behoort nog tot dezelfde oordeelsreeks van de eerste helft en doodt een derde deel der mensen

Het patroon beweegt over exact dezelfde terreinen: aarde, wateren, bloed, hemel, plagen en mensen. De macht die Openbaring 11 aan de twee getuigen geeft, past niet slechts losjes bij de bazuinen; zij omvat het hele oordeelsterrein van bazuinen 1-6.


Openbaring 11:10 legt de pijniging rechtstreeks aan hen toe


Na hun dood vertelt God waarom de aardbewoners feestvieren:

„...omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde woonden, gepijnigd hadden.”
— Openbaring 11:10

Dit zegt meer dan dat de wereld hun prediking onaangenaam vond. Openbaring heeft hun zojuist macht gegeven om de aarde „met allerlei plage” te slaan. Vervolgens gebruikt bazuin 5 precies de taal van pijniging:

„...maar dat zij zouden gepijnigd worden vijf maanden...”
— Openbaring 9:5

En de drie laatste bazuinen worden vooraf aangekondigd als weeën voor precies dezelfde groep:

„Wee, wee, wee dengenen, die op de aarde wonen...”
— Openbaring 8:13

De verbinding is daarom rechtstreeks en cumulatief:


  • de bazuinweeën treffen „degenen, die op de aarde wonen”;
  • de vijfde bazuin „pijnigt” mensen;
  • Openbaring 11 zegt dat de twee profeten degenen die op de aarde woonden „gepijnigd hadden”;
  • en de getuigen bezitten tijdens hun 1260 dagen macht om de aarde zo dikwijls als zij willen met allerlei plagen te slaan.


Openbaring 11:10 geeft niet slechts de vijandige mening van mensen weer. De geïnspireerde tekst noemt dit zelf als de reden van hun feest. Vanuit het perspectief van de aardbewoners hebben de twee getuigen dus de pijniging van de eerste zes bazuinen veroorzaakt. Zij zijn de zichtbare profetische uitvoerders en het aardse gezicht van Gods oordeelprogramma.


Eén programma vanuit twee gezichtspunten


Dit levert geen tegenstelling op met de bazuinengelen.


Vanuit het hemelse gezichtspunt:


  • God zendt de oordelen;
  • het zevende zegel opent de bazuinreeks;
  • de engelen bazuinen;
  • en hemelse bevelen bepalen wat er gebeurt.


Vanuit het aardse gezichtspunt:


  • twee zichtbare profeten kondigen Gods waarheid en oordeel aan;
  • God geeft hun macht over dezelfde getroffen terreinen;
  • zij slaan de aarde met allerlei plagen;
  • en de aardbewoners schrijven hun pijniging aan deze twee profeten toe.


God is de uiteindelijke Bron van ieder oordeel. De twee getuigen handelen niet onafhankelijk van Hem. Maar vanuit menselijk perspectief veroorzaken zij de plagen die gedurende hun bediening over de aarde komen. Openbaring zegt daarom niet alleen dat zij naast bazuinen 1-6 optreden; hun bediening en deze zes bazuinoordelen vormen samen één oordeelprogramma van de eerste helft.


De synchronie loopt tot aan bazuin 7


De getuigen beginnen met de eerste 1260 dagen. Bazuinen 1-6 vullen diezelfde eerste helft. Na de volledige episode van hun dood, opstanding en hemelvaart zegt Openbaring:

„Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haastelijk.”
— Openbaring 11:14

Daarop klinkt in vers 15 de zevende bazuin. De vertelvolgorde voltooit eerst de getuigenepisode, inclusief hun drieënhalve dagen dood, en hervat daarna de bazuinreeks. Chronologisch vormt het einde van hun 1260 dagen de middenovergang waarop bazuin 6, het tweede wee, wordt afgesloten en bazuin 7 de laatste helft opent.



Daarmee staat de samenhang vast:

Eerste helft van Daniëls week Middenovergang Tweede helft
twee getuigen profeteren 1260 dagen getuigenis voleindigd; het beest doodt hen bazuin 7 en de laatste 42-maandenfase
bazuinen 1-6 ontvouwen zich tweede wee eindigt derde wee en voleindigende oordelen
aardbewoners worden door hun plagen gepijnigd wereld viert hun dood God wekt hen na 3½ dagen zichtbaar op

De twee getuigen en de eerste zes bazuinen lopen dus synchroon. Dat verklaart de wereldwijde haat tegen hen en maakt Openbaring 11:10 volkomen begrijpelijk.



Pas na voltooiing van hun opdracht kan het beest hen doden


Openbaring 11:7 zegt:

„En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.”

De volgorde is beslissend:


  1. zij profeteren 1260 dagen;
  2. hun getuigenis wordt voleindigd;
  3. daarna voert het beest oorlog tegen hen;
  4. het overwint en doodt hen.


Het beest beëindigt hun opdracht niet. God verklaart hun opdracht eerst voltooid. Pas daarna mag het beest doen wat het gedurende 1260 dagen niet kon.


Hun dode lichamen blijven daarna uiteraard een krachtig openbaar getuigenis vormen. Hebreeën 11:4 zegt zelfs dat Abel na zijn dood nog spreekt. Maar dat maakt de drieënhalve dagen op straat niet tot een deel van hun „1260 dagen profeteren”. Openbaring 11:7 zegt vóór hun dood al dat hun getuigenis is voleindigd.


Dat laat niet de onbeperkte macht van het beest zien, maar juist zijn begrenzing. Geen vijand kan Gods getuigen één dag vóór Gods tijd uitschakelen. Wanneer zij sterven, is God de controle niet kwijt. Hun dood valt binnen Zijn geopenbaarde volgorde en wordt drieënhalve dag later gevolgd door Zijn openbare antwoord.



Waar worden zij gedood?


Hun dode lichamen liggen:

„op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is.”
— Openbaring 11:8

De geografische aanwijzing is doorslaggevend: onze Heere werd in verbinding met Jeruzalem gekruisigd. De grote stad is hier Jeruzalem.


De namen Sodom en Egypte zijn geestelijke namen. Zij veranderen Jeruzalem niet letterlijk in twee andere plaatsen, maar beschrijven haar toestand:


  • Sodom roept verdorvenheid en rijpheid voor oordeel op;
  • Egypte roept verdrukking, afgoderij en verzet tegen God op;
  • „waar ook onze Heere gekruisigd is” legt de historische stad vast.


Dit past bij de directe omgeving van Openbaring 11, waarin de tempel, het altaar, de voorhof en de heilige stad worden genoemd. Het is daarom zeer aannemelijk dat hun bediening in Jeruzalem is geconcentreerd. De tekst zegt echter niet dat zij gedurende alle 1260 dagen nooit ergens anders komen. Wat vaststaat, is dat hun lichamen in Jeruzalem op straat liggen.



Waarom viert de wereld hun dood?


Openbaring beschrijft een huiveringwekkende reactie:

„En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde woonden, gepijnigd hadden.”
— Openbaring 11:10

Volken, geslachten, talen en naties zien hun lichamen drieënhalve dag en laten niet toe dat zij begraven worden. De aardbewoners maken van hun dood een wereldwijde feestdag.


God vertelt Zelf waarom: deze profeten hadden de aardbewoners gepijnigd. Hun bediening was dus niet een onopvallende plaatselijke activiteit. Zij stonden zichtbaar aan de kant van Gods waarheid en oordelen. Hun macht over aarde, water, hemel en plagen maakte hen tot het gehate aardse gezicht van Gods waarschuwing.


Na de verbinding met bazuinen 1-6 wordt dit nog scherper. De wereld viert niet alleen de dood van twee lastige predikers. Vanuit haar eigen aardse gezichtspunt zijn de mannen gestorven die 1260 dagen de bazuinplagen over haar brachten. Hemels gezien kwamen de oordelen van God en klonken de bazuinen door engelen. Menselijk gezien veroorzaakten deze twee profeten de pijniging. Openbaring 11:10 bevestigt dat perspectief uitdrukkelijk.


De Schrift zegt niet door welke technologie of communicatiemiddelen volken hun lichamen zien. Wij hoeven geen satellieten, livestreams of toekomstige uitvindingen in de tekst te schrijven. God openbaart het bereik van de gebeurtenis, niet het technische middel.


De wereld denkt na hun dood eindelijk van Gods profetische stem verlost te zijn. Mensen begraven hen niet, verheugen zich en sturen elkaar geschenken. Hun feest maakt zichtbaar hoe diep de mensheid Gods waarheid haat wanneer zij zich niet wil bekeren.


Deze openbare overwinning op twee tot dan toe onaantastbare profeten kan bovendien zeer goed bijdragen aan de bewondering voor het beest: „Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve?” (Openbaring 13:4). De Schrift zegt niet uitdrukkelijk dat hun dood dé oorzaak van die wereldwijde bewondering is. De samenhang is echter opvallend: de macht die 1260 dagen niemand kon breken, lijkt door het beest te worden verslagen juist wanneer zijn laatste machtsfase begint.



Hun schijnbare nederlaag duurt slechts drieënhalve dag


Dan keert alles om:

„En na die drie dagen en een halven is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden.”
— Openbaring 11:11

Vervolgens horen zij een grote stem uit de hemel:

„Komt herwaarts op.”

En:

“Gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend.”

— Openbaring 2:13

Zelfs toen Antipas, Christus’ getrouwe getuige, werd gedood, bleef de gemeente Zijn Naam vasthouden. Maar zij verdroeg mensen die de leer van Bileam en de leer van de Nikolaïeten vasthielden.



De formulering is belangrijk. Christus zegt:

“Gij hebt aldaar, die de lering van Balaäm houden.”

En:

„zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen.”
— Openbaring 11:12

God rechtvaardigt Zijn getuigen openlijk:


  • de wereld ziet hen dood;
  • de wereld viert;
  • God geeft hun leven;
  • zij staan voor hun vijanden op;
  • Gods stem roept hen;
  • zij varen zichtbaar ten hemel.


Hun 1260-daagse getuigenis wordt gevolgd door slechts drieënhalve dag schijnbare overwinning van het beest. Het beest kan hen doden nadat God het toestaat, maar kan hun opstanding of hemelvaart niet verhinderen.


Dit is niet de opname van de gemeente. Het gaat om twee gedode profeten die na drieënhalve dag worden opgewekt en voor hun vijanden ten hemel varen. De opname van het lichaam van Christus betreft de doden in Christus en de levende gelovigen samen en vindt vóór Daniëls zeventigste week plaats.


Wat gebeurt direct daarna?


In hetzelfde uur volgt een grote aardbeving. Een tiende deel van de stad valt en zevenduizend namen van mensen worden gedood. De overigen worden zeer bevreesd en geven de God des hemels heerlijkheid (Openbaring 11:13).


De tekst zegt niet uitdrukkelijk dat al deze overigen daardoor wedergeboren worden. Mensen kunnen onder overweldigend oordeel Gods macht erkennen zonder dat iedere erkenning automatisch reddend geloof is. Wij mogen hun vrees en hun woorden laten staan zonder er een niet-genoemde massabekering van te maken.


Daarna zegt Openbaring 11:14 dat het tweede wee is weggegaan en het derde wee haastig komt. In vers 15 klinkt de zevende bazuin. Binnen de vertelstructuur sluit Johannes daarmee de volledige getuigenepisode af en hervat hij de bazuinreeks. Dat verklaart waarom de episode eerst hun opstanding na 3½ dagen voltooit, terwijl de cumulatieve tijdlijn bazuin 7 al bij de middenovergang plaatst.



Ware profeten tegenover de valse profeet


Rond de middenovergang ontstaat een scherpe geestelijke tegenstelling.


Tijdens de eerste 1260 dagen staan Gods twee ware profeten centraal. Zij spreken namens God, ontvangen hun macht van Hem en worden door de aardbewoners gehaat.


In de laatste 42 maanden treedt de valse profeet op de voorgrond. Hij doet grote tekenen, laat zelfs vuur uit de hemel neerdalen, misleidt de aardbewoners en brengt hen tot aanbidding van het beest (Openbaring 13:11-17).

Twee ware getuigen De valse profeet
door God aangesteld spreekt als de draak
bevestigen Gods waarheid misleidt de aardbewoners
oordelen aanvallers met vuur gebruikt vuur als misleidend teken
worden door de wereld gehaat wordt door het beestsysteem ontvangen
wijzen naar Gods heerschappij dwingt aanbidding van het beest af

Dezelfde aardbewoners die Gods ware profeten verwerpen en hun dood vieren, worden daarna door de valse profeet verleid. Dat is de geestelijke ernst van de overgang: wie de waarheid niet liefheeft, wordt niet neutraal; hij wordt vatbaar voor de leugen.


Het contrast bewijst niet dat de valse profeet zich letterlijk als Elia voordoet. Het laat wel zien dat satanische wondermacht beroemde profetische tekenen kan nabootsen en in dienst van valse aanbidding kan stellen.



De twee getuigen zijn niet de 144.000


Beide groepen dienen God tijdens Daniëls zeventigste week, maar Openbaring houdt hen duidelijk uit elkaar.

De twee getuigen De 144.000
twee profeten 144.000 dienstknechten
afkomst niet genoemd uit twaalf genoemde stammen van Israël
profeteren exact 1260 dagen geen eigen bedieningsduur genoemd
specifieke macht over hemel, water en plagen verzegeld aan hun voorhoofden
na voltooide getuigenis door het beest gedood later als volledige groep met het Lam getoond
na 3½ dagen opgewekt en opgenomen persoonlijke levensloop niet afzonderlijk beschreven

Zij horen bij hetzelfde Goddelijke eindtijdprogramma, maar hebben onderscheiden identiteiten en opdrachten. Wij mogen de evangelistische waarheidsgetuigenis van de 144.000 niet gebruiken om hen met deze twee profeten te vereenzelvigen.



Wat weten we zeker — en wat niet?


Een volledig antwoord kan nu scherp worden afgebakend.


Wat God rechtstreeks heeft geopenbaard


  • Het zijn twee werkelijke profeten.
  • God noemt hen „Mijn twee getuigen”.
  • Zij profeteren 1260 dagen.
  • Zij zijn met zakken bekleed.
  • Zij worden twee olijfbomen en twee kandelaren genoemd.
  • Zij staan voor de God der aarde.
  • Zij ontvangen gezamenlijk macht over hemel, wateren, bloed en plagen.
  • Wie hen vóór Gods tijd probeert te beschadigen, wordt gedood.
  • Het beest kan hen pas doden nadat hun getuigenis is voleindigd.
  • Hun lichamen liggen 3½ dagen in Jeruzalem.
  • Volken zien hun lichamen en de aardbewoners vieren feest.
  • De aardbewoners vieren hun dood omdat deze twee profeten hen hadden gepijnigd.
  • God wekt hen zichtbaar op.
  • Zij horen Gods roep en varen in een wolk ten hemel.
  • Hun vijanden aanschouwen dit.
  • Daarna volgt een grote aardbeving.


Wat de gezamenlijke Schriftlijnen stevig vastleggen


  • Zij zijn concrete personen en geen twee abstracte boeken, instellingen of tijdperken.
  • Hun bediening wordt door Gods Geest en voorziening gedragen, zoals het beeld uit Zacharia 4 laat zien.
  • Hun macht bevat zeer sterke Elia- en Mozes-/Exoduspatronen.
  • Die patronen worden aan beide getuigen gezamenlijk toegekend.
  • Johannes de Doper bewijst dat een andere door God aangestelde man werkelijk de Elia-rol kan vervullen zonder persoonlijk de historische Elia te zijn.
  • Henochs Adamitische vlees kwam tot zijn einde; „de dood niet zien”, „niet meer” en „niet gevonden” bewijzen geen levend gebleven lichaam of openstaande sterfbeurt.
  • Hun 1260 dagen vullen binnen de vastgelegde profetische architectuur de eerste helft van Daniëls zeventigste week.
  • Hun 1260 dagen lopen synchroon met bazuinen 1-6.
  • Hun macht over hemel, wateren, bloed, aarde en plagen sluit rechtstreeks aan op het oordeelsterrein van die bazuinen.
  • Vanuit hemels gezichtspunt oordeelt God en bazuinen de engelen; vanuit het gezichtspunt van de aardbewoners veroorzaken de twee getuigen de pijniging en vormen zij het zichtbare profetische gezicht van dit oordeelprogramma.
  • Hun dood vormt de overgang naar de laatste 42-maandenmacht van het beest.
  • Hun 3½ dagen dood vallen aan het begin van de tweede helft.
  • De grote stad waar zij sterven is Jeruzalem.


Wat God niet heeft geopenbaard


  • Hun persoonlijke namen.
  • Of één van hen de historische Elia is.
  • Of één van hen de historische Mozes is.
  • Of één van hen Henoch is.
  • Of zij ooit eerder op aarde hebben geleefd.
  • Hun natuurlijke afkomst, stam of familie.
  • Hun leeftijd wanneer hun bediening begint.
  • De precieze inhoud van iedere profetische boodschap.
  • Of zij alle 1260 dagen uitsluitend in Jeruzalem blijven.
  • Hoe de wereld hun lichamen technisch te zien krijgt.
  • Het exacte natuurkundige mechanisme van het vuur uit hun mond.
  • Dat iedereen die na de aardbeving God heerlijkheid geeft daardoor ook gered is.


Deze grenzen maken de hoofdconclusie niet vaag. Integendeel. Wij kunnen alles wat God wél zegt krachtig verkondigen, juist omdat wij weigeren menselijke namen en details aan Zijn woorden toe te voegen.



Waarom openbaart God hun namen niet?


Openbaring vertelt opmerkelijk veel:


  • hoeveel getuigen er zijn;
  • hoe lang zij dienen;
  • wat zij dragen;
  • voor Wie zij staan;
  • welke macht zij ontvangen;
  • waarom de wereld hen haat;
  • wanneer het beest hen kan doden;
  • waar hun lichamen liggen;
  • hoelang zij dood zijn;
  • hoe zij opstaan;
  • en hoe zij ten hemel varen.


Maar hun namen ontbreken.


Dat verschuift de nadruk van onze nieuwsgierigheid naar Gods bedoeling. De belangrijkste vraag is niet: „Welke beroemde mannen zijn dit?” De belangrijkste vragen zijn:


  • Van Wie zijn zij?
  • Wie geeft hun macht?
  • Wiens woorden spreken zij?
  • Wie bepaalt het begin en einde van hun opdracht?
  • Wie wekt hen uit de dood op?


Op al deze vragen is het antwoord: God.


Hun diepste identiteit ligt daarom niet in een naam die wij raden, maar in de woorden waarmee God hen Zelf opeist:

„Mijn twee getuigen.”


De twee getuigen en het Evangelie


De toekomstige bediening van deze profeten laat zien dat God zelfs midden in oordeel blijft spreken. Hij waarschuwt de wereld 1260 dagen door twee zichtbare getuigen. Mensen ontvangen waarheid, tekenen en oordelen, maar velen bekeren zich niet. Uiteindelijk vieren zij zelfs de dood van Gods boodschappers.


Dat legt ook nu een ernstige verantwoordelijkheid op ons. Een mens wordt niet gered door meer profetische kennis, indrukwekkende tekenen of het meemaken van bovennatuurlijke gebeurtenissen. Wie Gods waarheid verwerpt, kan zelfs het duidelijkste getuigenis haten.


Gods centrale boodschap van redding is het Evangelie van Zijn Zoon. Jezus Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag lichamelijk uit de doden op (1 Korinthe 15:3-4). Hij betaalde de volledige schuld van de zondaar.


Eeuwig leven wordt niet verdiend door goede werken, kerkbezoek, volharding of het overleven van toekomstige oordelen. Jezus zegt:

„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

Wie op Christus alleen vertrouwt, ontvangt eeuwig leven als Gods gave. De gelovige hoeft niet te wachten op de twee getuigen en hoeft Daniëls zeventigste week niet te proberen overleven. Het lichaam van Christus wordt vóór die periode tot de Heere opgenomen.


Wacht daarom niet op toekomstige tekenen. Geloof nu in de Heere Jezus Christus. Dezelfde God Die Zijn twee getuigen zal opwekken, heeft Zijn Zoon uit de dood opgewekt en biedt door Hem vandaag volledige en eeuwige redding aan.



Conclusie


Wie zijn de twee getuigen?


Zij zijn twee werkelijke toekomstige profeten die God gedurende de eerste 1260 dagen van Daniëls zeventigste week als Zijn getuigen inzet. Zij staan voor de God der aarde, profeteren in zakken en ontvangen gezamenlijk macht om de hemel te sluiten, water in bloed te veranderen en de aarde met plagen te slaan. Niemand kan hun opdracht vóór Gods tijd beëindigen.


Hun bediening draagt onmiskenbaar kenmerken van Elia en Mozes. De droogte, de drieënhalfjarige periode en het vuur herinneren sterk aan Elia. Water in bloed en allerlei plagen herinneren sterk aan Mozes en Exodus. Zacharia 4 verklaart hun Goddelijke aanstelling en Geestesbekrachtiging. Hun 1260 dagen lopen bovendien synchroon met bazuinen 1-6. Vanuit de hemel oordeelt God door het bazuinprogramma; vanuit menselijk perspectief veroorzaken deze profeten de pijniging. Daarom zegt Openbaring 11:10 dat juist zij degenen die op de aarde woonden hadden gepijnigd.


Maar Openbaring noemt hen niet Elia en Mozes. Johannes de Doper was nadrukkelijk niet de historische Elia, terwijl hij in Elia’s geest en kracht kwam en door Jezus werkelijk „Elias, die komen zou” werd genoemd. De Schrift bewijst daarmee dat God de Elia-rol aan een andere man kan geven. Een ware Elia-bediening is dus geen persoonlijke naamcode. Mozesachtige oordelen zijn dat evenmin.


Ook Henoch kan niet vanuit de Schrift worden ingevuld. Hij was vlees uit Adam en viel onder Gods uitspraak dat alle vlees als gras is en verdort. Christus gebruikt „de dood niet zien” voor gelovigen terwijl Abraham en de profeten lichamelijk gestorven waren. Psalm 37 bewijst bovendien dat „niet meer” en „niet gevonden” geen technische termen zijn voor een levend gebleven lichaam. Henoch heeft daarom geen nog openstaande sterfbeurt die hem naar Openbaring 11 brengt, en hij bezit geen specifiek Openbaring-11-profiel. Ook Jozua en Zerubbabel worden niet als deze toekomstige profeten geïdentificeerd.


Pas wanneer hun getuigenis volledig is voleindigd, mag het beest hen doden. Hun lichamen liggen drieënhalve dag in Jeruzalem. De wereld viert feest, maar God wekt hen voor het oog van hun vijanden op en roept hen ten hemel. Zo blijkt dat hun dood geen overwinning op God was. Het beest handelde slechts binnen de grens die God had gesteld.


De definitieve Schriftuurlijke conclusie is daarom eenvoudig en sterk:


Hun bediening is geopenbaard. Hun persoonlijke namen niet.


God vraagt ons niet te raden wie zij zijn. Hij vraagt ons te geloven wat Hij over hen heeft gezegd. Zij zijn van Hem, hun macht komt van Hem, hun tijd wordt door Hem bepaald en hun laatste openbare rechtvaardiging komt van Hem.


De wereld zal hen „deze twee profeten” noemen. God noemt hen „Mijn twee getuigen”. Dat is de identiteit die werkelijk telt.