De Antichrist is al in de eerste helft van Daniëls week aanwezig en komt op als de kleine hoorn. Na de wegneming van de Wederhouder ontvouwt zich een afval- en misleidingsproces dat uitloopt op zijn volle openbaring. Vanaf het midden ontvangt het beest 42 maanden absolute macht, totdat Christus hem bij Zijn komst vernietigt.
Wanneer wordt de Antichrist geopenbaard?
De toekomstige Antichrist verschijnt volgens de Schrift niet op één dag uit het niets als absolute heerser over de gehele wereld.
De profetieën laten een ontwikkeling zien.
Eerst wordt zijn openbaring nog tegengehouden. Wanneer die wederhouding op Gods bepaalde tijd verdwijnt, wordt de ongerechtige geopenbaard. Vervolgens zien Daniël en Openbaring hem politiek opkomen binnen een toekomstige wereldorde van tien koningen. Hij is reeds actief wanneer Daniëls zeventigste week begint en hij versterkt het verbond voor die ene week. Pas in het midden breekt hij die orde openlijk, stopt hij de offerdienst en vertoont hij zich in Gods tempel alsof hij God is.
Daarna ontvangt het beest zijn afgemeten machtsperiode van precies 42 maanden.
De hoofdvolgorde is daarom:
wederhouding → opname en het verdwijnen van de wederhouding → doorbrekende afval en politieke opkomst → verbond voor één week → middenweekse tempeldaad → 42 maanden volle beestmacht en beestaanbidding → vernietiging door Christus.
Deze fasen moeten niet worden samengeperst tot één enkel moment. Tegelijk moeten wij geen kalenderdata invullen die God niet heeft genoemd. De volgorde staat veel scherper vast dan de exacte afstand tussen iedere stap.
Eerst een noodzakelijke verduidelijking over de naam „Antichrist”
Johannes schrijft dat er reeds vele antichristen zijn en dat de geest van de antichrist in de wereld is (1 Johannes 2:18,22; 4:3). Hij verbindt die benaming in het bijzonder met het loochenen van Jezus als de Christus en met het loochenen van de Vader en de Zoon.
De naam „Antichrist” wordt daarom algemeen gebruikt voor de laatste persoonlijke eindheerser. De profetische gedeelten noemen hem echter met verschillende aanduidingen:
- de komende vorst;
- de kleine hoorn;
- de mens der zonde;
- de zoon des verderfs;
- de ongerechtige of wetteloze;
- het beest.
Dat zijn niet zonder bewijs zes verschillende eindtijdfiguren. De gezamenlijke kenmerken verbinden deze beschrijvingen met elkaar.
| Daniël | Paulus | Openbaring |
|---|---|---|
| Een komende vorst tast offer en heiligdom aan | De mens der zonde zet zich in Gods tempel en vertoont zich als God | Het beest opent zijn mond tot godslastering |
| De kleine hoorn spreekt woorden tegen de Allerhoogste | De ongerechtige verheft zich boven al wat God genaamd wordt | Het beest lastert Gods Naam en tabernakel |
| Hij voert krijg tegen de heiligen en overwint hen | Zijn toekomst is naar de werking van Satan | De draak geeft het beest zijn kracht, troon en grote macht |
| Zijn bijzondere vervolgingsfase duurt een tijd, tijden en een gedeelte van een tijd | Christus vernietigt hem door de verschijning van Zijn komst | Het beest ontvangt 42 maanden en wordt bij Christus’ komst vernietigd |
Dezelfde godslastering, dezelfde strijd tegen Gods heiligen, dezelfde satanische eindmacht, dezelfde periode van drieënhalf jaar en hetzelfde einde bij Christus’ komst leggen cumulatief vast dat wij naar dezelfde laatste wereldheerser kijken.
De verborgenheid werkt al, maar de ongerechtige is nog niet geopenbaard
Paulus geeft in 2 Thessalonicenzen 2 de eerste grote tijdsgrens:
„En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden...”
— 2 Thessalonicenzen 2:6-8
Paulus onderscheidt hier twee werkelijkheden.
De verborgenheid der ongerechtigheid werkt reeds.
De satanische opstand tegen God begon niet pas in de eindtijd. De geest van de antichrist is reeds werkzaam. Leugen, afval en verzet tegen Christus bestaan nu al.
Maar tegelijk geldt:
de uiteindelijke ongerechtige wordt nog wederhouden.
De werking van de ongerechtigheid in het algemeen is daarom niet hetzelfde als de openbare profetische loopbaan van de mens der zonde. Het mysterie werkt al; de eindheerser kan zijn vastgestelde eindfunctie nog niet vrij uitoefenen.
Wanneer wordt hij volgens Paulus geopenbaard?
Het rechtstreekse antwoord van 2 Thessalonicenzen 2 luidt:
nadat de huidige wederhouding uit het midden is weggedaan, en precies op de tijd die God daarvoor heeft bepaald.
Paulus zegt tweemaal dat hij geopenbaard zal worden. Eerst zegt hij dat de wederhouding dient om te verhinderen dat hij vóór „zijn eigen tijd” verschijnt. Daarna volgt de volgorde:
- er is nu een wederhouding;
- degene die wederhoudt, wordt uit het midden weggedaan;
- dán wordt de ongerechtige geopenbaard.
De Antichrist bepaalt zijn eigen uur dus niet. Satan kan hem bekrachtigen, maar Satan kan Gods tijdslot niet verbreken. Zijn verschijning vindt plaats onder Gods soevereine begrenzing.
Wat Paulus hier niet noemt, is een kalenderdatum. Hij zegt niet waar deze openbaring in uren of dagen ligt ten opzichte van het begin van Daniëls zeventigste week.
Hij schrijft evenmin in één afzonderlijke zin: „de wederhouder is de Heilige Geest in de gemeente.” Maar de identiteit hoeft daarom niet onbekend te blijven. De Schrift verklaart Schrift, en de gezamenlijke lijnen wijzen hier krachtig in één richting.
Wie is de wederhouder?
De sterkste cumulatieve conclusie is:
de wederhouder is de Heilige Geest in Zijn bijzondere gemeente-bediening, werkend in en door het lichaam van Christus.
De Heilige Geest is de persoonlijke, Goddelijke Wederhouder. De door Hem bewoonde gemeente is in deze bedeling Zijn aardse woonstede en het lichaam waardoor die wederhoudende bediening functioneert.
Dat verklaart ook waarom Paulus eerst spreekt over „wat” wederhoudt en daarna over „Die” wederhoudt. De tekst geeft een wederhoudende werkelijkheid én een handelende Persoon. Dat past nauwkeurig bij:
- de door de Geest gevormde en bewoonde gemeente als wederhoudende aanwezigheid;
- de Heilige Geest Zelf als Degene Die door haar heen wederhoudt.
De grammaticale wisseling bewijst deze identificatie niet in haar eentje. Zij sluit er echter bijzonder goed op aan en wordt door de rest van de Schrift gedragen.
De Heilige Geest heeft de gemeente tot één lichaam gevormd
Paulus schrijft:
„Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt...”
— 1 Korinthe 12:13
De gemeente is niet alleen een menselijke vereniging die goddeloosheid probeert af te remmen. Zij is een bovennatuurlijk lichaam dat door de Heilige Geest Zelf is gevormd.
De Heilige Geest woont in de gemeente
Over de gemeente zegt Paulus:
„Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?”
— 1 Korinthe 3:16
En Efeze 2 beschrijft de gelovigen als een gebouw dat opgroeit tot een heilige tempel in de Heere:
„Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.”
— Efeze 2:22
De afzonderlijke gelovige is eveneens een tempel van de Heilige Geest (1 Korinthe 6:19). De Geest verzegelt de gelovigen tot de dag der verlossing (Efeze 1:13-14; 4:30), en Christus beloofde dat de andere Trooster bij hen zou blijven in eeuwigheid (Johannes 14:16-17).
De bijzondere werkelijkheid van de huidige bedeling is daarom:
God woont door Zijn Geest blijvend in het lichaam van Christus op aarde.
De gemeente wordt vóór de komende toorn en vóór Daniëls volledige week opgenomen
De gemeente is niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid door onze Heere Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5:9). Christus verlost haar van de toekomende toorn (1 Thessalonicenzen 1:10) en belooft haar te bewaren uit de ure der verzoeking die over de gehele wereld zal komen (Openbaring 3:10).
De opname wordt rechtstreeks beschreven in 1 Thessalonicenzen 4:16-17. De doden in Christus staan op; de levende gelovigen worden samen met hen opgenomen, de Heere tegemoet in de lucht. De verdere Schriftlijnen plaatsen deze opname vóór Daniëls volledige zeventigste week, waarna Gods bepaalde programma over Israël en Jeruzalem zijn laatste zeven jaren ingaat.
Bij de opname verdwijnt daarom niet zomaar een menselijke organisatie. Het door de Heilige Geest gevormde, bewoonde en verzegelde lichaam van Christus wordt van de aarde weggenomen.
De Schriftlijnen voor het tijdstip van die wegneming zijn afzonderlijk uitgewerkt in: Wordt de Gemeente vóór Daniëls zeventigste week opgenomen?
Daarna kan de mens der zonde worden geopenbaard
Leg nu de lijnen naast elkaar:
- gedurende de gemeenteperiode woont de Heilige Geest in het lichaam van Christus op aarde;
- de mens der zonde wordt in diezelfde huidige periode wederhouden;
- de gemeente wordt vóór Daniëls volledige zeventigste week van de aarde opgenomen;
- daarmee verdwijnt de door de Geest bewoonde gemeente als aardse wederhoudende macht;
- na het wegdoen van deze wederhouding wordt de ongerechtige geopenbaard;
- bij het begin van de zeventigste week is hij reeds handelend aanwezig en versterkt hij het verbond voor één week.
Deze lijnen komen niet toevallig naast elkaar uit. Zij verklaren waarom de wetteloze zijn profetische loopbaan niet kan beginnen zolang Gods door de Geest bewoonde lichaam nog in zijn huidige aardse positie aanwezig is.
Daarom is de Heilige Geest in en door de gemeente niet slechts één vrijblijvende mogelijkheid tussen vele gelijkwaardige kandidaten. Het is de identificatie die de gehele overgang van gemeenteperiode naar Daniëls zeventigste week verklaart.
Waarom menselijke overheid de wederhouder niet voldoende verklaart
Romeinen 13 leert dat de overheid het kwade behoort te bestraffen. Toch verdwijnt menselijke overheid niet vóór de openbaring van de Antichrist. Daniël en Openbaring tonen juist een wereldorde met tien regerende koningen waarbinnen de kleine hoorn opkomt.
Overheid blijft dus bestaan en wordt uiteindelijk onder het beest gecentraliseerd. Zij verklaart niet waarom de wederhouding eerst uit het midden moet worden weggedaan voordat de mens der zonde kan worden geopenbaard.
Waarom Michaël niet de sterkste identificatie is
Michaël is een machtige hemelse vorst die bijzonder met Israël verbonden is. Daniël 12:1 zegt dat hij in de tijd van de grote benauwdheid voor Daniëls volk staat. Openbaring 12 toont hem bovendien strijdend tegen de draak wanneer Satan naar de aarde wordt geworpen.
Michaël verdwijnt dus niet eenvoudig uit het toneel vóór de eindtijd. Hij treedt juist handelend op in het middenweekse conflict. De Schrift verbindt hem met Israëls bescherming en de strijd tegen Satan, maar noemt hem nergens de bijzondere inwonende macht van de huidige gemeenteperiode.
De Heilige Geest in de gemeente past daarom veel vollediger bij zowel de huidige wederhouding als de overgang naar Daniëls programma met Israël.
Verdwijnt de Heilige Geest dan van de aarde?
Nee. Dat zou verder gaan dan de Schrift en zelfs botsen met wat zij rechtstreeks over God en over toekomstige gelovigen leert.
David zegt:
„Waar zou ik heengaan voor Uw Geest, en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?”
— Psalm 139:7
De Heilige Geest is God. Hij is niet geografisch opgesloten in de gemeente en houdt bij de opname niet op alomtegenwoordig te zijn. Hij werkte reeds vóór het ontstaan van de gemeente: de Geest Gods zweefde op de wateren (Genesis 1:2), kwam over oudtestamentische dienstknechten en bewerkte het Woord en werk van God.
Ook tijdens Daniëls zeventigste week worden mensen gered. Openbaring 7 toont een grote schare uit alle natiën, geslachten, volken en talen die uit de grote verdrukking komt. Maar niemand wordt zonder de Heilige Geest wedergeboren. Christus zei:
„Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.”
— Johannes 3:5
De Geest moet tijdens die periode dus nog overtuigen, levend maken, toerusten en Gods dienstknechten bekrachtigen. De 144.000 dienen God, de twee getuigen profeteren en ontelbaren worden gered.
Wat bij de opname eindigt, is daarom niet:
de aanwezigheid of iedere werkzaamheid van de Heilige Geest op aarde.
Wat eindigt, is:
Zijn bijzondere, inwonende en wederhoudende bediening in en door de gemeente als het lichaam van Christus op aarde.
De Geest blijft God. De opgenomen gemeente blijft voor eeuwig door Hem bewoond. En op aarde kan Hij opnieuw werken overeenkomstig Gods profetische handelen met Israël en de volken. Maar de unieke gemeente-tempel die in deze bedeling tussen de volledige openbaring van de mens der zonde en de wereld staat, is dan van de aarde weggenomen.
Wat is „de afval” — en wanneer ontwikkelt die zich?
Paulus opent dit hoofdstuk met twee zaken die bij elkaar horen:
„En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem...”
— 2 Thessalonicenzen 2:1
„Onze toevergadering tot Hem” is de opname: de doden in Christus staan op en de levende gelovigen worden samen met hen opgenomen, de Heere tegemoet in de lucht (1 Thessalonicenzen 4:16-17). Paulus schrijft vervolgens niet dat deze samenkomst pas kan plaatsvinden nadat de afval en de mens der zonde verschenen zijn. Hij bestrijdt de misleiding alsof „de Dag van Christus aanstaande ware” — reeds aanwezig was — en noemt kenmerken waardoor die bewering onmogelijk waar kon zijn (2 Thessalonicenzen 2:2-4).
In dat verband schrijft hij:
„Dat u niemand verleide in enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs...”
— 2 Thessalonicenzen 2:3
De opname is dus reeds duidelijk genoemd in vers 1. Het verdwijnen van de wederhouding in vers 7 beschrijft de profetische uitwerking daarvan: de door de Geest bewoonde gemeente wordt weggenomen en de wetteloze kan op Gods tijd naar voren treden. Er is daarom geen noodzaak om „de afval” tot een derde benaming voor diezelfde opname te maken.
Het hoofdstuk eindigt bij een ander geopenbaard moment. De Heere zal de ongerechtige uiteindelijk tenietmaken „door de verschijning Zijner toekomst” (vers 8). Vers 1 ziet op de toevergadering van de gemeente tot Christus; vers 8 op Christus’ openbare verschijning aan het einde van de verdrukking, wanneer Hij de inmiddels volledig geopenbaarde wetteloze vernietigt. Door die twee momenten te onderscheiden, wordt zichtbaar dat Paulus in één hoofdstuk de hele lijn overziet: van de opname en het verdwijnen van de wederhouding tot de openlijke wederkomst en het einde van het beest.
De context vult zelf in wat voor afval dit is
Paulus’ eigen woorden tekenen een geestelijke en morele opstand tegen God:
- de verborgenheid der ongerechtigheid werkt reeds;
- de mens der zonde verheft zich boven al wat God genaamd wordt;
- zijn optreden is naar de werking van Satan, met tekenen en wonderen der leugen;
- mensen gaan verloren omdat zij „de liefde der waarheid niet aangenomen hebben”;
- God zendt hun een kracht der dwaling, zodat zij „de leugen” geloven;
- zij worden geoordeeld omdat zij de waarheid niet geloofd, maar een welbehagen in de ongerechtigheid gehad hebben (2 Thessalonicenzen 2:3-12).
Dat is meer dan een neutraal vertrek. Het is de grote eindtijdige verwerping van Gods waarheid en de omhelzing van de satanische leugen. De tegenstelling in het hoofdstuk is scherp: waarheid tegenover leugen, geloof tegenover verwerping, Christus tegenover de mens der zonde.
De afval en de openbaring van de Antichrist ontwikkelen zich samen
Vers 8 zegt: „En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden.” Dat hoeft niet te betekenen dat zijn gehele profetische identiteit en wereldmacht in één ogenblik volledig zichtbaar zijn. Daniël laat juist een ontwikkeling zien. Eerst komt de kleine hoorn tussen de tien op; vervolgens worden drie koningen voor hem vernederd; in het midden grijpt hij de offerdienst aan en pas daarna bezit hij zijn volle 42-maandsmacht (Daniël 7:8,20,24-25; 9:27; Openbaring 13:5-8; 17:12-17).
Ook de afval heeft een ontwikkeling. Jezus plaatst vóór de gruwel in de heilige plaats reeds een periode waarin velen geërgerd worden, elkaar overleveren en haten, valse profeten velen verleiden, de ongerechtigheid vermenigvuldigt en de liefde van velen verkoelt (Mattheüs 24:9-15). Dat sluit nauwkeurig aan bij Paulus’ beschrijving van waarheidverwerping, verleiding en toenemende ongerechtigheid.
De lijnen lopen daarom parallel:
- na de opname verdwijnt de huidige wederhoudende gemeente-bediening;
- de verborgen werkende ongerechtigheid kan openlijk doorbreken;
- de mens der zonde wordt toegelaten en komt als kleine hoorn politiek op;
- gedurende de eerste helft rijpt de afval: de waarheid wordt verworpen, de ongerechtigheid neemt toe en de wereld wordt voor de leugen ontvankelijk;
- in het midden ontmaskert de Antichrist zich volledig door de offers te stoppen, de gruwel in de heilige plaats te verbinden met zijn macht en zich in Gods tempel als God te vertonen;
- in de laatste 42 maanden komt de voorbereide afval tot haar rijpe vrucht: de aarde verwondert zich achter het beest, aanbidt de draak en het beest en wordt door de valse profeet tot het beeld en het merkteken gedwongen (Openbaring 13:3-17).
Daarom moet de „kracht der dwaling” uit 2 Thessalonicenzen 2:11 niet uitsluitend in de eerste helft worden opgesloten. Zij werkt als voorbereiding waar mensen de liefde der waarheid verwerpen en bereikt haar openlijke, wereldwijde uitwerking wanneer zij „de leugen” geloven en het beest aanbidden. Wat vóór het midden rijpt, wordt vanaf het midden volledig zichtbaar.
Waarom deze uitleg de opname vóór de week niet verzwakt
De afval is niet de voorwaarde waarop de gemeente op aarde wacht. „Onze toevergadering tot Hem” staat al in vers 1; de gemeente wordt weggenomen voordat de huidige wederhouding eindigt en de eindtijdige opstand vrij kan doorbreken. Paulus noemt vervolgens de afval en de mens der zonde als kenmerken van de Dag die volgens de misleiders reeds aanwezig zou zijn.
De hoofdzaak wordt hierdoor juist scherper. De opname en de afval zijn niet hetzelfde gebeuren. Zij staan in een profetische oorzaak-en-gevolgorde:
de gemeente wordt tot Christus vergaderd → de huidige wederhouding verdwijnt → de afval breekt door en de ongerechtige wordt geopenbaard → beide ontwikkelen zich gedurende de eerste helft → in het midden wordt de leugenorde volledig ontmaskerd → Christus vernietigt haar bij de verschijning van Zijn komst.
Hoeveel tijd er precies ligt tussen de opname, het begin van deze openbaring en het verbond van Daniël 9:27 wordt niet in dagen geopenbaard. Maar bij het begin van de week is de toekomstige vorst reeds handelend aanwezig, en gedurende de eerste helft groeien zijn politieke opgang en de geestelijke afval samen naar hun middenweekse voltooiing.
„Is niet” beschrijft Johannes’ eigen gemeenteperiode
Openbaring 17 zegt over het beest:
„Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan...”
— Openbaring 17:8
Aan het einde van hetzelfde vers staat dat de aardbewoners zich zullen verwonderen wanneer zij het beest zien:
„...dat was en niet is, hoewel het is.”
Die woorden zijn alleen helder wanneer wij letten op het tijdsstandpunt van Johannes.
Johannes staat ná week 69 en vóór week 70
Daniël 9 bepaalt zeventig weken over Daniëls volk en zijn heilige stad. Na zeven en tweeënzestig weken — samen 69 — wordt de Messias uitgeroeid (Daniël 9:24-26). Daarna blijft nog één week over waarin de toekomstige vorst het verbond voor één week versterkt en het in het midden aantast (Daniël 9:27).
Wanneer Johannes Openbaring ontvangt, is de Messias reeds gestorven, opgestaan en ten hemel gevaren. De Heilige Geest heeft de gemeente tot één lichaam gevormd en Johannes schrijft aan zeven bestaande gemeenten in Azië (Openbaring 1:4,9-11). De 69 weken liggen dus achter hem, terwijl de laatste verbondsweek van Daniël 9 nog niet is begonnen.
Johannes staat profetisch in de tussenperiode:
69 weken voltooid → gemeenteperiode → toekomstige zeventigste week.
De gemeenteperiode behoort niet als een extra week binnen Daniëls zeventig weken te worden meegeteld. Daniëls weken zijn bepaald over Israël en Jeruzalem. De gemeente is de verborgenheid die later werd geopenbaard: gelovige Joden en heidenen vormen samen één lichaam in Christus (Efeze 3:3-6; 1 Korinthe 12:13). Romeinen 11 beschrijft Israëls huidige gedeeltelijke verharding bovendien als een tijdelijke toestand „totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn” (Romeinen 11:25).
Juist vanuit deze gemeenteperiode zegt de engel:
het beest is niet.
Dat is geen algemene uitspraak voor alle eeuwen. Het beschrijft de bijzondere toestand van de beestmacht in de periode waarin Johannes zich bevindt en waarin ook wij ons vóór Daniëls zeventigste week bevinden.
„De een is” en toch „het beest is niet”
Openbaring 17 geeft zelf een beslissende controle. Twee verzen later zegt de engel over de zeven hoofden:
„De vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen...”
— Openbaring 17:10
Vanuit Johannes:
- vijf historische hoofden waren gevallen;
- het zesde hoofd — Rome — is;
- het zevende hoofd was nog niet gekomen;
- en toch zegt vers 8 dat het beest niet is.
Er bestond dus in Johannes’ tijd wel degelijk een wereldmacht uit de beestlijn. Rome regeerde. Caesar, Romeinse stadhouders, soldaten en wetten komen overal in het Nieuwe Testament voor. „Het beest is niet” kan daarom onmogelijk betekenen:
er bestaat helemaal geen wereldmacht, geen satanische werking en niets van de beestwerkelijkheid.
Het zesde hoofd bestond immers: „de een is.”
De twee uitspraken beschrijven verschillende niveaus:
- het zesde hoofd is: de historische wereldmachtslijn bestaat in Rome;
- het beest is niet: de uiteindelijke eindtijdige beestmanifestatie functioneert nog niet vrij in haar toekomstige profetische positie.
Dit onderscheid is de sleutel.
Wat betekent dan „was”?
Het beest was, omdat de beestwereld vóór Johannes reeds in opeenvolgende wereldrijken had gefunctioneerd. Openbaring 17:10 plaatst vijf hoofden uitdrukkelijk in het verleden: „de vijf zijn gevallen.” In die vijf gevallen machten ligt de meest rechtstreekse chronologische betekenis van was.
Maar de historische lijn hield bij het begin van de gemeenteperiode niet op te bestaan. Johannes hoort tevens: „de een is.” Het zesde hoofd, Rome, regeerde op dat ogenblik werkelijk. Dat verklaart de toevoeging hoewel het is: terwijl het uiteindelijke beest „niet is”, bestaat de beestlijn nog en functioneert in Johannes’ eigen tijd zelfs haar zesde hoofd.
Openbaring 13 toont bovendien dat het toekomstige eindbeest kenmerken van Daniëls luipaard, beer en leeuw in zich draagt. De laatste wereldmacht is de culminatie van eerdere beestwereldrijken, niet een macht zonder geschiedenis.
„Was” betekent daarom niet dat de toekomstige menselijke Antichrist persoonlijk vroeger Farao, Nebukadnezar, een Romeinse keizer of een andere oude koning is geweest. Een beest kan in de profetische taal zowel een koning als een koninkrijk voorstellen. Het historische „was” behoort bij de beestwereld en haar opeenvolgende koning-koninkrijksmachten; de persoonlijke eindheerser belichaamt die lijn pas in haar laatste fase.
Werden de eerste zes hoofden dan niet wederhouden?
Zij werden kennelijk niet door de wederhouding van 2 Thessalonicenzen 2 verhinderd om als historische wereldrijken te functioneren. Vijf waren gevallen en het zesde regeerde in Johannes’ tijd. Het „was” begon bovendien al vóór Daniëls zeventig weken: Egypte en Assyrië behoorden reeds tot de wereldmachtslijn voordat die weken over Israël en Jeruzalem werden bepaald. Andere hoofden functioneerden gedurende de eerste 69 weken. De historische beestlijn is dus niet tot Daniëls weken beperkt.
Dat betekent niet dat deze rijken buiten Gods heerschappij stonden. De Allerhoogste heeft heerschappij over de koninkrijken der mensen en geeft ze aan wie Hij wil (Daniël 4:17,25,32). God stelde ook aan vroegere wereldmachten grenzen en bepaalde hun einde. Maar die algemene Goddelijke soevereiniteit moet worden onderscheiden van de bijzondere wederhouding waarover Paulus spreekt.
In 2 Thessalonicenzen 2 wordt niet gezegd dat alle beestachtige rijken worden wederhouden. Paulus schrijft specifiek:
„En nu, wat
hem wederhoudt, weet gij, opdat
hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.”
— 2 Thessalonicenzen 2:6
Het voorwerp van deze wederhouding is de toekomstige mens der zonde. Niet Egypte, Assyrië, Babylon, Medo-Perzië, Griekenland of Rome wordt verhinderd ooit te bestaan; de uiteindelijke ongerechtige wordt verhinderd vóór zijn eigen tijd geopenbaard te worden.
Daarom is de gemeenteperiode niet de tijd waarin alle beestmacht verdwenen of alle wereldheerschappij geblokkeerd is. Het is de periode waarin de historische lijn wel bestaat — „hoewel het is” — maar haar laatste persoonlijke culminatie nog niet verschijnt — „is niet”.
„Is niet” betekent afwezig uit zijn eindpositie
De Bijbel kan „niet zijn” gebruiken voor iemand die vanuit de betreffende situatie afwezig is zonder dat hij absoluut heeft opgehouden te bestaan. Jakob zei over Jozef: „Jozef is er niet” (Genesis 42:36), terwijl Jozef werkelijk in Egypte leefde.
Zo betekent ook „het beest is niet” niet dat iedere werkelijkheid erachter verdwenen is. Het betekent dat het tijdens de gemeenteperiode:
- niet als het zevende hoofd regeert;
- niet als de kleine hoorn binnen de tien opkomt;
- niet als de achtste koning de wereldmacht belichaamt;
- niet zijn 42 maanden wereldwijde gezag uitoefent;
- niet vrij in zijn vastgestelde eindtijdige functie geopenbaard is.
De profetische eindbeestmacht is tijdens Johannes’ gemeenteperiode en de daaropvolgende gemeente-eeuwen niet op het toneel in haar eindfunctie. Zij wordt wederhouden.
„Hoewel het is” voorkomt absolute niet-bestaandheid
Openbaring voegt bewust toe:
„...hoewel het is.”
Daarmee sluit de Schrift zelf de gedachte van absolute niet-bestaandheid uit.
In één betekenis is het beest niet: zijn eindmanifestatie is afwezig en tegengehouden.
In een andere betekenis is het wel: de historische wereldmachtslijn bestaat, de satanische werkelijkheid erachter bestaat en de verborgenheid der ongerechtigheid werkt reeds.
Paulus geeft precies dezelfde structuur:
„Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht...”
— 2 Thessalonicenzen 2:7
De verborgenheid werkt nu, terwijl de mens der zonde nog niet vrij geopenbaard wordt. De uiteindelijke persoon en macht zijn wederhouden; de ongerechtige werkelijkheid erachter is werkzaam.
Daarom corresponderen de uitdrukkingen rechtstreeks:
| Openbaring 17 | 2 Thessalonicenzen 2 |
|---|---|
| Het beest „is niet” | De mens der zonde wordt wederhouden |
| Het beest is toch: „hoewel het is” | De verborgenheid der ongerechtigheid werkt reeds |
| Het beest zal opkomen | De ongerechtige zal geopenbaard worden |
| Het beest gaat ten verderve | Christus zal de ongerechtige vernietigen bij Zijn komst |
De gemeenteperiode is dus precies de „is niet”-periode
De volledige tijdslijn kan nu eenvoudig worden weergegeven:
| Profetische fase | Toestand van de beestmacht |
|---|---|
| Vijf gevallen hoofden vóór Johannes | Was — de beestwereld had werkelijk in opeenvolgende koning-koninkrijksmachten gefunctioneerd |
| Johannes’ tijd en onze gemeenteperiode tussen week 69 en week 70 | Is niet, hoewel het is — de persoonlijke eindbeestmanifestatie is niet in haar profetische eindpositie aanwezig; toch regeerde in Johannes’ tijd het zesde hoofd, bestaat de wereldmachtslijn en werkt de verborgenheid der ongerechtigheid reeds |
| Na het einde van de huidige wederhouding | Zal opkomen — de specifieke eindbeestmacht wordt vrijgelaten en verschijnt politiek in de toekomstige mens der zonde |
| Midden van week 70 | Achtste koning — na wond en genezing wordt de wereldmacht persoonlijk onder het beest gecentraliseerd |
| Einde van week 70 | Ten verderve — Christus vernietigt het beest bij Zijn zichtbare komst |
Dit is geen losse woordstudie. Openbaring 17 beschrijft in één korte formule de plaats van de gemeenteperiode binnen de gehele wereldmachtslijn.
Tijdens deze periode kunnen dus werkelijk wereldmachten bestaan. In Johannes’ dagen regeerde Rome; later bleven aardse rijken opkomen en verdwijnen. Satan is actief en de verborgenheid der ongerechtigheid werkt. Niet de gehele historische beestwereld wordt tegengehouden. Maar de toekomstige mens der zonde en de laatste persoonlijke beestmanifestatie kunnen hun door God vastgestelde eindfunctie nog niet innemen zolang de Heilige Geest in en door de gemeente hem wederhoudt.
Wanneer de gemeente wordt opgenomen en deze bijzondere wederhoudende bediening eindigt, verandert de toestand:
IS NIET → ZAL OPKOMEN.
„Zal opkomen” beschrijft het einde van die toestand
Openbaring 17 zegt niet alleen dat het beest later zichtbaar wordt. Het zal „opkomen uit den afgrond”. Openbaring 11 spreekt eveneens over „het beest, dat uit den afgrond opkomt” (Openbaring 11:7).
De afgrond is in de Schrift een werkelijke geestelijke sfeer van beperking. Demonen vrezen erheen gezonden te worden (Lukas 8:31). Openbaring 9 toont een put van de afgrond die pas wordt geopend wanneer een sleutel wordt gegeven. Openbaring 20 noemt de afgrond feitelijk een gevangenis: Satan wordt erin opgesloten, zodat hij de volken niet meer kan verleiden, en later op Gods tijd losgelaten.
Dat werpt licht op de beweging van „is niet” naar „zal opkomen”. De historische wereldmachtslijn bestaat, maar haar specifieke eindtijdige culminatie is tijdens de gemeenteperiode niet vrij in haar uiteindelijke functie. Zij zal later zichtbaar verschijnen in de toekomstige mens der zonde. Paulus beschrijft dezelfde overgang: de verborgenheid werkt reeds, de ongerechtige wordt nu wederhouden, na het einde van die wederhouding wordt hij geopenbaard en uiteindelijk vernietigt Christus hem bij Zijn komst (2 Thessalonicenzen 2:7-8).
Dit betekent niet dat de toekomstige menselijke Antichrist nu al eeuwenlang als mens in de afgrond leeft. Een beest stelt in Daniël en Openbaring zowel een koning als een koninkrijksmacht voor, met daarachter een geestelijke machtslaag. De Schrift rechtvaardigt daarom wel de toekomstige vrijlating en manifestatie van de beestmacht, maar niet het verhaal van een overleden historische dictator die lichamelijk uit de onderwereld terugkeert.
Openbaring 13 ziet hetzelfde beest bovendien uit de zee opkomen. Dat spreekt de afgrond niet tegen. De afgrond belicht de geestelijke vrijlating uit beperking; de zee toont de zichtbare opkomst van de koning-koninkrijksmacht in de wereld van volken en rijken. Daniël zag zijn wereldrijken eveneens uit de grote zee opkomen (Daniël 7:2-3).
Geopenbaard betekent nog niet: onmiddellijk alleenheerser
Dit is de beslissende correctie.
2 Thessalonicenzen zegt dat de ongerechtige na de wederhouding wordt geopenbaard. Het zegt niet dat alle koningen op datzelfde ogenblik reeds aan zijn voeten liggen. Daniël laat juist zien dat hij klein begint binnen een bestaande politieke orde.
„Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve...”
— Daniël 7:8
De tien hoornen zijn volgens de uitleg „tien koningen, die uit dat koninkrijk opstaan zullen”. Daarna zal „een ander” na hen opstaan, die van de vorige verscheiden is en drie koningen zal vernederen (Daniël 7:24).
De volgorde is helder:
- er bestaat één eindkoninkrijk;
- uit dat rijk staan tien koningen op;
- een andere kleine hoorn verschijnt tussen hen;
- tijdens zijn opgang worden drie koningen voor hem uitgerukt of vernederd;
- uiteindelijk groeit zijn macht boven de bestaande orde uit.
Hij heet bij zijn opkomst niet voor niets een „kleine hoorn”. Dat betekent niet dat hij onbelangrijk blijft. Het beschrijft zijn beginpositie: hij verschijnt binnen een orde waarin andere koningen reeds macht bezitten.
Openbaring bevestigt dat de tien aanvankelijk nog eigen macht hebben
Openbaring 17 verklaart:
„En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op één ure met het beest.”
— Openbaring 17:12
Het beest is dus reeds aanwezig terwijl de tien als koningen regeren. Maar hij bezit nog niet vanaf het eerste ogenblik al hun macht. Vers 13 zegt namelijk:
„Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.”
En vers 17 gaat nog verder: zij zullen „hun koninkrijk het beest geven”.
Zij kunnen alleen overgeven wat zij tevoren zelf bezaten. Eerst bestaat er daarom een gedeelde of verdeelde machtsorde. Het beest is aanwezig, maar de tien hebben nog hun eigen kracht, macht en koninklijke positie. Later volgt centralisatie onder één heerser.
Daarmee bewijzen Daniël 7 en Openbaring 17 samen dat:
verschijnen met het beest niet hetzelfde is als reeds volledig door het beest beheerst worden.
De Antichrist komt op binnen de laatste wereldorde; hij ontvangt die orde niet onmiddellijk in haar definitieve vorm.
De dodelijke wond en genezing voltooien de centralisatie
Openbaring 13 ziet één van de zeven hoofden „als tot den dood gewond”, waarna de dodelijke wond wordt genezen en de gehele aarde zich achter het beest verwondert (Openbaring 13:3-4). Vervolgens ontvangt het beest zijn mond, wereldwijde gezag en 42 maanden macht (Openbaring 13:5-8).
Openbaring 17 verklaart de politieke overgang. Het zevende hoofd is de korte wereldorde waarin de tien koningen nog eigen macht bezitten. Het beest is reeds met hen aanwezig, maar de tien geven pas later hun kracht, macht en koninkrijk aan hem. Hetzelfde beest wordt daarna „de achtste koning” genoemd en gaat ten verderve (Openbaring 17:11-13,17).
Leg die lijnen samen:
- het zevende hoofd bestaat als één wereldrijk onder tien zelfstandige hoogste machthebbers;
- de kleine hoorn komt binnen die orde op en vernedert drie koningen;
- de tien verliezen uiteindelijk hun zelfstandige soevereiniteit en geven hun koninkrijk aan het beest;
- daardoor sterft het zevende hoofd als tienvoudige regeringsvorm — dat is de dodelijke wond;
- dezelfde wereldmacht leeft verder in genezen, gecentraliseerde vorm onder het beest als achtste koning;
- in die nieuwe vorm ontvangt het beest zijn volle wereldmacht voor 42 maanden.
Daarmee wordt ook de tijdsgrens hard. De 42 maanden vormen exact de laatste helft van Daniëls zeventigste week en eindigen bij Christus’ zichtbare komst. De volledig gecentraliseerde beestmacht kan daarom niet later dan het midden ontstaan; anders zou haar afgemeten machtsperiode geen volle 42 maanden duren.
De dodelijke wond als voltooide ondergang van hoofd 7, de genezing van de wereldmacht en de volledige centralisatie onder het beest vallen daarom cumulatief op de exacte middenweekse machtsomslag.
De voorafgaande politieke crisis begint eerder. De kleine hoorn komt vóór het midden op, drie koningen worden tijdens zijn opgang vernederd en de machtsbalans wordt reeds aangetast. De Schrift dateert niet iedere slag, onderhandeling of onderwerping. Maar op het midden is de overgang voltooid:
hoofd 7 dodelijk getroffen → wond genezen → koninkrijk gecentraliseerd → beest regeert 42 maanden.
Hij is vóór het midden van Daniëls week al actief
Daniël 9 geeft de hardste chronologische grens voor zijn politieke aanwezigheid:
„En hij zal velen het verbond versterken één week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden...”
— Daniël 9:27
Dezelfde heerser die het verbond voor één week versterkt, doet de offerdienst in het midden van die week ophouden. Hij kan daarom onmogelijk pas halverwege voor het eerst als politieke figuur verschijnen.
De zeventigste week begint bij het versterken van het verbond voor die ene week. De toekomstige vorst is op dat ogenblik reeds handelend aanwezig. Halverwege verricht hij een volgende, veel openlijker daad.
Dat geeft een vaste grens:
zijn politieke verschijning en werkzaamheid liggen vóór zijn middenweekse tempelgreep en vóór zijn volle 42-maandsmacht.
De Schrift zegt niet hoeveel tijd vóór het verbond zijn eerste openbare politieke optreden begint. Ook noemt zij niet de moderne naam van zijn functie, partij, land of organisatie. Maar zij zegt genoeg om iedere voorstelling te weerleggen waarin hij pas bij het begin van de laatste 42 maanden uit het niets verschijnt.
Het midden van de week is zijn openlijke ontmaskering
Dat de eindheerser al eerder actief is, maakt het midden niet minder belangrijk. Juist daar wordt zijn ware karakter voor iedereen die de profetieën kent onmiskenbaar zichtbaar.
Daniël zegt dat hij in de helft van de week slachtoffer en spijsoffer doet ophouden en verbindt dat met de verwoestende gruwel (Daniël 9:27).
De Heere Jezus grijpt rechtstreeks op Daniël terug:
„Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats...”
— Mattheüs 24:15
Dan moeten degenen in Judea onmiddellijk vluchten. Christus verklaart waarom: „Want alsdan zal grote verdrukking wezen” (Mattheüs 24:16-21).
Paulus toont de persoonlijke hoogmoed achter deze gruwel. De mens der zonde:
„...wederstaat en verheft zich boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende dat hij God is.”
— 2 Thessalonicenzen 2:4
Dit is niet zijn eerste politieke activiteit. Het is zijn openlijke godslasterlijke zelfonthulling.
De man die tevoren binnen verdragen en machtsverhoudingen opkwam, verbreekt nu de heilige orde, bezet Gods tempel en eist de plaats van God op. Wie vraagt wanneer hij als de Bijbelse mens der zonde volkomen onmiskenbaar wordt, krijgt hier het duidelijkste zichtbare teken.
Daarom moeten twee uitspraken tegelijk blijven staan:
- hij wordt na het verdwijnen van de wederhouding op Gods tijd geopenbaard en is vóór het midden politiek actief;
- in het midden ontmaskert hij zijn diepste identiteit openlijk door de tempeldaad en de gruwel.
Het tweede heft het eerste niet op. Het is de climax ervan.
Satans neerwerping versterkt de grote middenweekse omslag
Openbaring 12 beschrijft een oorlog in de hemel. De grote draak — uitdrukkelijk geïdentificeerd als de oude slang, duivel en Satan — wordt op de aarde geworpen (Openbaring 12:7-9).
Daarna klinkt:
„Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft groten toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.”
— Openbaring 12:12
De vrouw die Israël voorstelt, wordt vervolgens „een tijd, en tijden, en een halven tijd” tegen de slang beschermd (Openbaring 12:14). Openbaring 13 geeft het beest 42 maanden. Deze aanduidingen beschrijven dezelfde laatste periode van drieënhalf jaar.
Wie deze vluchtende vrouw in haar eindtijdse bescherming precies voorstelt, wordt Schrift met Schrift uitgewerkt in Wie vlucht uit Judéa tijdens de grote verdrukking?
De draak geeft het beest zijn kracht, troon en grote macht (Openbaring 13:2). De neerwerping van Satan en de volle bekrachtiging van het beest horen daarom bij hetzelfde grote middenweekse omslagcomplex.
Maar ook hier moeten de bewegingen onderscheiden blijven:
- het beest komt uit de afgrond op;
- Satan wordt later uit de hemel naar de aarde geworpen.
Het beest en Satan zijn niet dezelfde persoon. De draak geeft; het beest ontvangt. Daarom kan de beestheerser vóór Satans neerwerping al op aarde politiek actief zijn, waarna Satans „grote toorn” zijn laatste machtsfase aandrijft.
Wanneer beginnen de 42 maanden?
Openbaring 13 zegt:
„En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen twee en veertig maanden.”
— Openbaring 13:5
In die periode:
- lastert het beest God, Zijn Naam en Zijn tabernakel;
- voert het oorlog tegen de heiligen en overwint hen;
- ontvangt het macht over alle geslacht, taal en volk;
- aanbidden de aardbewoners het, behalve degenen wier namen in het boek des levens van het Lam geschreven zijn (Openbaring 13:6-8).
Daniël 7 beschrijft dezelfde heerser:
„En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren... en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.”
— Daniël 7:25
Een tijd, tijden en een halve tijd vormen drieënhalf jaar. Openbaring noemt dezelfde duur 42 maanden. Openbaring 12 noemt Israëls bescherming zowel 1260 dagen als een tijd, tijden en een halve tijd (Openbaring 12:6,14). De Schrift legt de duur van deze laatste helft dus langs verschillende lijnen vast.
Deze 42 maanden beginnen bij de grote omslag in het midden van Daniëls week. Vanaf dat midden:
- stoppen de offers;
- staat de gruwel in de heilige plaats;
- moet Judea vluchten;
- begint de grote verdrukking;
- wordt het gelovige overblijfsel van Israël 1.260 dagen beschermd;
- heeft Satan nog slechts „een kleinen tijd”;
- ontvangt het beest zijn 42 maanden godslasterlijke wereldmacht.
Daarom zijn de 42 maanden niet de volledige politieke loopbaan van de Antichrist. Zij zijn zijn laatste, volledig ontplooide machtsfase.
Is zijn macht werkelijk absoluut?
Op aards-politiek niveau wordt zijn macht ongekend gecentraliseerd en wereldomvattend. De tien koningen geven hem hun kracht, macht en koninkrijk. Hij ontvangt gezag over ieder geslacht, taal en volk. Het tweede beest dwingt de aarde tot aanbidding en legt economische uitsluiting op aan wie het merkteken weigert (Openbaring 13:11-17).
In die zin is dit zijn absolute wereldheerschappij: de laatste wereldorde staat niet langer onder tien zelfstandige machtscentra, maar onder één godslasterlijke opperheerser.
Toch is zijn macht nooit absoluut tegenover God.
Openbaring herhaalt dat hem macht gegeven wordt. De duur is van tevoren afgemeten: 42 maanden, geen dag onbeperkt. Zelfs de beslissing van de tien koningen staat onder Gods bestuur, „totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn” (Openbaring 17:17). En aan het einde hoeft Christus geen langdurige strijd om de troon te voeren. Hij vernietigt de ongerechtige door de Geest Zijns monds en door de verschijning van Zijn komst (2 Thessalonicenzen 2:8; Openbaring 19:19-21).
De Antichrist bezit daarom totale dictatoriale macht binnen de laatste wereldorde, maar nooit onafhankelijke soevereiniteit boven Gods raad.
„Zijn toekomst” is niet hetzelfde als Christus’ komst
2 Thessalonicenzen 2 gebruikt een aangrijpende tegenstelling. Over de ongerechtige staat:
„Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen...”
— 2 Thessalonicenzen 2:9
Ook de Antichrist heeft dus een „toekomst” of komst. Maar zijn verschijning is een satanische namaak.
Christus komt in waarheid; de wetteloze komt met leugen.
Christus draagt alle macht rechtmatig; het beest ontvangt tijdelijk macht van de draak.
Christus redt zondaren; de mens der zonde misleidt degenen die de liefde der waarheid niet aangenomen hebben.
Christus’ Koninkrijk is eeuwig; de macht van het beest duurt 42 maanden.
En wanneer de ware Koning zichtbaar verschijnt, eindigt de indrukwekkende namaak onmiddellijk.
De tijdlijn in één overzicht
| Fase | Wat de Schrift laat zien | Belangrijkste teksten |
|---|---|---|
| Huidige gemeenteperiode tussen week 69 en week 70 | Vanuit deze positie schrijft Johannes: het beest „is niet, hoewel het is”. Het zesde hoofd regeert in Johannes’ tijd en de verborgenheid der ongerechtigheid werkt reeds; de toekomstige mens der zonde wordt nog wederhouden | Daniël 9:25-27; Openbaring 17:8,10-11; 2 Thessalonicenzen 2:6-7 |
| Opname en profetische drempel | De gemeente wordt tot Christus vergaderd; de door de Geest bewoonde gemeente verdwijnt van de aarde en Zijn bijzondere wederhoudende gemeente-bediening eindigt | 1 Thessalonicenzen 4:16-17; 2 Thessalonicenzen 2:1,6-8 |
| Begin van de zeventigste week | De afval en misleiding breken openlijk door; de ongerechtige wordt op Gods tijd toegelaten; de toekomstige vorst versterkt met velen het verbond voor één week en is dus handelend aanwezig | Daniël 9:27; 2 Thessalonicenzen 2:3,8-12 |
| Eerste helft | De waarheidverwerping, verleiding en ongerechtigheid nemen toe. Tegelijk komt de kleine hoorn binnen de tienkoningenorde op, worden drie koningen vernederd en beweegt de macht naar centralisatie | Daniël 7:8,24; Mattheüs 24:9-15; Openbaring 17:12-13 |
| Exacte midden van de week | Hoofd 7 is dodelijk getroffen; de wond is genezen; de macht is onder het beest gecentraliseerd; offers stoppen; de mens der zonde vertoont zich als God; de wereld wordt met zijn volledig geopenbaarde beestidentiteit geconfronteerd; Judea vlucht; Satan heeft nog een kleine tijd | Daniël 9:27; Mattheüs 24:15-21; 2 Thessalonicenzen 2:4; Openbaring 12:7-14; 13:3-8; 17:11-17 |
| Laatste helft | De voorbereide afval loopt uit op beestaanbidding, beeld en merkteken. Het beest ontvangt 42 maanden wereldmacht, lastert God en vervolgt de heiligen | Daniël 7:25; 2 Thessalonicenzen 2:9-12; Openbaring 13:3-17 |
| Einde van de week | Christus verschijnt zichtbaar, vernietigt de wetteloze en werpt het beest in de poel des vuurs; de leugenorde wordt geoordeeld | 2 Thessalonicenzen 2:8; Openbaring 19:11-21 |
De tabel toont de grote volgorde. Zij beweert niet dat de Schrift iedere gebeurtenis op een afzonderlijke kalenderdag heeft geplaatst. De opname verwijdert de gemeente en daarmee haar huidige wederhoudende positie. De exacte afstand tussen die overgang, de eerste openbaring van de ongerechtige en het versterken van het verbond blijft echter ongenoemd.
Wat staat vast — en wat mogen wij niet invullen?
De Schrift legt rechtstreeks of door meerdere samenlopende lijnen vast:
- de verborgenheid der ongerechtigheid werkt reeds;
- Johannes ontvangt Openbaring na Daniëls 69 weken en vóór de nog toekomstige zeventigste week, in de gemeenteperiode;
- vijf hoofden waren vóór Johannes gevallen en het zesde hoofd regeerde in zijn tijd; de eerste zes hoofden werden dus niet verhinderd als historische wereldrijken te functioneren;
- vanuit de gemeenteperiode zegt Johannes dat het beest „is niet”: de uiteindelijke persoonlijke eindbeestmanifestatie functioneert nog niet in haar toekomstige profetische positie;
- „hoewel het is” bevestigt dat het zesde hoofd in Johannes’ tijd bestond en dat de historische, geestelijke en politieke werkelijkheid erachter werkzaam bleef;
- de uiteindelijke ongerechtige wordt nu wederhouden;
- de Heilige Geest heeft de gemeente tot één lichaam gevormd en woont blijvend in haar;
- de gemeente wordt vóór Daniëls volledige zeventigste week van de aarde opgenomen;
- de som van deze Schriftlijnen identificeert de wederhouder als de Heilige Geest in Zijn bijzondere bediening in en door de gemeente;
- hij wordt pas na het verdwijnen van die wederhouding op Gods tijd geopenbaard;
- „de afval” is in de onmiddellijke context de grote eindtijdige waarheidverwerping en omhelzing van de leugen, niet een noodzakelijke tweede benaming voor de opname;
- de afval ontwikkelt zich samen met zijn politieke opgang in de eerste helft en loopt vanaf het midden uit op de openlijke aanvaarding en aanbidding van het beest;
- hij is vóór het midden van Daniëls week reeds politiek actief;
- hij komt op binnen een orde waarin tien koningen aanvankelijk eigen macht hebben;
- tijdens zijn opgang worden drie koningen vernederd;
- de tien geven later hun kracht, macht en koninkrijk aan het beest;
- de dodelijke wond, haar genezing en de volledige politieke centralisatie zijn bij het exacte midden voltooid;
- in het midden stopt hij de offers en openbaart hij zijn godslasterlijke aanspraak in Gods tempel;
- daarna duurt zijn wereldomvattende beestmacht exact 42 maanden;
- Christus vernietigt hem bij Zijn zichtbare komst.
Niet geopenbaard worden:
- de naam van een huidige politicus die bewezen deze man zou zijn;
- de exacte kalenderdag van zijn eerste publieke verschijning;
- de precieze tijdsafstand tussen de opname en het verbond van Daniël 9:27;
- de landen van de tien koningen en de identiteit van de drie die worden vernederd;
- de exacte politieke, juridische of militaire methode van iedere machtsoverdracht;
- de exacte kalenderdag waarop de voorafgaande crisis, onderwerping van de drie en ontmanteling van de tienkoningenorde beginnen;
- een lichamelijke dood en opstanding van de Antichrist;
- een vroeger menselijk leven van de toekomstige eindheerser in de afgrond.
Deze open details maken de profetische lijn niet onzeker. Zij beschermen haar tegen menselijke speculatie. God heeft niet geopenbaard wie wij vandaag op een kandidatenlijst moeten zetten; Hij heeft wel nauwkeurig geopenbaard hoe de ware eindheerser herkenbaar zal worden en hoe kort zijn macht duurt.
Wanneer wordt de Antichrist dus geopenbaard?
Het volledige Bijbelse antwoord heeft drie lagen.
1. Zijn toegestane openbaring
De ongerechtige wordt geopenbaard nadat de huidige wederhouding uit het midden is weggedaan, „te zijner eigen tijd”. Dat is de duidelijke voorwaarde van 2 Thessalonicenzen 2. De exacte kalenderdatum wordt niet genoemd.
2. Zijn politieke verschijning en opkomst
Hij is uiterlijk bij het versterken van het verbond aan het begin van Daniëls zeventigste week handelend aanwezig. Vervolgens komt hij binnen de tienkoningenorde op, onderwerpt drie koningen en trekt de macht steeds verder naar zich toe. Dit gebeurt vóór zijn volle 42-maandsheerschappij.
3. Zijn openlijke godslasterlijke ontmaskering en absolute machtsfase
In het midden van de week stopt hij de offers, staat de gruwel in de heilige plaats en vertoont de mens der zonde zich in Gods tempel alsof hij God is. Dan begint de grote verdrukking en ontvangt het beest zijn afgemeten wereldmacht van 42 maanden.
Daarom is het onjuist om te zeggen:
„De Antichrist wordt pas geopenbaard wanneer de laatste 42 maanden beginnen.”
Hij moet vóór die tijd al verschenen en politiek actief zijn.
Maar het is eveneens onjuist om zijn eerste verschijning al met zijn volkomen eindmacht gelijk te stellen. Zijn loopbaan groeit van wedergehouden verborgenheid naar toegestane openbaring, van een kleine hoorn binnen de tien naar de centrale beestheerser, en van politieke opkomst naar openlijke zelfvergoddelijking.
De laatste onthulling is niet die van de Antichrist, maar van Jezus Christus
De profetie is niet gegeven om mensen door de Antichrist te laten fascineren. Zij openbaart vooral dat zijn leugen tijdelijk is en zijn einde reeds vaststaat.
De mens der zonde zal zich als God vertonen. Jezus Christus is God geopenbaard in het vlees. De Antichrist komt met tekenen en wonderen der leugen. Christus kwam vol genade en waarheid. Het beest voert oorlog tegen de heiligen. Christus gaf Zichzelf voor vijanden en droeg aan het kruis het oordeel over onze zonden.
Het Evangelie luidt dat Christus voor onze zonden gestorven is, begraven werd en op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften (1 Korinthe 15:3-4). Wie niet op eigen werken maar op Hem vertrouwt, ontvangt het eeuwige leven uit genade.
Wie de liefde der waarheid verwerpt, wordt vatbaar voor de eindtijdige leugen. Maar wie de Zoon heeft, heeft het leven (1 Johannes 5:12). Daarom is de belangrijkste vraag niet of wij de Antichrist nu al bij naam kunnen aanwijzen. De belangrijkste vraag is of wij Jezus Christus kennen.
De wetteloze wordt voor korte tijd geopenbaard en daarna vernietigd. Christus zal in heerlijkheid geopenbaard worden en eeuwig regeren.
Veelgestelde vragen
Wordt de Antichrist vóór Daniëls zeventigste week geopenbaard?
2 Thessalonicenzen zegt dat hij na het verdwijnen van de wederhouding op Gods tijd wordt geopenbaard, maar dateert dat niet in dagen ten opzichte van het verbond. Daniël 9 bewijst wel dat hij bij het begin van de week reeds handelend aanwezig is. Zijn eerste verschijning kan daarom niet tot het midden van de week worden uitgesteld.
Begint zijn 42-maandsmacht meteen wanneer hij verschijnt?
Nee. Daniël ziet hem eerst als een kleine hoorn tussen tien andere koningen opkomen. Openbaring zegt dat de tien aanvankelijk zelf macht bezitten en die later aan het beest geven. Zijn politieke opkomst gaat dus aan zijn gecentraliseerde 42-maandsheerschappij vooraf.
Wat gebeurt er precies in het midden van de week?
De dodelijke wond van hoofd 7 is dan voltooid, de wereldmacht is genezen en onder het beest gecentraliseerd. Tegelijk doet de toekomstige vorst slachtoffer en spijsoffer ophouden; de gruwel staat in de heilige plaats; de mens der zonde vertoont zich in Gods tempel alsof hij God is; Judea moet vluchten; de grote verdrukking begint; en het beest ontvangt zijn laatste machtsperiode van 42 maanden.
Is de Antichrist dan pas in het midden herkenbaar?
Hij is vóór het midden al politiek aanwezig. Maar zijn tempeldaad maakt zijn Bijbelse identiteit volkomen onmiskenbaar: hij breekt de offerorde, verbindt zich aan de gruwel en eist goddelijke eer op. Het midden is daarom zijn openlijke godslasterlijke ontmaskering, niet zijn eerste politieke optreden.
Wanneer zijn de dodelijke wond en de politieke centralisatie voltooid?
Op het exacte midden van Daniëls zeventigste week. Het zevende hoofd sterft als zelfstandige tienkoningenorde wanneer de tien hun koninkrijk aan het beest geven. Dezelfde wereldmacht leeft vervolgens genezen en gecentraliseerd onder het beest als achtste koning. In die vorm ontvangt hij zijn volle macht voor exact de laatste 42 maanden. De crisis die tot deze overgang leidt, begint eerder; de voltooide machtsomslag ligt op het midden.
Is de wederhouder de gemeente of de Heilige Geest?
De som van de Schrift wijst naar de Heilige Geest in Zijn bijzondere wederhoudende bediening in en door de gemeente. De Geest is de Goddelijke Persoon Die wederhoudt; de door Hem gevormde en bewoonde gemeente is Zijn aardse woonstede en instrument in deze bedeling. Wanneer de gemeente vóór Daniëls zeventigste week wordt opgenomen, eindigt die bijzondere wederhoudende gemeente-bediening en kan de ongerechtige worden geopenbaard.
Dit betekent niet dat de Heilige Geest van de aarde verdwijnt. Hij is God en alomtegenwoordig. Ook tijdens de zeventigste week werkt Hij in overtuiging, wedergeboorte en bekrachtiging. Wat verdwijnt, is de gemeente als Zijn unieke aardse woonstede en daarmee Zijn huidige bediening van wederhouding door het lichaam van Christus.
Betekent „de afval” in 2 Thessalonicenzen 2 de opname?
De onmiddellijke context wijst sterker op de grote eindtijdige afval van Gods waarheid dan op een tweede benaming voor de opname. De opname is reeds genoemd als „onze toevergadering tot Hem” in vers 1; het verdwijnen van de wederhouding in vers 7 beschrijft haar profetische uitwerking. De afval wordt daarentegen door de rest van het hoofdstuk ingevuld met ongerechtigheid, verwerping van de liefde der waarheid, satanische leugen en een kracht der dwaling.
Na de opname en het einde van de huidige wederhouding breekt deze afval openlijk door. Zij rijpt gedurende de eerste helft samen met de politieke opkomst van de kleine hoorn en loopt vanaf het midden uit op de aanvaarding en aanbidding van het volledig geopenbaarde beest. De opname vóór de week rust echter niet op deze uitleg van één woord; zij staat reeds cumulatief vast door de overige Schriftlijnen.
Wat betekent „het beest is niet, hoewel het is”?
Johannes schrijft vanuit de gemeenteperiode tussen Daniëls 69e en 70e week. In die periode is het beest niet in zijn uiteindelijke eindtijdige hoedanigheid: het functioneert nog niet als de kleine hoorn, het zevende hoofd dat de tienkoningenorde beheerst, de achtste koning en de wereldheerser met 42 maanden macht. Toch is het: in Johannes’ tijd regeert het zesde hoofd — „de een is” — terwijl Satan actief blijft en de verborgenheid der ongerechtigheid reeds werkt. De huidige wederhouding verhindert dus niet dat wereldrijken bestaan en evenmin iedere werking van het kwaad. Zij verhindert specifiek dat de toekomstige mens der zonde en de laatste beestmanifestatie vóór Gods bepaalde tijd hun eindpositie innemen.
Is het beest dat uit de afgrond opkomt een gestorven historische heerser?
Dat leert de Schrift niet. Het beest stelt meer voor dan alleen één mens: het omvat koning, koninkrijksmacht en een achterliggende geestelijke dimensie. De afgrond bewijst een geestelijke vrijlating uit beperking, niet noodzakelijk de lichamelijke opstanding van een vroegere dictator.
Wordt Satan tegelijk met de Antichrist geopenbaard?
Nee. Openbaring onderscheidt hen. De draak is Satan en geeft zijn macht aan het beest. Het beest komt uit de afgrond en uit de zee op; Satan wordt in Openbaring 12 uit de hemel naar de aarde geworpen. Die gebeurtenissen werken naar dezelfde eindfase toe, maar zijn niet identiek.
Kan de Antichrist nu al met zekerheid worden aangewezen?
Nee. De Schrift geeft geen hedendaagse naam en geen moderne kandidatenlijst. Zij geeft toekomstige herkenningspunten: het verbond voor één week, zijn opkomst tussen tien koningen, de vernedering van drie, de middenweekse offerbreuk, de gruwel in de tempel, zijn goddelijke aanspraak en zijn 42 maanden wereldmacht.
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Het zevende hoofd, de tien koningen en de kleine hoorn
Volgende artikel:
Wie is het tweede beest en wat betekenen het merkteken en 666?
Serieoverzicht: