De brede en smalle weg in Mattheüs 7 uitgelegd

Gaat deze gelijkenis over een goede en slechte levenswandel, of over twee geboorten, twee posities en twee eeuwige bestemmingen?

De brede en smalle weg in Mattheüs 7 uitgelegd

Gaat deze gelijkenis over een goede en slechte levenswandel, of over twee geboorten, twee posities en twee eeuwige bestemmingen?

De brede en smalle weg beschrijven geen goede en slechte levenswandel, maar twee geestelijke posities en bestemmingen. Door de eerste geboorte staat de mens in Adam op de brede route naar verderf. Christus is de enige enge Poort. Wie Hem gelooft, wordt uit de Geest geboren, ontvangt eeuwig leven en staat op de nauwe weg. Een gelovige kan nog naar het vlees wandelen, maar keert niet terug naar de brede route van de eeuwige verlorenheid.

De brede en smalle weg in Mattheüs 7 uitgelegd

Waarom de twee wegen over geboorte, positie en bestemming gaan — en niet over het verdienen van de hemel door een moeilijke levenswandel

De brede en smalle weg behoren tot de bekendste woorden van Jezus. Tegelijk worden zij dikwijls zo uitgelegd dat het eenvoudige Evangelie erdoor wordt verduisterd. De brede weg zou een zondig en gemakkelijk leven zijn. De smalle weg zou een moeilijk, gehoorzaam en volhardend leven zijn. Alleen wie goed genoeg over die moeilijke weg blijft lopen, zou uiteindelijk de hemel bereiken.


Christus zegt echter:

“Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.”

— Mattheüs 7:13–14

Jezus spreekt niet over één groep mensen die door hun levenskeuzes voortdurend tussen twee wegen wisselt. Hij toont twee ingangen, twee posities, twee routes en twee bestemmingen. De eerste geboorte brengt de natuurlijke mens voort en plaatst hem in de lijn van Adam. Door geloof in Christus ontvangt die mens een tweede geboorte en komt hij op de weg van het leven te staan.


De kern luidt daarom:


De wijde poort beeldt de natuurlijke ingang door de eerste geboorte uit: uit het vlees geboren staat de mens in Adam op de brede route naar verderf. Christus is de enige enge Poort. Wie Hem gelooft, wordt uit de Geest geboren en staat vanaf datzelfde ogenblik positioneel op de nauwe weg die tot het leven leidt.



1. De Bergrede is hoogst primair onderwijs voor discipelen


De uitleg begint niet bij vers 13, maar bij het begin van de Bergrede. Mattheüs schrijft:

“En Jezus, de scharen ziende, is geklommen op een berg; en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem. En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen.”

— Mattheüs 5:1–2

Het woord „hen” verwijst naar de discipelen die tot Hem kwamen. Lukas beschrijft dezelfde onderwijsomgeving nog uitvoeriger. Jezus brengt de nacht door in het gebed, roept Zijn discipelen, kiest uit hen twaalf apostelen en daalt vervolgens met hen af. Daarna staat er een schare van Zijn discipelen en een grote menigte uit het volk. Lukas zegt dan:

“En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide…”

— Lukas 6:20

De Bergrede is dus hoogst primair geestelijk onderwijs aan werkelijke discipelen. De aanspreekvormen bevestigen dat:


  • „gij zijt het zout der aarde”;
  • „gij zijt het licht der wereld”;
  • „uw Vader, Die in de hemelen is”;
  • „uw loon”;
  • „gij kleingelovigen”.


Dat betekent niet dat iedere beschreven figuur in de Bergrede een gelovige is. Jezus kan Zijn discipelen onderwijs geven over de positie van de ongelovige, over valse profeten en over mensen die Hij nooit gekend heeft. De doelgroep van het onderwijs en de identiteit van ieder persoon in een beeld zijn niet automatisch hetzelfde.


De discipelen moesten de twee wegen kennen:


  • om te begrijpen wat God bij hun redding had gedaan;
  • om het Evangelie zuiver te kunnen verkondigen;
  • om positie en wandel niet met elkaar te vermengen;
  • en om leraren te herkennen die van de enige weg tot het leven afweken.



2. Mattheüs 7 vormt één samenhangend slot


Mattheüs 7:13–27 bevat geen losse verzameling waarschuwingen. Christus bouwt Zijn onderwijs zorgvuldig op:

Gedeelte Centrale vraag
De twee wegen — Mattheüs 7:13–14 Op welke route en naar welke bestemming bevindt iemand zich?
De twee bomen — Mattheüs 7:15–20 Uit welke bron spreekt de geestelijke gids die tot de discipel komt?
„Heere, Heere” — Mattheüs 7:21–23 Kan indrukwekkende godsdienst het werkelijke geloof vervangen?
De twee bouwers — Mattheüs 7:24–27 Wat doet de ware discipel met Christus’ ontvangen onderwijs?

De wegen geven dus eerst de geestelijke kaart. Daarna waarschuwt Jezus voor valse gidsen op het godsdienstige terrein. Vervolgens ontmaskert Hij vertrouwen op religieuze werken. Ten slotte legt Hij de praktische verantwoordelijkheid bij de discipel zelf.


Wanneer de twee wegen reeds over de dagelijkse wandel van gelovigen zouden gaan, zou de gelijkenis van de twee bouwers grotendeels hetzelfde onderwijs herhalen. De opbouw laat juist een voortgang zien:


eerst positie en bestemming → daarna geestelijke onderscheiding → ten slotte praktische levensbouw



3. Poort, weg en bestemming vormen één geheel


Bij beide routes noemt Jezus dezelfde drie onderdelen:

Ingang Positie en route Bestemming
Wijde poort Brede weg Verderf
Enge poort Nauwe weg Leven

De poort is de ingang. De weg is de positie en route waarop iemand zich na die ingang bevindt. De bestemming toont waarop die route uitloopt.


Jezus zegt niet:


De enge poort is geloof in Christus, maar daarna moet de gelovige nog een tweede, moeilijke heiligingsweg vinden om uiteindelijk het eeuwige leven te bereiken.


Poort en weg worden als één levensroute tegenover de andere route geplaatst. De nauwe weg kan daarom niet een aanvullende voorwaarde zijn waardoor iemand, nadat hij door geloof gered is, zijn redding alsnog moet voltooien.


De tekst gaat ook niet over twee naturen die als twee zelfstandige personen elk op een eigen weg lopen. Een gelovige heeft nog vlees en bezit nieuw leven uit de Geest, maar de mens zelf staat positioneel óf buiten Christus óf in Christus. Hij is óf uit de dood overgegaan in het leven óf nog in de dood.



4. Lukas verbindt de enge poort rechtstreeks met zalig worden


Lukas bewaart een vraag die de betekenis van de enge poort scherp afbakent:

“En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden?”
— Lukas 13:23

Jezus antwoordt:

“En Hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.”
— Lukas 13:24

Daarna spreekt Hij over de gesloten deur, mensen die buiten staan, de woorden „Ik ken u niet” en het buitengeworpen worden terwijl Abraham, Izak en Jakob in het Koninkrijk Gods zijn.


De vraag luidt: wie worden zalig? Het antwoord noemt de enge poort. De enge poort gaat dus over de toegang tot het leven en het Koninkrijk. Zij is niet hoogst primair een hoger niveau van discipelschap voor mensen die reeds eeuwig leven bezitten.


„Strijdt” betekent bovendien niet dat iemand door verdienstelijke werken zijn redding moet bevechten. De hele menselijke religie verzet zich tegen Gods ene toegang. De mens wil iets bijdragen, op zijn afkomst vertrouwen, zich op zijn werken beroemen of langs een andere route binnenkomen. Hij moet iedere valse grond loslaten en door Gods ene Poort ingaan.



5. De eerste geboorte brengt alleen vlees voort


In Johannes 3 spreekt Jezus met Nicodémus, een godsdienstige overste van de Joden. Nicodémus bezat natuurlijke geboorte, Israëlitische afkomst, Bijbelkennis en religieuze positie. Toch zegt Christus:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”
— Johannes 3:3

Daarna verklaart Hij:

“Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.”
— Johannes 3:6

De eerste geboorte brengt geen geestelijk levend mens voort. Zij brengt vlees voort. Dit geldt niet alleen voor zichtbaar goddeloze mensen. Nicodémus bewijst dat ook een ernstig, geleerd en religieus mens door zijn eerste geboorte nog uitsluitend natuurlijk leven bezit.


De natuurlijke geboorte is daarom de wijde ingang. Zij is wijd omdat ieder natuurlijk geboren mens zonder persoonlijke prestatie in de menselijke lijn van Adam verschijnt. Niemand hoeft te leren hoe hij in Adam moet komen. Niemand hoeft goede of kwade werken te verrichten om vlees te worden. Hij wordt uit vlees geboren en is daardoor vlees.


De Schriftlijn luidt:


eerste geboorte → uit het vlees → natuurlijke mens → in Adam → brede weg



6. In Adam bevinden zonde en dood zich aan het einde van de natuurlijke lijn


Romeinen 5 verklaart wat de positie in Adam betekent:

“Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.”
— Romeinen 5:12

En:

“Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden.”
— Romeinen 5:19

Paulus schrijft eveneens:

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.”
— 1 Korinthe 15:22

De brede weg is dus niet pas de route van uitzonderlijk slechte mensen. Zij is de positie van de natuurlijke mens in Adam. Binnen die brede route bestaan vele levensstijlen:


  • openlijke zedeloosheid;
  • nette burgerlijkheid;
  • religieuze ernst;
  • menslievendheid;
  • wettische ijver;
  • onverschilligheid;
  • afgoderij;
  • vertrouwen op kerk, afkomst of sacramenten.


Al deze vormen kunnen uiterlijk sterk verschillen, maar zij hebben buiten Christus dezelfde oorsprong en dezelfde bestemming. De brede weg is breed genoeg voor zowel de openbare zondaar als de trotse godsdienstige mens.



7. Efeze 2 beschrijft de wandel van de natuurlijke mens


Paulus schrijft aan mensen die inmiddels gelovig zijn en herinnert hen aan hun vroegere toestand:

“En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden; in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.”
— Efeze 2:1–2

Hij vervolgt:

“Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.”
— Efeze 2:3

Let op de samenhang:


  • dood door zonden;
  • wandelen overeenkomstig deze wereld;
  • de werking van de geest der ongehoorzaamheid;
  • begeerlijkheden van het vlees;
  • van nature kinderen des toorns.


De brede weg is daarom inderdaad verbonden met het vlees. Maar dat maakt haar nog niet tot een praktische weg waarop een geredde en ongeredde mens afwisselend kunnen lopen. Efeze beschrijft de vroegere positie en bijbehorende wandel van mensen die later door God levend gemaakt zijn.



8. Waarom zegt Jezus „velen” en niet „allen”?


Jezus zegt dat velen door de wijde poort ingaan. Dat woord hoeft niet tegen de natuurlijke geboorte van alle mensen te worden uitgespeeld.


Romeinen 5 gebruikt binnen dezelfde Adam-Christusvergelijking zowel „alle mensen” als „velen”. „Velen” benadrukt de grote menigte tegenover de weinigen die de weg van het leven vinden. Bovendien bespreekt Mattheüs 7 de verantwoordelijke menselijke route naar verderf en leven, niet iedere afzonderlijke vraag over kinderen die sterven voordat zij persoonlijk kunnen geloven.


Het punt van Christus is glashelder:


  • de brede route wordt door de grote mensenmassa gevolgd;
  • de weg van het leven wordt niet door natuurlijke geboorte ontvangen;
  • zij moet gevonden worden in Gods ene voorziening: Jezus Christus.


„Velen” verzwakt de verbinding met de eerste geboorte daarom niet. Het legt het accent op de ontzaglijke menigte die buiten Christus blijft.



9. De bestemming „verderf” is meer dan lichamelijke dood


Alles wat uit vlees geboren is, is sterfelijk en verderfelijk. Ook het natuurlijke lichaam van een gelovige moet sterven of bij Christus’ komst veranderd worden. Dat bevestigt de verbinding tussen vlees, dood en verderf.


Maar Mattheüs 7 beperkt „verderf” niet tot het graf. De onmiddellijke context spreekt ook over:


  • de kwade boom die in het vuur wordt geworpen;
  • mensen die het Koninkrijk der hemelen niet ingaan;
  • Christus Die zegt: „Ik heb u nooit gekend”;
  • en: „Gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt.”


De uiteindelijke bestemming van de brede route is daarom de eeuwige verlorenheid van de mens die buiten Christus blijft. De lichamelijke dood toont dat het vlees niet onvergankelijk is, maar de waarschuwing reikt verder dan het sterven van het lichaam.


De brede weg eindigt niet omdat iemand onvoldoende religieuze vooruitgang heeft geboekt. Zij eindigt in verderf omdat zij buiten Christus blijft.



10. Christus is Zelf de enige enge Poort


Jezus laat de identiteit van de ware toegang niet onzeker:

“Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden.”
— Johannes 10:9

En:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.”
— Johannes 14:6

De enge Poort is niet:


  • een kerkgenootschap;
  • een doophandeling;
  • het houden van de wet;
  • genoeg berouw voelen;
  • levenslange volharding;
  • een verbeterde levenswandel;
  • of een combinatie van geloof en werken.


De enge Poort is eng omdat er maar één toegang is. Niet vele wegen leiden uiteindelijk naar dezelfde God. Niet iedere oprechte godsdienst mondt in hetzelfde leven uit. De Vader heeft één Redder gegeven: Jezus Christus.


God heeft de toegang niet smal gemaakt om zondaren buiten te houden. Hij heeft de enige volkomen toegang geopend doordat Christus voor onze zonden stierf en uit de doden opstond. Iedereen mag door Hem ingaan, maar niemand kan buiten Hem om binnenkomen.



11. Door de Poort gaan is Christus geloven


Toen de mensen Jezus vroegen wat zij moesten doen om de werken Gods te werken, antwoordde Hij:

“Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft.”
— Johannes 6:29

Even verder zegt Hij:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

De mens gaat dus niet door de enge Poort door een jarenlang bewijs van gehoorzaamheid te leveren. Hij gaat door die Poort zodra hij Jezus Christus gelooft als de Zoon van God en als de enige Zaligmaker Die het verlossingswerk volbracht heeft.


Op datzelfde ogenblik:


  1. ontvangt hij eeuwig leven;
  2. wordt hij niet veroordeeld;
  3. gaat hij over uit de dood in het leven;
  4. wordt hij uit de Geest geboren;
  5. komt hij in Christus;
  6. staat hij op de weg van het leven.


Jezus zegt:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24

De werkwoorden zijn beslissend. De gelovige heeft eeuwig leven. Hij komt niet in de verdoemenis. Hij is overgegaan uit de dood in het leven.



12. De tweede geboorte plaatst de gelovige op de nauwe weg


Nicodémus had een tweede geboorte nodig. Jezus verklaart hoe het eeuwige leven ontvangen wordt:

“Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.”
— Johannes 3:15

De Schriftlijn is daarom:


Evangelie horen → Christus geloven → door de enige Deur ingaan → uit de Geest geboren worden → eeuwig leven ontvangen → op de nauwe weg staan


Deze onderdelen volgen niet met maanden of jaren tussenruimte. Zij beschrijven verschillende kanten van hetzelfde reddingsmoment. Zodra iemand gelooft, wordt hij wedergeboren. Zodra hij wedergeboren is, bezit hij het leven waartoe de nauwe weg leidt.


De enge Poort en de tweede geboorte mogen daarom niet kunstmatig uit elkaar worden getrokken. Christus is de Poort; geloof is het ingaan; wedergeboorte is wat God op datzelfde moment in de gelovige tot stand brengt; de nauwe weg is zijn nieuwe positie en levensbestemming.



13. Waarom vinden slechts weinigen deze weg?


De weg is niet moeilijk te vinden omdat Christus’ belofte onduidelijk is. Het Evangelie is eenvoudig:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31

Toch verwerpt de mens van nature juist die eenvoud. Hij wil:


  • zichzelf rechtvaardigen;
  • iets aan Christus’ werk toevoegen;
  • op godsdienstige afkomst vertrouwen;
  • zijn eigen goedheid bewaren;
  • of zonder Christus zijn eigen weg blijven volgen.


Paulus zegt dat Christus voor de Joden een ergernis en voor de Grieken dwaasheid was. De boodschap van het kruis neemt alle menselijke roem weg. De toegang is vrij, maar zij laat geen tweede Redder naast Christus toe en geen menselijke verdienste naast Zijn volbrachte werk.


Velen zoeken bovendien religieus binnen te gaan zonder werkelijk te geloven. In Lukas 13 wijzen mensen op uiterlijke nabijheid: zij hebben in Zijn tegenwoordigheid gegeten en Hij heeft in hun straten geleerd. Maar uiterlijke bekendheid met Jezus is niet hetzelfde als geloof in Hem.



14. De nauwe weg is geen moeilijke werkenredding


Wanneer de nauwe weg wordt uitgelegd als een leven dat gehoorzaam genoeg moet zijn om het eeuwige leven te bereiken, wordt de bestemming afhankelijk gemaakt van menselijke prestatie. Dat spreekt het Evangelie rechtstreeks tegen:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9

De Bijbelse volgorde is:


  1. niet: goede werken verrichten om levend te worden;
  2. maar: uit genade door geloof levend gemaakt worden;
  3. en daarna: wandelen in de goede werken die God bereid heeft.


Efeze 2:10 volgt pas na de verzen over redding zonder werken. Goede werken zijn het doel van de geredde wandel, niet de prijs van eeuwig leven.


De smalheid van de weg ligt dus niet in de hoeveelheid menselijke inspanning. Zij ligt in de exclusiviteit van Christus.



15. Positie en praktische wandel moeten onderscheiden blijven


Een gelovige wordt uit de Geest geboren, maar zijn vlees is nog aanwezig. Daarom kan een werkelijk gered mens nog zondigen, ongehoorzaam zijn en naar het vlees wandelen.


Paulus schrijft aan geredde Korinthiërs:

“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.”
— 1 Korinthe 3:1

Zij waren „broeders” en „in Christus”, maar gedroegen zich vleselijk. Romeinen 8 zegt tegelijk tot gelovigen:

“Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont.”
— Romeinen 8:9

Daaruit volgt een noodzakelijk onderscheid:

Positie Praktische wandel
In Adam of in Christus Naar het vlees of door de Geest
Brede of nauwe route Gehoorzaam of ongehoorzaam
Dood of leven Vrucht of onvruchtbaarheid
Eeuwige bestemming Kastijding, schade, dienst en loon

De formulering „een gelovige loopt praktisch weer op de brede weg” is daarom verwarrend. Zij laat positie en wandel in elkaar overlopen. Nauwkeuriger is:


De gelovige staat positioneel alleen op de nauwe weg, maar kan op die weg nog naar het vlees wandelen.



2 Petrus 2 maakt dit onderscheid uiterst concreet. Ongeredde valse leraars, de behouden profeet Bileam en werkelijk ontkomen gelovigen kunnen overeenkomstige vleselijke werken vertonen, zonder daardoor dezelfde positie of dezelfde eeuwige bestemming te hebben.



16. Een gelovige keert niet terug door de wijde poort


De tweede geboorte kan evenmin ongedaan worden gemaakt als de eerste geboorte. Een mens die eenmaal uit zijn ouders geboren is, kan zijn natuurlijke geboorte niet terugdraaien. Nog veel minder neemt God Zijn eigen leven terug nadat iemand uit Hem geboren is.


Christus zegt over Zijn schapen:

“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”
— Johannes 10:28

Wanneer een gelovige door zonde opnieuw positioneel op de brede weg zou kunnen komen, zou hij:


  • opnieuw uit het leven in de dood moeten overgaan;
  • opnieuw onder de verdoemenis komen;
  • opnieuw buiten Christus geplaatst worden;
  • en Gods gave van eeuwig leven verliezen.


Johannes 5:24 en Johannes 10:28 sluiten dat uit. De ongehoorzame gelovige kan gemeenschap, vrucht, bruikbaarheid, loon en de stabiliteit van zijn levensbouw beschadigen. God kan hem ernstig kastijden. Maar zijn eeuwige positie wordt door Christus’ belofte bewaard.



17. De volgende gelijkenissen behandelen wat na de poort komt


Direct na de twee wegen zegt Jezus:

“Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen…”
— Mattheüs 7:15

Wie door geloof op de weg van het leven staat, krijgt nog steeds met geestelijke misleiding te maken. Daarom moet hij leren welke gidsen werkelijk uit God spreken. De goede en kwade bomen behandelen de bron van profeten en leraren.


Daarna sluit Christus de Bergrede af met de wijze en dwaze bouwer. Daar komt de praktische wandel van de discipel rechtstreeks aan de orde:


  • hoort hij Christus’ woorden?
  • doet hij ze ook?
  • bouwt hij zijn levenshuis op de vaste praktische grond van gehoorzaamheid?
  • of hoort hij, maar blijft zijn levensbouw zonder die grond?


De twee wegen hoeven dus niet tot een heiligingsgelijkenis te worden gemaakt. Christus geeft aan het einde Zelf een afzonderlijk beeld voor de praktische reactie van de gelovige.



18. De waarschuwing voor de godsdienstige mens


De brede weg bevat niet alleen mensen die niets met God te maken willen hebben. De onmiddellijke context noemt mensen die zeggen:

“Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?”
— Mattheüs 7:22

Hun vertrouwen rust op wat zij gedaan hebben. Christus zegt:

“Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt.”
— Mattheüs 7:23

Zij waren niet ooit gered en later verloren. Christus zegt „nooit”. Hun indrukwekkende godsdienstige werken brachten hen niet door de enge Poort.


Dat maakt de waarschuwing bijzonder ernstig. Iemand kan:


  • Jezus „Heere” noemen;
  • over de Bijbel spreken;
  • wonderlijke ervaringen hebben;
  • anderen onderwijzen;
  • en toch nooit uitsluitend op Christus vertrouwd hebben.


De beslissende vraag is niet hoeveel iemand voor God meent te hebben gedaan, maar of hij de Zoon heeft geloofd.



19. Wat moet een ongelovige nu doen?


Een ongelovige hoeft niet eerst de hele Bergrede volmaakt uit te voeren. De natuurlijke mens kan geestelijk onderwijs zelfs niet geestelijk onderscheiden:

“Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.”
— 1 Korinthe 2:14

Zijn eerste nood is niet beter bouwen, meer vrucht voortbrengen of langdurig bewijzen dat hij de smalle weg waard is. Zijn eerste nood is leven.


God heeft dat leven in Zijn Zoon gegeven. Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond lichamelijk op uit de doden. Hij volbracht het werk dat geen mens kon volbrengen.



Daarom zegt de Schrift:

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”
— Johannes 3:36

Geloof in Jezus Christus. Vertrouw niet op uw wandel, uw kerk, uw doop, uw volharding of uw goede bedoelingen. Ga door de enige Poort die God geopend heeft.



20. Wat moet een gelovige uit deze gelijkenis leren?


Voor de gelovige is de passage geen dreiging dat één misstap hem opnieuw op de brede weg plaatst. Zij geeft hem een vaste geestelijke kaart:


  • hij was door zijn eerste geboorte in Adam;
  • hij is door geloof en wedergeboorte in Christus;
  • zijn eeuwige bestemming rust op Gods gave;
  • de wereld buiten Christus heeft het leven nodig;
  • menselijke godsdienst kan de enige toegang verdraaien;
  • zijn eigen praktische wandel blijft belangrijk, maar behoort tot discipelschap en niet tot het verkrijgen van eeuwig leven.


Deze zekerheid maakt gehoorzaamheid niet onbelangrijk. Zij zet gehoorzaamheid juist op de juiste plaats. De gelovige gehoorzaamt niet om Gods kind te worden of te blijven. Hij mag gehoorzamen omdat hij door genade Gods kind geworden is.



Conclusie


De brede en smalle weg leren niet dat een mens door een zwaar en gehoorzaam leven de hemel moet verdienen. Zij tonen twee ingangen, twee posities, twee routes en twee bestemmingen.


De eerste geboorte brengt vlees voort. Daardoor staat ieder natuurlijk mens in Adam, onder de werkelijkheid van zonde en dood, op de brede route naar verderf. Die route omvat zowel openlijke zonde als ernstige godsdienst zonder Christus.


Jezus Christus is de enige enge Poort, de enige Weg en het Leven. Wie Hem gelooft, gaat door die Poort, wordt op datzelfde moment uit de Geest geboren, ontvangt eeuwig leven en staat positioneel op de nauwe weg. Hij hoeft daarna niet door een levenslange prestatie te bewijzen dat God hem werkelijk gered heeft.


Een gelovige kan nog naar het vlees wandelen en zijn geestelijke leven ernstig beschadigen. Maar hij keert daardoor niet terug naar de brede weg en verliest Gods eeuwige gave niet. Demas is hiervan een concreet Bijbels voorbeeld: hij bleef een geredde medearbeider, maar kreeg praktisch de tegenwoordige wereld lief en verliet zijn plaats naast Paulus. De praktische vraag naar zijn wandel wordt later door de wijze en dwaze bouwer behandeld.


De slotsom luidt:


De eerste geboorte brengt de mens door de wijde natuurlijke ingang op de brede route van Adam. Door geloof gaat hij door Christus, de enige enge Poort; God geeft hem de tweede geboorte en plaatst hem op de nauwe weg van het leven. De wegen bepalen zijn positie en bestemming. Zijn wandel, vrucht, dienst en levensbouw volgen daarna.



Dit artikel hoort bij het serieoverzicht Mattheüs 7 uitgelegd in samenhang