Het noorden en de troon van God

Waarom de Bijbel het noorden verbindt met Sion, troonhoogte, oordeel, Gods aangezicht en de heerlijkheid des HEEREN.

Het noorden en de troon van God

Waarom de Bijbel het noorden verbindt met Sion, troonhoogte, oordeel, Gods aangezicht en de heerlijkheid des HEEREN.

De Bijbel spreekt opvallend vaak over het noorden in teksten over schepping, Sion, troonhoogte, oordeel en Gods heerlijkheid. In een Bijbels cirkelmodel is het noorden niet zomaar een richting, maar het centrum. Daarom wordt de Schriftlijn krachtig: God zit boven de cirkel der aarde, de hemel is Zijn troon, de aarde Zijn voetbank, en het noorden verschijnt steeds opnieuw bij troon, aangezicht, oordeel en heerlijkheid.


← Terug naar de serie: Het Bijbelse wereldbeeld

Het noorden en de troon van God

Job, Psalm 48, Jesaja 14 en Ezechiël 1 geven het noorden een opvallende plaats in de Bijbelse hemeltaal.

In de Bijbel is het noorden niet zomaar één windrichting naast de andere.


De Schrift spreekt over oosten, westen, noorden en zuiden. Zij spreekt over vier winden, vier hoeken en einden der aarde. Maar wanneer de Schrift nauwkeurig gelezen wordt, valt op dat het noorden op bijzondere plaatsen naar voren komt.


Niet willekeurig.


Niet oppervlakkig.


Maar juist in teksten die spreken over Gods macht over hemel en aarde, Sion, de stad van de grote Koning, de berg der samenkomst, de sterren Gods, troonhoogte, verhoging, oordeel, offers voor het aangezicht des HEEREN en de verschijning van de heerlijkheid des HEEREN.


Daarom moet de vraag gesteld worden:


Welke plaats heeft het noorden in de Bijbelse hemeltaal en troontaal?


Niet: wat kunnen mensen speculeren?


Niet: wat willen wij graag bewijzen?


Maar: wat zegt de Schrift zelf?


Want Job spreekt over het noorden. Psalm 48 spreekt over Sion aan de zijden van het noorden. Jesaja 14 spreekt over de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. Psalm 75 spreekt over verhoging die niet uit oost, west of woestijn komt. Leviticus 1 spreekt over het offer noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN. Ezechiël 1 ziet de heerlijkheid des HEEREN komen van het noorden. En Openbaring 4 toont de troon als het centrum van de hemelse werkelijkheid.


Dat mag niet achteloos voorbijgaan.


Dan ontstaat er een lijn.


En die lijn is sterk.


Die lijn hoort bij Bijbelse kosmologie, omdat de Schrift richting, hoogte, hemel, troon, Sion en Gods heerlijkheid niet willekeurig naast elkaar zet.



God is alomtegenwoordig, maar Hij zit ook op de troon


Eerst moet dit helder zijn: God is alomtegenwoordig.


“Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.”
— Jeremia 23:24

God is niet opgesloten in één plek. Hij vervult hemel en aarde. Niemand kan zich voor Hem verbergen.


Maar Gods alomtegenwoordigheid heft Zijn troon niet op.



De Schrift zegt namelijk óók:

“De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.”
— Psalm 103:19

En:

“De HEERE is in Zijn heiligen tempel, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.”
— Psalm 11:4

En:

“Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten...”
— Jesaja 66:1

En in Openbaring:

“En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Eén op den troon.”
— Openbaring 4:2

Dus beide zijn waar.


God vervult hemel en aarde.


En God zit op de troon.


De vraag is daarom niet: “Is God alleen in het noorden?” Nee. Dat zou onbijbels zijn.


De vraag is: welke richting en welke plaats verbindt de Schrift met Gods troonorde, Zijn aangezicht, Zijn oordeel en Zijn heerlijkheid?


Daar wordt het noorden belangrijk.



God zit boven de cirkel der aarde


Een sleuteltekst is Jesaja 40:22.

“Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitbreidt als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen.”
— Jesaja 40:22

Deze tekst bevat drie belangrijke zaken.


Ten eerste: God zit boven de aarde.



Ten tweede: de aarde wordt beschreven met cirkel-/kringtaal. De Statenvertaling gebruikt het woord “kloot”, maar in Schrift-met-Schrift verband moet deze tekst niet direct worden ingevuld met het moderne bolmodel. De Bijbel spreekt elders duidelijk over cirkel en kring.

“Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef.”
— Spreuken 8:27

En:

“Hij heeft een gezetten kring over het vlakke der wateren beschreven, tot aan de voleinding des lichts met de duisternis.”
— Job 26:10

Spreuken spreekt over een cirkel over het vlakke des afgronds.


Job spreekt over een kring over het vlakke der wateren.


Jesaja spreekt over God Die zit boven de kring/cirkel der aarde.


Dat is één samenhangend beeld:


de aarde als kring of cirkel;


wateren en afgrond als onderliggende werkelijkheid;


de hemel daarboven;


God boven de cirkel der aarde.


Ten derde zegt Jesaja 40:22 dat God de hemelen uitbreidt als een dun doek en als een tent om te bewonen.


Dat is geen taal van een eindeloos leeg vacuüm.



Dat is taal van een uitgespannen hemel.

“Die Zich met het licht bedekt als met een kleed, Die den hemel uitspant als een gordijn.”

— Psalm 104:2


“Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een gegoten spiegel?”

— Job 37:18


“Toen boog Hij den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.”

— Psalm 18:10

De hemel wordt uitgespannen, gebogen, gescheurd en toegerold.

“En al het heir der hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden gelijk een boek...”

— Jesaja 34:4


“Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt...”

— Jesaja 64:1


“En de hemel is weggeweken als een boek, dat toegerold wordt...”

— Openbaring 6:14

De Bijbel presenteert dus geen lege, onbegrensde ruimte, maar een geordende schepping: aarde beneden, hemel boven, God boven de cirkel der aarde.


Daarmee komt vanzelf de vraag:


Wat is de volmaakte plaats boven een cirkel?



De Bijbel kent verschil tussen cirkel en bal


Dit punt is belangrijk.


De Bijbel is niet woordarm. Zij kent verschillende beelden voor ronde vormen. De Schrift kent cirkel-/kringtaal, maar ook baltaal.


Jesaja gebruikt zelf het beeld van een bal:

“Hij zal u gewisselijk geweldelijk omwinden en heenwerpen als een bal in een wijd land; aldaar zult gij sterven...”
— Jesaja 22:18

Dat is duidelijk baltaal. Een bal wordt geworpen, rolt, verplaatst zich, wordt ergens heen geslingerd.


Maar wanneer Jesaja in hoofdstuk 40 spreekt over de aarde onder Gods troon, gebruikt hij niet dat balbeeld. Hij zegt niet dat God zit boven de bal der aarde. Hij spreekt over de kring/cirkel der aarde en verbindt dat direct met de hemel als uitgespannen doek en tent.


Dat verschil moet serieus genomen worden.


Als de Heilige Geest in Jesaja 40:22 een bal had willen aanduiden, dan was er Bijbelse taal voor. Jesaja 22:18 laat dat zien.


Maar Jesaja 40:22 spreekt niet over een bal. De tekst spreekt over God Die zit boven de cirkel/kring der aarde.


Dat past direct bij Job 26:10 en Spreuken 8:27.


Dus de Schrift geeft verschillende beelden:


bal — iets dat geworpen wordt, zoals in Jesaja 22:18;


kring/cirkel — een omschreven ronde vorm, zoals in Job 26:10, Spreuken 8:27 en Jesaja 40:22;


tent/doek/gordijn — de hemel die over de aarde wordt uitgespannen, zoals in Jesaja 40:22 en Psalm 104:2.


Dat maakt het patroon sterker. De Bijbel verwart deze beelden niet. Wanneer zij over een bal spreekt, gebruikt zij baltaal. Wanneer zij over de aarde onder Gods troon spreekt, gebruikt zij kring-/cirkeltaal.


Daarom is Jesaja 40:22 geen bewijs voor een draaiende bol in een eindeloos heelal. Het vers zegt dat God zit boven de cirkel der aarde, terwijl Hij de hemelen uitspant als een tent om te bewonen.


En als God boven de cirkel der aarde zit, blijft de vraag staan:


wat is de volmaakte plaats boven een cirkel?


Niet boven de rand.


Niet schuin boven één zijde.


Maar boven het middelpunt.



De volmaakte plaats boven een cirkel is het centrum


Een cirkel heeft één uniek punt: het middelpunt.


Vanuit het middelpunt is de afstand tot iedere kant van de omtrek gelijk. Geen enkel ander punt heeft dat. Het middelpunt is de plaats van orde, symmetrie en overzicht.


Als iemand boven een cirkel zit, is de volmaakte positie niet boven de rand, niet willekeurig boven één zijde, maar boven het centrum.


God is volmaakt.

“Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichten. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.”
— Deuteronomium 32:4

Daarom past het volmaakt dat God, Die boven de cirkel der aarde zit, boven het middelpunt troont.


De Schrift geeft geen losse technische formule, maar zij geeft wel de bouwstenen.


God zit boven de cirkel der aarde.


De hemel is Zijn troon.


De aarde is Zijn voetbank.


De hemel is uitgespannen als een tent.


De troon is het centrum van hemelse aanbidding en regering.


En in een Bijbels cirkelmodel is het noorden de centrumrichting.


Oost en west zijn rondgaande richtingen. Zuid beweegt naar buiten, richting de omtrek. Maar noorden wijst naar het centrum.


Daarom is het noorden in zo’n wereldbeeld niet zomaar één richting tussen vier richtingen. Het noorden is centrumgericht.


Dat maakt de noordteksten van de Bijbel zeer belangrijk.



Het noorden in Gods kosmologische macht


Job zegt:

“Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.”
— Job 26:7

Dit is een opmerkelijke tekst.



Job spreekt hier over Gods majesteit en macht over de schepping. In hetzelfde hoofdstuk lezen we:

“Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.”
— Job 26:8

En:

“Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.”
— Job 26:9

En:

“Hij heeft een gezetten kring over het vlakke der wateren beschreven, tot aan de voleinding des lichts met de duisternis.”
— Job 26:10

Daarna:

“De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.”
— Job 26:11

Dit hoofdstuk is dus vol kosmologische taal:


noorden;

aarde;

wolken;

troon;

wateren;

licht en duisternis;

pilaren des hemels;

kring over het vlakke der wateren.


Daarom is Job 26:7 geen losse geografische opmerking.


“Hij breidt het noorden uit over het woeste...”


Het noorden wordt hier genoemd in verband met Gods macht over hemel en aarde.


Het Hebreeuwse woord voor “noorden” is tsāfôn. Dat is in Job 26 geen decorwoord. Het staat in een hoofdstuk waar hemel, aarde, wolken, wateren, troon en pilaren van de hemel samenkomen.


Daarna:


“Hij hangt de aarde aan een niet.”


De aarde wordt gedragen door God, niet door een zichtbaar menselijk fundament dat de mens kan aanwijzen. De mens ziet niet waarop God haar stelt. Maar God draagt haar.


Job 26:7 spreekt de andere Schriftgegevens over grondvesten, bevestiging en onbeweeglijkheid niet tegen. Het zegt dat God de aarde draagt op een wijze die de mens niet kan doorgronden.


Maar belangrijk voor dit artikel is dit:


het noorden verschijnt hier in een tekst over de grote structuur van hemel en aarde.


Het noorden is in Job 26 niet slechts een windrichting op een kompas.


Het staat in kosmologische context.



Het noorden en het woeste


Job zegt:

“Hij breidt het noorden uit over het woeste...”
— Job 26:7

Het woord “woeste” komt van tōhû.



Dat woord draagt de gedachte van woestheid, leegte, verlatenheid, vormloosheid of ijlte. Het komt ook voor in Genesis 1:2:

“De aarde nu was woest en ledig...”

Daar staat tōhû in de bekende uitdrukking “woest en ledig”.


Dat maakt Job 26:7 zwaarder.


God breidt het noorden uit over het tōhû.


Dat is diepe scheppingstaal.


De Schrift plaatst het noorden hier in de sfeer van Gods ordening en uitspanning van de hemelse werkelijkheid.



Dat past bij wat eerder gezien werd:

“Die de hemelen uitbreidt, Hij alleen...”
— Job 9:8

En:

“Die den hemel uitspant als een gordijn.”
— Psalm 104:2

En:

“Die de hemelen uitbreidt als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent om te bewonen.”
— Jesaja 40:22

God breidt de hemelen uit.


Job zegt specifiek:


“Hij breidt het noorden uit over het woeste.”


Dat maakt het noorden bijzonder.


Het is verbonden met Gods hemelse uitspanning.



Uit het noorden komt glans en majesteit


Job 37 voegt nog een opvallende tekst toe.

“Het goud komt uit het noorden; maar bij God is een verschrikkelijke majesteit.”
— Job 37:22

Job 37 spreekt over Gods macht in donder, wolken, licht, wind en hemel. Kort daarvoor staat:

“Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een gegoten spiegel?”
— Job 37:18

Daarna komt:

“Het goud komt uit het noorden; maar bij God is een verschrikkelijke majesteit.”
— Job 37:22

Het noorden wordt hier verbonden met glans, goudachtige heerlijkheid en daarna direct met Gods verschrikkelijke majesteit.


Dat is opnieuw geen gewone richtingstaal. In een passage over hemelen, licht en Gods majesteit wordt het noorden genoemd als richting van glans.



Sion aan de zijden van het noorden


Psalm 48 brengt ons van Job naar Sion.

“Groot is de HEERE, en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.”
— Psalm 48:2

Daarna:

“Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings.”
— Psalm 48:3

Deze tekst is zeer belangrijk.


Sion wordt genoemd:


de berg van Gods heiligheid;

schoon van gelegenheid;

een vreugde der ganse aarde;

aan de zijden van het noorden;

de stad van de grote Koning.


Dat is zware taal.


Sion is niet zomaar een plek.


Sion is de stad van de grote Koning.


En deze stad wordt verbonden met:


“de zijden van het noorden”.


In het Hebreeuws staat hier de uitdrukking yarkətê tsāfôn. Dat betekent: de zijden, flanken, uiterste delen of diepere gedeelten van het noorden.


Het gaat dus niet om een zwakke aanduiding.


De Statenvertaling geeft krachtig weer:


“aan de zijden van het noorden”.


Dat mag niet worden weggepoetst.


Psalm 48 gaat over Gods stad, Gods heerlijkheid, Gods bescherming en Gods koningschap.

“God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.”
— Psalm 48:4

Dus Psalm 48 verbindt:


Gods stad;

Gods berg;

Gods koningschap;

vreugde van de ganse aarde;

zijden van het noorden;

hoog vertrek.


Het noorden staat hier niet in een onbelangrijke zin.


Het staat midden in de lof op Sion, de stad van de grote Koning.



De stad van de grote Koning


De Heere Jezus Zelf gebruikt de uitdrukking “stad des groten Konings”.

“Noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings.”
— Mattheüs 5:35

Dat bevestigt de zwaarte van Psalm 48.


Jeruzalem/Sion wordt verbonden met Gods koningschap.


Psalm 48 zegt dat Sion ligt:


“aan de zijden van het noorden”.


Daarmee wordt het noorden verbonden met koninklijke heiligheid.


De Schrift gebruikt dus niet slechts geografische taal.


Zij gebruikt troon- en koningschapstaal.


Sion is de stad van de grote Koning.


En zij wordt verbonden met het noorden.



Daarbij moet ook gezegd worden: Sion heeft in de Schrift zowel een aardse als een hemelse lijn.

“Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.”
— Galaten 4:26


“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem...”

— Hebreeën 12:22


“En ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel...”

— Openbaring 21:2

Psalm 48 is dus niet oppervlakkig. De stad van de grote Koning is aan de zijden van het noorden. De hemelse lijn van Sion maakt dat nog zwaarder.



Satanische hoogmoed: de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden


Nu komt Jesaja 14.


Deze tekst is zeer zwaar.


De directe context is de spotrede tegen de koning van Babel. Maar de taal stijgt ver boven een gewone aardse koning uit.

“Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!”
— Jesaja 14:12

Daarna lezen we:

“En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.”
— Jesaja 14:13

En:

“Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.”
— Jesaja 14:14

Een gewone koning van Babel kan dit niet letterlijk waarmaken.


Een aardse koning kan niet werkelijk ten hemel opklimmen, zijn troon boven de sterren Gods verhogen, zich zetten op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden, boven de hoogten der wolken klimmen en de Allerhoogste gelijk worden.


Hier wordt de satanische hoogmoed achter Babel zichtbaar.


Dit is de oerhoogmoed van Satan: opklimmen, verhogen, innemen wat alleen God toekomt.


Dat maakt de tekst voor dit onderwerp nog sterker.


Want juist de plaats die Satan begeert, wordt verbonden met:


hemel;

troon;

sterren Gods;

berg der samenkomst;

zijden van het noorden.


Hij wil niet zomaar macht op aarde.


Hij wil hemelse verhoging.


Hij wil troonhoogte.


Hij wil boven de sterren Gods.


Hij wil zitten op de berg der samenkomst.


En die berg wordt geplaatst:


“aan de zijden van het noorden”.


In Jesaja 14:13 staat opnieuw yarkətê tsāfôn: de zijden, uiterste flanken of diepe delen van het noorden.


Dat is geen toevallige windrichting.


Dezelfde uitdrukking als Psalm 48 komt terug.


Psalm 48:


“aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings”


Jesaja 14:


“de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden”


Dat is Schrift met Schrift.



Sterren Gods en troonhoogte


Jesaja 14:13 zegt:


“ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen...”


Dat is zware hemeltaal.


De sterren worden in de Schrift niet behandeld als dode decoratie. Zij zijn lichten in het uitspansel, maar ook verbonden met het levende heir des hemels, met namen, zang, strijd en hemelse orde.


Daarom is deze uitdrukking belangrijk:


“sterren Gods”.


Satan wil zijn troon boven de sterren Gods verhogen.


Dat betekent: hij wil boven Gods hemelse orde uitstijgen. Hij wil zich verheffen boven het hemelse heir.


En waar wil hij zitten?


“op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden”.


Dus het noorden wordt in Jesaja 14 verbonden met de hoogste samenkomst, de berg, de sterren Gods en troonhoogte.


Dat is een zeer sterke lijn.



De berg der samenkomst


De uitdrukking “berg der samenkomst” is ook zwaar.


Een berg is in de Bijbel vaak plaats van ontmoeting, openbaring, koningschap en heiligheid.


Sinaï was berg van openbaring.


Sion is de berg van Gods heiligheid.


De berg des HEEREN wordt profetisch verhoogd.


Jesaja 2 zegt:

“En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen; en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.”
— Jesaja 2:2

Micha zegt hetzelfde:

“Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen...”
— Micha 4:1

Daarom is “berg der samenkomst” geen lichte uitdrukking.


Jesaja 14 spreekt over Satan die zich wil zetten op die plaats van hemelse samenkomst, aan de zijden van het noorden.


Hij wil zitten waar hij niet mag zitten.


Hij wil verhogen wat niet aan hem toekomt.


Hij wil de plaats van hoogste regering en samenkomst.


Het noorden is hier verbonden met die heilige en hemelse hoogte.



Verhoging komt niet uit oost, west of woestijn


Psalm 75 voegt een opmerkelijke tekst toe.

“Want de verhoging komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn.”
— Psalm 75:7

Daarna:

“Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.”
— Psalm 75:8

Psalm 75 zegt niet met deze woorden:


“De verhoging komt uit het noorden.”


Maar de tekst is wel opvallend.


Verhoging komt niet uit het oosten.


Niet uit het westen.


Niet uit de woestijn.


De woestijn wordt in de Bijbelse landkaart vaak verbonden met het zuiden of zuidelijke woestijngebied. De tekst sluit dus oost, west en woestijnrichting uit als bron van verhoging.


Daarna zegt de psalm:


“Maar God is Rechter.”


Dus de bron van verhoging is God.


Nu wordt het opvallend wanneer Psalm 75 naast Psalm 48 en Jesaja 14 wordt gelegd.


Psalm 48 verbindt Sion, de stad van de grote Koning, met de zijden van het noorden.


Jesaja 14 verbindt de berg der samenkomst, troonhoogte en sterren Gods met de zijden van het noorden.


Psalm 75 zegt dat verhoging niet uit oost, west of woestijn komt, maar van God, de Rechter.


De Schrift maakt het noorden dus niet tot een gewone richting zonder betekenis. In de context van Sion, troon, samenkomst en verhoging wordt het noorden opvallend geladen met koninklijke en hemelse betekenis.



God is Rechter


Psalm 75 zegt:

“Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.”
— Psalm 75:8

Dat is de kern. Niet het noorden verhoogt, maar God. Niet een richting regeert, maar de HEERE. Het noorden wordt niet aanbeden; God wordt aanbeden.



Juist daarom is de noordlijn veilig te onderzoeken. Het noorden heeft geen zelfstandige macht, maar krijgt betekenis omdat God deze richting in Zijn Schriftuurlijke hemeltaal gebruikt.



Het offer noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN


Nu komt een zeer diepe tekst uit de offerdienst.

“En hij zal dat slachten aan de zijde des altaars noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.”
— Leviticus 1:11

Dit is geen tekst om snel overheen te lezen.


Het brandoffer uit de kudde moest worden geslacht aan de noordzijde van het altaar.


En de tekst zegt daarbij:


“voor het aangezicht des HEEREN”.


Dat is zwaar.


Juist omdat eerder al is vastgesteld dat God alomtegenwoordig is, wordt Leviticus 1:11 des te opvallender. In de eredienst geeft God namelijk concrete plaats, richting en orde. De tabernakel is niet door mensen bedacht. Alles moest gemaakt worden naar het voorbeeld dat God gaf.

“Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.”
— Exodus 25:40

Hebreeën bevestigt dat de tabernakeldienst een voorbeeld en schaduw is van hemelse dingen.

“Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel volmaken zou; want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den berg getoond is.”
— Hebreeën 8:5

En:

“Zo was het dan nodig, dat wel de voorbeelden der dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden...”
— Hebreeën 9:23

Dus de tabernakel is aardse schaduw van hemelse werkelijkheid. Richting, altaar, bloed, priesterlijke handeling — niets is willekeurig.


Daarom is Leviticus 1:11 zo belangrijk.


De mens moest het offer noordwaarts slachten, en dat heet:


“voor het aangezicht des HEEREN”.


Dat betekent niet dat God alleen in het noorden aanwezig is. Maar het betekent wel dat God in de aardse eredienst de noordelijke richting markeert als aangezichtsrichting in verband met offer, bloed en nadering.


Binnen het Bijbelse cirkelmodel, waar noorden centrumgericht is, krijgt dit nog meer gewicht.


De offeraar wordt gericht naar de richting van het centrum, naar de richting die in de Schrift verbonden wordt met troon, Sion, samenkomst, oordeel en heerlijkheid.


Noordwaarts.


Voor het aangezicht des HEEREN.


Dat is geen klein detail.



De heerlijkheid komt van het noorden


Nu komen we bij Ezechiël 1.


Dit is een van de zwaarste teksten in het hele onderwerp.


Ezechiël zegt:

“Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden, een grote wolk, en een vuur daarin zich vermengende, en een glans was rondom die; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.”
— Ezechiël 1:4

Let op:


“een stormwind kwam van het noorden”.


Daarna ziet Ezechiël een grote wolk, vuur, glans, levende wezens, raderen, een kristalachtig uitspansel, een troon boven het uitspansel, en de heerlijkheid des HEEREN.


Dat betekent dat Ezechiël 1 de komst van Gods heerlijkheid in het gezicht verbindt met het noorden.


Dit is niet zomaar “slecht nieuws uit het noorden” zoals in sommige Jeremia-teksten over oordeel.


Dit is de verschijning van de heerlijkheid des HEEREN.


Ezechiël ziet een stormwind komen van het noorden, en uit die verschijning ontvouwt zich het gezicht van cherubs, raderen, uitspansel, troon en de heerlijkheid des HEEREN.


Dat is buitengewoon belangrijk.



Uit het midden waarvan?


Ezechiël 1:4 zegt:

“...en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.”

De vraag is belangrijk:


uit het midden waarvan?


De tekst geeft de lagen:


een stormwind kwam van het noorden;

een grote wolk;

vuur daarin zich vermengende;

glans rondom;

uit het midden daarvan;

uit het midden des vuurs.


Dus de verschijning komt van het noorden, en vanuit het midden van die wolk-vuur-glans verschijnt de heerlijkheid.


Daarna ontvouwt het gezicht zich verder tot cherubs, raderen, uitspansel en troon.


Dat is opvallend.


Het “midden” bewijst hier niet dat het noorden het middelpunt van de aarde is. In de directe context gaat het om het midden van de wolk, het vuur en de glans.


Maar de lijn blijft sterk: de heerlijkheidsverschijning komt van het noorden en ontvouwt zich vervolgens in termen van cherubs, raderen, uitspansel, troon en de heerlijkheid des HEEREN.



De cherubs, het uitspansel en de troon


Ezechiël ziet vier levende wezens.


Later verklaart hij dat het cherubs zijn:

“Dit is het dier, dat ik zag onder den God Israëls, aan de rivier Chebar; en ik bekende, dat het cherubs waren.”
— Ezechiël 10:20

Dus het gaat niet om gewone dieren of mensen.


Het zijn cherubs: hemelse troonwezens.



Boven hun hoofden ziet Ezechiël:

“de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de kleur van het schrikkelijk kristal...”
— Ezechiël 1:22

Daarna:

“En boven het uitspansel, dat boven hun hoofd was, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen...”
— Ezechiël 1:26

Hier is de structuur:


cherubs beneden;

kristalachtig uitspansel boven hen;

troon boven het uitspansel;

heerlijkheid des HEEREN op de troon.



En hoe begint het gezicht?


“een stormwind kwam van het noorden”.


Dat is sterk.


Het noorden wordt hier verbonden met de verschijning van de hemelse troonorde.



De boog rondom de heerlijkheid


Ezechiël 1 eindigt met de glans rondom de heerlijkheid des HEEREN.

“Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom. Dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN...”
— Ezechiël 1:28

De regenboog wordt verbonden met de glans rondom Gods heerlijkheid.


Maar hier moet de hele Ezechiël-lijn gezien worden:


van het noorden komt de stormwind;

wolk, vuur en glans verschijnen;

uit het midden komt de glans;

cherubs, raderen, uitspansel en troon verschijnen in één gezicht;

rondom de heerlijkheid is boogachtige glans.


Dit is één van de meest complete hemelse beelden in de Schrift.


En het begint:


“van het noorden”.


Daarom kan het noorden in Bijbelse kosmologie niet worden genegeerd.



Noorden en oordeel


Er is nog een andere lijn.


In de profeten komt oordeel vaak uit het noorden.


Jeremia zegt:

“Uit het noorden zal zich het kwaad opdoen over alle inwoners des lands.”
— Jeremia 1:14

En:

“Want ziet, Ik roep alle geslachten der koninkrijken van het noorden, spreekt de HEERE...”
— Jeremia 1:15

Ook:

“Want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.”
— Jeremia 4:6

Historisch gaat dit vaak over vijanden die vanuit het noorden komen, zoals Babel.


Maar theologisch is het opvallend dat het noorden ook in oordeelstaal gewicht krijgt.


God zegt niet alleen: “Er komt toevallig een leger via die richting.”


Hij zegt:


“Ik breng...”


Dat maakt het oordeel Goddelijk bestuurd.


Het noorden is in de Schrift dus verbonden met troonhoogte, Sion, samenkomst, heerlijkheid, offer en aangezicht, maar ook met oordeel.


Dat past bij God als Rechter.


De troon is plaats van heerlijkheid én oordeel.


God verhoogt en vernedert.


Hij is Rechter.


Daarom is het niet vreemd dat noorden zowel koninklijke als oordeelstaal kan dragen.



Het noorden als centrumrichting


Binnen een Bijbels cirkelmodel krijgt het noorden een bijzondere betekenis.


In zo’n model is het noorden niet zomaar één richting naast de andere.


Het noorden is centrumgericht. Wie naar het noorden gaat, beweegt richting het middelpunt van de cirkel. Zuid is dan naar buiten toe, richting de uiterste rand. Oost en west zijn rondgaande richtingen.


Dat betekent dat het noorden in zo’n wereldbeeld vanzelf een centrale richting wordt.


Daarbij is Psalm 89:13 opvallend:

“Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.”
— Psalm 89:13

De tekst zegt niet: oost en west hebt Gij geschapen. Ook niet: de vier windrichtingen hebt Gij geschapen. De psalm noemt specifiek noorden en zuiden.


Dat is geen bewijs op zichzelf dat het noorden het middelpunt is, maar het past wel opvallend goed bij een cirkelmodel.


Hier wordt het verschil tussen een cirkelmodel en een bolmodel scherp zichtbaar.


In een cirkelmodel is de beweging van noord naar zuid letterlijk en exact. Noord is het centrum. Zuid is de omtrek. Wie vanuit het centrum naar buiten gaat, beweegt langs een rechte lijn naar de rand. Iedere straal vanuit het middelpunt naar de omtrek is een rechte noord-zuidlijn.


Dat is eenvoudig.


Dat is helder.


Dat is allesomvattend.


Noord-zuid is dan niet slechts een route tussen twee punten. Het is de hoofdstructuur van de hele cirkel: van het midden naar de volledige buitenrand.


Bij een bolmodel ligt dat anders. Daar zijn noord en zuid twee polen op het oppervlak van een bol. Wie van noord naar zuid reist, volgt volgens dat model een meridiaan over de bolling. Dat is een gebogen route over het oppervlak.


Wil men werkelijk een rechte lijn van noordpool naar zuidpool trekken, dan gaat die lijn niet over het oppervlak, maar dwars door de aarde, langs de as van de bol.


Dat laat het verschil zien.


In het bolmodel is noord-zuid op het aardoppervlak een gebogen route tussen twee polen.


In het cirkelmodel is noord-zuid een rechte structuur van centrum naar omtrek.



En juist daarom is Psalm 89:13 zo opvallend:

“Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen...”
— Psalm 89:13

In een bolmodel noemt deze tekst twee polen.


In een cirkelmodel noemt deze tekst centrum en buitenrand.


Dat is veel allesomvattender.


Want tussen centrum en omtrek ligt de hele cirkel. Oost en west zijn dan niet verdwenen, maar zij bewegen rondom binnen diezelfde orde. Zij zijn inbegrepen in de cirkelstructuur die door noorden en zuiden wordt aangeduid.


Daarom raakt Psalm 89:13 in een cirkelmodel de hele aarde-orde: het middelpunt, de rand en alles daartussen.


Noord is het centrum.


Zuid is de volledige omtrek.


En de hele aarde ligt binnen die geschapen noord-zuidstructuur.


Daarom is het opvallend dat de Schrift juist het noorden verbindt met zulke zware woorden:


Sion aan de zijden van het noorden;

de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden;

troonhoogte boven de sterren Gods;

verhoging die niet uit oost, west of woestijn komt;

offer noordwaarts voor het aangezicht des HEEREN;

de heerlijkheid des HEEREN die in Ezechiël 1 van het noorden komt.

De Bijbel zegt niet in één technische zin:


“Het noorden is het middelpunt van een cirkelvormige aarde.”


Maar wanneer de Schrift tegelijk spreekt over de cirkel der aarde, het vlakke der wateren, het vlakke des afgronds, einden der aarde, vier winden, een gegronde aarde onder het uitspansel, en daarna het noorden verbindt met Sion, samenkomst, troonhoogte, aangezicht en Gods heerlijkheid, dan past dit buitengewoon natuurlijk bij een wereldbeeld waarin het noorden centrumgericht is.



Verstrooiing en vergadering: vanuit centrum naar buiten, en terug


Ook de Bijbelse taal van verstrooiing en vergadering past hierbij.


Bij Babel lezen we:

“Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde...”
— Genesis 11:8

En:

“Van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.”
— Genesis 11:9

Verstrooiing over de ganse aarde werkt in een cirkelmodel het meest volmaakt vanuit een centraal punt naar buiten toe. Vanuit een randpunt is verstrooiing asymmetrisch. Vanuit het centrum kan iets naar alle richtingen uitgaan.



Zacharia gebruikt opvallende taal:

“Hui, hui, vliedt toch uit het land van het noorden, spreekt de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de HEERE.”
— Zacharia 2:6

Hier staan samen:


het land van het noorden;


uitgebreid naar de vier winden des hemels.


Dat past opvallend bij de beweging vanuit centrum naar buiten.



En herstel is de omgekeerde beweging: terugvergadering uit de vier winden.

“En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.”
— Mattheüs 24:31

En:

“En daarna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde...”
— Openbaring 7:1

Verstrooiing gaat naar buiten.


Vergadering brengt terug.


Dat past bij een Goddelijke wereldorde met centrum, einden en vier winden.



Openbaring 4: de troon als centrum van de hemel


Openbaring 4 zegt niet letterlijk “noorden”. Maar het hoofdstuk is één grote centerpoint-openbaring.

“En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Eén op den troon.”
— Openbaring 4:2

Daarna wordt alles rondom die troon geordend.

“En rondom den troon waren vier en twintig tronen...”

— Openbaring 4:4


“En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen...”

— Openbaring 4:5


“En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk...”

— Openbaring 4:6


“En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren...”

— Openbaring 4:6

Let op de woorden:


rondom de troon;


van de troon;


voor de troon;


in het midden des troons.



De troon is het centrum van de hemelse werkelijkheid. Alles wordt eromheen geplaatst. Aanbidding beweegt rondom de troon. Oordeel gaat uit van de troon. Scheppingslof eindigt bij de troon.

“Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.”
— Openbaring 4:11

Openbaring 4 laat de troon zien als het punt waaromheen regering, aanbidding, oordeel, schepping en heerlijkheid geordend zijn.



Als God boven de cirkel der aarde zit, past deze troonorde volmaakt bij het centrum van de cirkel.


Openbaring 5 versterkt het nog verder:

“En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht...”
— Openbaring 5:6

Het Lam staat in het midden van de troon.


Het centrum van de hemelse regering is niet leeg. Daar staat het Lam.


Dat is diep: het centrum van alle werkelijkheid is Gods troon, en in het midden van de troon staat het geslachte Lam.



Het midden als plaats van Gods aanwezigheid


De Bijbel verbindt Gods aanwezigheid vaak met “het midden”.

“God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.”

— Psalm 46:6


“Juich en zing vrolijk, gij inwoneres van Sion; want de Heilige Israëls is groot in het midden van u.”

— Jesaja 12:6


“De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal...”

— Zefanja 3:17


“Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.”

— Mattheüs 18:20


“En ik zag, en ziet, in het midden van den troon... een Lam, staande als geslacht...”

— Openbaring 5:6

Gods aanwezigheid wordt vaak geopenbaard in het midden. Niet aan de rand. Niet als bijzaak. In het midden.


Dat past bij centerpoint.


God staat niet aan de rand van Zijn schepping. Hij is de Schepper, Koning en Rechter. Zijn troon is het centrum van orde, aanbidding en regering.



Is het noorden het middelpunt?


De Bijbel zegt niet in één losse zin:


“Het noorden is het exacte middelpunt van de aarde.”


Maar de Schrift geeft wel opvallende gegevens.


Jesaja 40 zegt dat God zit boven de cirkel der aarde.


Job 26 spreekt over God Die het noorden uitbreidt over het woeste.


Psalm 48 verbindt Sion, stad van de grote Koning, met de zijden van het noorden.


Jesaja 14 verbindt de berg der samenkomst, sterren Gods en troonhoogte met de zijden van het noorden.


Psalm 75 sluit oost, west en woestijn uit als bron van verhoging en wijst naar God als Rechter.


Leviticus 1 plaatst het offer noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN.


Ezechiël 1 ziet de heerlijkheid des HEEREN komen van het noorden, met cherubs, kristalachtig uitspansel en troon.


Openbaring 4–5 toont de troon als centrum van hemelse aanbidding, oordeel en scheppingslof.


Dat is een zware Schriftlijn.


Daarom is het zeer begrijpelijk dat iemand vanuit het Bijbelse wereldbeeld het noorden ziet als een bijzondere richting van hoogte, samenkomst, troon, aangezicht en goddelijke heerlijkheid.


Binnen het Bijbelse cirkelmodel wordt dit nog logischer, omdat noord daar centrumgericht is.


De sterkste formulering is deze:


De Schrift tekent niet elk technisch detail uit, maar zij geeft het noorden een opvallende plaats in haar hemelse en koninklijke taal. Het noorden is verbonden met uitspanning, Sion, de berg der samenkomst, sterren Gods, troonhoogte, offer, aangezicht, verhoging, oordeel en de komst van Gods heerlijkheid. Binnen een firmamentmodel past dit bijzonder natuurlijk bij het noorden als centrumrichting.



Noorden en Gods troon


Kan gezegd worden dat Gods troon met het noorden verbonden is?


Ja, in de zin van Schriftlijn.


Niet als een simplistische technische locatiezin.


Wel als Bijbelse samenhang.


Psalm 48:


“aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings”


Jesaja 14:


“mijn troon boven de sterren Gods... de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden”


Leviticus 1:


“noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN”


Ezechiël 1:


“een stormwind kwam van het noorden”


en daarna:


“boven het uitspansel... de gelijkenis eens troons”


Openbaring 4:


“in het midden des troons”


Dat is genoeg om te zeggen:


De Bijbel verbindt het noorden opvallend met de sfeer van Gods troon, Gods stad, Gods samenkomst, Gods aangezicht en Gods heerlijkheid.


Dat is een zeer sterke conclusie.



Wat dit doet met het Bijbelse wereldbeeld


Tot nu toe heeft deze serie laten zien:


de aarde is gegrond;


het uitspansel is boven de aarde;


wateren zijn boven het uitspansel;


zon, maan en sterren zijn in het uitspansel;


sterren zijn verbonden met het hemelse heir;


de hemelen zijn vast als een gegoten spiegel;


Ezechiël ziet een kristalachtig uitspansel;


Openbaring toont een glazen zee als kristal voor de troon;


de regenboog staat rondom Gods troon;


God zit boven de cirkel der aarde;


de Schrift kent baltaal, maar gebruikt bij de aarde onder Gods troon cirkel-/kringtaal;


en nu: het noorden wordt verbonden met Sion, samenkomst, sterren Gods, troonhoogte, offer, aangezicht en Gods heerlijkheid.


Dit is geen moderne lege ruimte.


Dit is een geordende, verticale, hemelse werkelijkheid.


Aarde beneden.


Uitspansel boven.


Troon boven het uitspansel.


God in de hemel.


En het noorden krijgt in die orde bijzondere betekenis.


Dat maakt de komende conclusie van de serie sterker.


Wij zijn niet bezig met losse verzen.


Wij zien hoe de Schrift zelf haar wereldbeeld opbouwt.



Het noorden is niet het Evangelie


Toch moet dit duidelijk zijn.


Een mens wordt niet gered door de betekenis van het noorden te begrijpen.


Een mens wordt niet behouden door een kosmologisch model.


Een mens wordt behouden door geloof in de Heere Jezus Christus.

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden...”
— Handelingen 16:31

Dit onderwerp raakt Schriftgezag, schepping, hemeltaal en Gods troon.


Maar het Evangelie blijft:

“Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
— 1 Korinthe 15:3–4

Toch is het niet onbelangrijk hoe de Schrift wordt gelezen.


Want dezelfde Bijbel die spreekt over Christus als Redder, spreekt ook over hemel en aarde, uitspansel, wateren boven, sterren, troon, Sion en noorden.


Wij mogen niet zeggen:


“Wij geloven de Bijbel over zaligheid, maar corrigeren haar zodra zij over de schepping spreekt.”


God liegt nergens.



Christus, de ware Koning van Sion


Psalm 48 spreekt over:

“de stad des groten Konings”
— Psalm 48:3

Christus is die Koning. Hij is de Zoon van David, de Koning van Israël en de Koning der koningen.



Psalm 2 zegt:

“Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.”
— Psalm 2:6

En:

“Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne...”
— Psalm 2:12

Dat is de hoogste lijn.


Sion wijst naar de Koning.


De troon wijst naar de Koning.


De berg van heiligheid wijst naar de Koning.


De stad van de grote Koning wijst naar Christus.



Satan zei in Jesaja 14:

“Ik zal ten hemel opklimmen...”
— Jesaja 14:13

Maar Christus daalde neer.



Satan zei:

“ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen...”
— Jesaja 14:13

Maar Christus vernederde Zich.

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; maar heeft Zichzelven vernietigd...”
— Filippenzen 2:6–7

Satan wilde opklimmen tot een troon die hem niet toekwam.


Christus ging vrijwillig naar het kruis.



En juist daarom heeft God Hem uitermate verhoogd:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.”
— Filippenzen 2:9

Dat is de ware verhoging.


De valse hoogmoed zegt:


“Ik zal opklimmen.”


Christus daalde neer.


De valse hoogmoed zegt:


“Ik zal mijn troon verhogen.”


Christus gehoorzaamde tot de dood.


Daarom is Christus de ware Koning.



Slot


Het noorden krijgt in de Schrift een opvallende plaats.


Job spreekt over het noorden dat God uitbreidt over het woeste.


Psalm 48 noemt Sion aan de zijden van het noorden.


Jesaja 14 toont satanische hoogmoed gericht op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.


Psalm 75 zegt dat verhoging niet uit oost, west of woestijn komt, maar dat God Rechter is.


Leviticus 1 plaatst het offer noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN.


Ezechiël ziet de heerlijkheid van God komen van het noorden.


Openbaring toont de troon als centrum van aanbidding, oordeel en scheppingslof.


Dat bewijst niet dat ieder technisch detail in één vers is vastgelegd. Maar het maakt het onmogelijk om het noorden als betekenisloze richting te behandelen.


De aarde wordt in de Schrift voorgesteld als cirkel/kring. De Schrift kent baltaal, maar gebruikt die niet wanneer zij spreekt over God Die boven de aarde zit. De hemel wordt uitgespannen als een tent. God zit boven de cirkel der aarde. De hemel is Zijn troon en de aarde Zijn voetbank.



Daarom is dit geen klein detail. De volmaakte plaats boven een cirkel is het centrum. Binnen het Bijbelse cirkelmodel wijst dat centrum naar het noorden. En juist dat noorden verbindt de Schrift steeds opnieuw met troon, aangezicht, oordeel en heerlijkheid.


Toch eindigt de lijn niet bij een richting.


Zij eindigt bij de Koning van Sion:


Christus.


Hij is de ware Koning.


Hij is de hoogste Verhoogde.


Hij is de Zoon Die gekust moet worden.


Hij is de Redder van ieder die in Hem gelooft.